Laat alles achter, kijk niet om

Voor de Ieren die de grote hongersnood ontvluchtten, gold maar één devies: overleven. ’De droomwet’ van Peter Behrens weet die rauwe tijd voortreffelijk te treffen. Maar Peter Sierksma mist in dit met vaart vertelde debuut ook iets. Als je het weglegt ben je het snel vergeten.

Peter Behrens, De Droomwet. Uit het Engels vertaald door Johan Hos. Podium, Amsterdam. ISBN 9789057592119; 445 blz. euro22,50

Twee boeken varen bij het lezen van het debuut van de Canadese schrijver Peter Behrens steeds als schepen voorbij. Ze dringen zich op en komen langszij. Het zijn ’Scheepskoorts’ van Andrea Barrett en ‘Stella Maris’ van Joseph O’Connor.

Maar eerst Behrens. Zijn spannende ’The Law of Dreams’ werd twee jaar geleden internationaal geprezen als een grote roman en Behrens zelf werd vergeleken met beroemde schrijvers als Herman Melville en Michel Ondaatje.

Hoewel die vergelijking behoorlijk overdreven is, kan ik niet anders zeggen dan dat de roman, nu vertaald als ’De droomwet’, een heerlijk boek is. Het houdt je van de eerste tot de laatste bladzij bij de les, zo strak, direct, modern-ruig – of maakte men in de negentiende eeuw een merrie al uit voor ‘mosterdkut’? – en met zoveel vaart is het geschreven.

Behrens vertelt het verhaal van het arme Ierse plattelandsjochie Fergus O’Brien. Hij is een overlever die anno 1847 aan de grote hongersnood ontsnapt en via veel omwegen in Liverpool een schip vindt dat hem met z’n daar opgescharrelde meisje naar Canada brengt.

Hoe de geschiedenis precies afloopt laat ik hier in het midden. Maar bijzonder is de vreemde combinatie van optimisme en onverschilligheid die Fergus kenmerkt. Over zijn schouder meekijkend vind je het al snel de gewoonste zaak van de wereld dat hij gerecruteerd wordt door een roversbende en binnen de kortste keren al muitend en brandstichtend door het veengebied trekt waar hij zelf vandaan komt.

Het vervreemdende daarbij is dat hij alles wat hij meemaakt beleeft als een koortsdroom. Het geeft het boek iets lichtzinnigs en sprookjesachtig, maar ook iets wreeds en primitiefs. Als een stel soldaten het ouderlijk huis platbrandt, Fergus al zijn bezit moet achterlaten en hij zijn familie verliest staat er: „Het leven brandt heet. Wat doe je met de doden? Proberen te vergeten? Moet je achteruit leven, of vooruit?”

Fergus kiest er telkens voor vooruit te gaan en niet om te kijken. Om te overleven zijn volgens de droomwet alle middelen geoorloofd. En dus vermoordt Fergus de boer die zijn vader ooit onterfde maar hem ook zijn liefde voor paarden (een belangrijke rode draad in het boek) bijbracht en laat hij steeds alles en iedereen die hij lief of nodig heeft achter: „Alles eindigt in rook. Mannen worden geboren om te verdwalen, blijkbaar.”

In zijn onverschrokkenheid en ontaarding lijkt Fergus wel wat op de duistere mythische Schotse figuur uit ‘De man die loopt’ van Alan Warner (2003) en zelfs op de vreemde Amerikaanse eenzaten van kust en prairie waar Annie Proulx zo het patent op heeft.

Ook heeft hij veel weg van de Dickensiaanse boef Pius Mulvey uit het al even genoemde ’Stella Maris’. Ook Pius overleeft door uit Ierland weg te vluchten en via Engeland naar het Noord-Amerikaanse continent te gaan. En net als bij O’Connor is het Behrens’ lichte, onverschillige toon die voor een vreemd humoristisch effect zorgt, juist in contrast met de erbarmelijke omstandigheden. Als Fergus bijvoorbeeld een van zijn weldoeners, een Amerikaan die zich de hele reis tot in Canada toe voor Fergus garant gesteld heeft, op zijn sterfbed aantreft, volgt er een allesbehalve dramatisch afscheid: „De oude man haalde de ochtend, maar zijn gezicht was zwart, zijn tong dik en stijf. Hij was al met al niet erg sterk. Hij had niet veel vlees op zijn botten. ’Hé, meneer’, zei Fergus zachtjes. ’Ik hou je geld voor mezelf.’ Ormsby lag te draaien en te kreunen op het bed en hoorde niets, natuurlijk.”

Hoewel ’Stella Maris’ een wat breder en socialer karakter heeft dan ’De Droomwet’ en meer geënt is op de typisch negentiende-eeuwse stijl van schrijvers als Dickens, delen Behrens en O’Connor een gevoel voor plot en timing. Beiden werken toe naar een onverwacht einde – en laten je dan verweesd achter. Alles is zoals het gelopen is en het heeft geen zin je verder nog op enige manier met welke thematiek dan ook bezig te houden.

In dat opzicht mis ik bij Behrens de subtiliteit en diepgang van ’Scheepskoorts’ van Andrea Barrett, de derde roman waar ik steeds aan moet denken. Ook in ’Scheepskoorts’ gaat het over het lot van de Ierse emigranten rond 1847 en dan met name de erbarmelijke omstandigheden van de schepelingen op het quarantainestation Grosse Isle, een eilandje midden in de St Lawrence. De verhalen raken elkaar in zoverre Barrett én Behrens de geur van tyfus, dysenterie en dood gebruiken om de daden en motieven van hun personages betekenis te geven. Maar verder gaat de vergelijking niet. Want waar Behrens de monstertocht van Fergus vooral als avontuur beschrijft, probeert Barrett de innerlijke drijfveren van haar personages te doorgronden, onder wie een idealistische Canadese arts, zijn vroegere jeugdvriendin Susannah en Nora, een Ierse vrouwelijke patiënt die op een van de ziekenzalen in quarantaine ligt en voor wie de arts grote genegenheid koestert. Het leidt tot een veel verfijnder proza waarin niet de primitieve oerwetten van het overleven worden uitvergroot maar juist de diepere lagen van de menselijke beschaving worden aangeboord. Neem de hoop en de ontroering die Barrett laat zien als de arts gestorven is en Nora hardop dagdroomt van een nieuw leven in een nieuwe stad die Detroit heet: „Een man die daar familie heeft, vertelde me dat je er gemakkelijk de grens over kunt komen, en dat het een levendige stad is en dat er een boel werk is. Ik zou graag in een nieuwe plaats zijn,” zei ze. „Opnieuw beginnen.”

Dat is niet te vergelijken met de manier waarop Fergus verder droomt als hij heeft besloten met paarden een fortuin te gaan verdienen en zijn eerste (Ierse!) knecht aanneemt: „’Ben je op zoek naar goed werk?’ vroeg hij de jongen.

’Wat dan, meneer?’

’Ik wil iemand op wie ik kan vertrouwen om me te helpen deze mooie paardjes op te drijven. We gaan naar de Bostonstaten. Het loon is drie yankeedollars per week, plus de kost. Ben jij wie ik zoek?’

De jongen knikte. ’Dat ben ik.’

En dus spuwde Fergus in zijn hand, en de jongen zonder naam in de zijne, en sloegen ze de handen op elkaar om de zaak te bezegelen.”

Peter Behrens heeft een fantastisch debuut geschreven. Meeslepend, intrigerend en rakend aan de knappe vertelkunst van gevestigde schrijvers als Joseph O’Connor, Annie Proulx en Alan Warner. Maar wat ik mis is een gelaagdheid en meerduidigheid die het onmogelijk maakt het gelezen boek na afloop even gemakkelijk weer neer te leggen als dat je het ooit heb opgepakt. Ja, echt, zulke wereldliteratuur is schaars. Het zou een reden voor de criticus kunnen zijn al te wilde vergelijkingen bij een debuut te vermijden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden