Kwispelen in olieverf SOCIOBIOLOGIE

Een dolfijn maakt een schilderij en is daar openlijk trots op. Een mens stapelt bakstenen op elkaar en krijgt ze nog een museum in ook. Is kunst de individuele expressie van een individuele emotie of alleen maar van een gen? En waar was kunst dan goed voor toen onze soort ontstond? Sociobiologen verkennen het terrein.

Vijftig mensen bogen zich vorige week in een collegezaal van de Vrije Universiteit in Amsterdam over raadsels van de menselijke natuur als de zoekgeraakte hoorndraagster, het gebrek aan nakomelingschap van Beethoven en het getalsmatige overwicht van stiefmoeders (boze) tegenover stiefvaders (alle karakters) in sprookjes. En dolfijnen, de meest oversekste zoogdieren die we kennen, dat die met enorm enthousiasme een schilderij kunnen opzetten, dat moet toch iets zeggen over... kunst?

'Sociobiologie en de kunsten' was een historische vergadering, daar waren de aanwezige leden van de European sociobiological society (ESS) het wel over eens. “Sociobiologen hebben conferenties gehouden over seks, over ouderschap, familiestructuren, incest en ethiek”, klaagde de Amerikaanse onderzoekster Ellen Dissanayake. “Kunst kreeg op die congressen altijd de achterkamertjes aangewezen. Harde wetenschappers vinden het een soft onderwerp. menswetenschappers vinden het smakeloos reductionisme - en weten trouwens geen klap van de evolutietheorie af.”

Evolutie heeft een verhaal te vertellen over kunst, dat was het uitgangspunt van de ESS'ers. En daar konden ze best wel eens gelijk in hebben, want de sociobiologie heeft, sinds de discipline door insektenkundige E. O. Wilson in het leven werd geroepen, verhalen verteld over bijna al het andere wat dieren en mensen uithalen.

Wilson trok de evolutietheorie een stapje verder door. Een paardebloem verspreidt zijn pluis om zoveel mogelijk andere paardebloemen voort te brengen. Een kleine verbetering in het meewaaigedrag van het pluis van een paardebloem zorgt voor meer paardebloemen die die verbetering hebben. Op zijn modernst uitgedrukt: het verbeterde gen dat het verschil in meewaaigedrag veroorzaakt, verspreidt zich door de populatie ten koste van het oude gen.

We zijn al bijna bij de sociobiologie aangeland, zij het misschien nog niet bij Rembrandt. Genen die voor gedrag zorgen, verspreiden zich ook graag. Eenzelvig gedrag: het gen (vaak natuurlijk meer dan een) dat regelt hoe een slak op zoek naar eten gaat. Sociaal gedrag: het gen dat een hond de neiging tot kwispelen geeft. En heel sociaal gedrag: bij het vlooien van apen, het voeren van oorlog door apen of mensen en het zich (door mensen) verenigen in politieke partijen komt, aldus de sociobiologie, meer erfelijkheid kijken dan altijd is gedacht. Sociaal gedrag is een van de arena's waarin de onderlinge strijd van de genen zich afspeelt.

Na de publikatie van Wilsons boek Sociobiology, in 1975, werd die arena niet langer veronachtzaamd. Terwijl onder biologen en sociale wetenschappers heftige ruzies werden uitgevochten over de politieke frisheid van het hele concept, gingen anderen met zijn vraagstelling in het achterhoofd aan het werk. En rekenden bij voorbeeld uit dat het vanuit het oogpunt van voortplanting voordelig is voor een groep Yanomamo Indianen om voortdurend oorlog te voeren tegen andere groepen om vrouwen. Het verhoogde risico op overlijden in de bloei van je leven woog ruimschoots op tegen de verhoogde kans op veroverde vrouwen en een grote kinderschaar daarbij.

Vechten, kinderen verzorgen, voedsel delen, vreemdgaan, alle mensen doen het. Zingen, verhalen vertellen, hun lichaam versieren, voorwerpen mooi maken, het is alle culturen eigen. Heeft kunst dan ook een biologische achtergrond?

Het dichtst bij de 'gewone' sociobiologie staan onderzoekers als de Texaanse slavist Brett Cooke, die menselijke uitingen, waaronder kunst, naspeuren op onderwerpen die biologisch meetellen. Natuurlijk is er alleen een woord voor bedrogen mannen, zegt hij, want dat zijn veel tragischer figuren dan bedrogen vrouwen. Een vrouw weet dat haar kinderen van haar zijn, medemensen met voor de helft haar genen, en een uithuizige man kan daar niets toe- of afdoen. Maar een bedrogen man werkt, evolutionair gesproken, helemaal voor niets.

Dat soort onderzoek ondersteunt de centrale stellingen van de sociobiologie, aldus Cooke. “Waarom is de boze stiefmoeder anders zo'n populair thema? Waarom lezen we anders zo graag over boy meets girl en over moord en doodslag? Waarom moeten bij Shakespeare de slechterikken beslist ook nog bastaards zijn? Dit aspect, de biothematica, moet bekender worden. Niemand zou nog literatuur mogen analyseren zonder op dat soort dingen te letten.”

Een wat dieper niveau om naar bij voorbeeld literatuur te kijken is, vragen hoe het kan dat we kunnen lezen, hoe we het klaarspelen alles om ons heen te vergeten voor een roman. Ook daar heeft Cooke zijn theorie voor klaar: “Het vermogen om je ongeloof even op te zouten en op te gaan in de wereld van een verhaal, maakt het ook gemakkelijk om te geloven in bijzondere eigenschappen van leiders. En dat bevorderde tijdens de evolutie van de menselijke soort de samenhang van de groep, maakte soms het verschil uit tussen overleven of sterven.”

Zo bekeken is literatuur dus een extraatje van de evolutie, een vroeger broodnodig stuk gereedschap waarmee de mensheid van vandaag, bevrijd van de dagelijkse strijd om overleving, fijn mag spelen. Iets dergelijks zegt ook Ellen Dissanyake, auteur van het vorig jaar verschenen boek Homo Aestheticus. Alle kunst, zegt ze zelfs, berust op onze aangeboren neiging om dingen of situaties 'bijzonder te maken'. Rembrandt maakte zijn onderwerpen bijzonder door ze te schilderen. Wij maken de Nachtwacht bijzonder door hem in een museum te hangen. Dat laatste kun je in principe ook doen met een hoop bakstenen. Inderdaad komt binnen de moderne kunst zoiets wel eens voor. Je kunt ook spel bijzonder maken - dan heet het sport - en je kunt hetzelfde doen met gedrag - en dan is het een ritueel.

Kunst kan, zoals de meest platte sociobiologische theorie zou voorspellen, onmiddelijk leiden tot meer nageslacht. Popsterren hebben hun groupies. Maar Beethoven had weer geen nageslacht, viel uit de zaal te vernemen, en volgens Dissanayake is dat ook hoogstens een bijverschijnsel: “Mensen gebruiken alles in de strijd om seks: goed kunnen zwemmen, radslagen maken, ver kunnen spugen desnoods. Maar die vaardigheden zijn daar niet voor geevolueerd. De neiging om dingen bijzonder te maken moet ook een eigen doel hebben. En volgens mij is dat: de samenhang van de groep bevorderen. Dat had voor de jonge menselijke soort directe overlevingswaarde.”

Een kunstliefhebber moet even slikken bij de theorie van Dissanayake.

Mooi of niet mooi komt er niet in voor, en voor de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie is in de evolutie ook geen plaats: haar theorie geldt net zo goed voor de nooit veranderende weefpatronen van Afrikaanse nomaden als voor Dada-poezie.

En toch vinden we, zij het dan misschien aangevuurd door dat 'bijzonder maken' van Dissanayake, kunstuitingen mooi, of tenminste spannend. Wel, dat is ook aangeboren, denkt de Amerikaanse Nancy Aitken, een andere ing mother van de bio-esthetica. Volgens haar zijn allerlei basisvormen in onze hersenen ingebakken omdat we ze snel moesten herkennen in de natuurlijke omgeving waar onze soort vandaan kwam.

Om het bij kijken te houden: de twee ogen die sommige vlindersoorten op hun vleugels hebben, doen een vlinder-etende vogel schrikken - daar zijn ze voor - maar ons ook een beetje: wij en de vogel zijn altijd op dat beeld gespitst en dat is meetbaar. Net zo stoten scherpe hoeken ons af en trekken ronde vormen ons aan als erfenis van ons verleden, aldus Aitken. En kunstenaars manipuleren ons, spelen met de hormonen van geborgenheid en waakzaamheid door ons die elementen in allerlei combinaties voor te schotelen. Zelfs die ogen op de vlinder komen terug in de close-ups van bange gezichten in een spannende film.

Nogal wat onderzoekers hebben geprobeerd om dergelijke effecten van vormen, kleuren en klanken ook bij dieren waar te nemen. David R. Henley van het Art institute of Chicago had vergelijkingsmateriaal. Hij past kunsttherapie toe bij depressieve, dove of blinde en geestelijk gehandicapte mensen en bij een aantal gezonde dieren met een veel voorkomend probleem: gevangen zitten in een dierentuin.

Apen, olifanten en dolfijnen hebben baat bij tekenlessen, zo had hij gemerkt, al was hij erg sceptisch over de mogelijkheid dat de dieren daarbij een schoonheidservaring hadden zoals mensen die voelen. De sociobiologische theorie dat kunst een manier is om bij het andere geslacht op te vallen, zoals een pauw zijn veren toont, zag hij wel een beetje bevestigd bij een dolfijn: die maakte dolgraag al watertrappend schilderijen met acrylverf, vooral als er publiek bij was. Tijdens het applaus maakte hij spontaan een ererondje door het bassin - met de kwast in de bek.

En een anekdote - dat is de vorm waarin de meeste gegevens over sociobiologie voorlopig nog worden aangedragen - gaf Henley het idee dat kunst ook dieren helpt bij het verwerken van ervaringen. Een olifant was gek op auto's, vooral op grote trucks en dan nog het liefst brandweerauto's. Toen op een dag iemand voor haar hek onwel was geworden en per ambulance werd afgevoerd, keek ze ademloos toe, rende zodra de auto uit het zicht was naar binnen en maakte een - voor mensen - volledig abstracte compositie in rood.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden