Kwijtgeraakt en teruggevonden

Een paar muntjes in het zand, een schelp die je als souvenir meeneemt. Dat bleef over van strandbezoek voor de Amerikaanse Stefany Anne Golberg. Tot ze een Texels juttersmuseum binnenstapte. "Ik voel me nu verbonden met drijfhout. Alles is één."

Nooit gedacht dat een stapel van vier meter oranje werkhandschoenen zo magnifiek kon wezen. Tot ik tijdens een verblijf in Nederland het Juttersmuseum doorwandelde, was jutten voor mij niets anders dan een paar schelpjes die ik tijdens m'n vakantie had opgeraapt, leuk om je badkamer mee te versieren, of, als ik echt geluk had, een zanderige dollarmunt.

Texelse jutters hebben met de spullen die de Noordzee uitgebraakt heeft, een nieuwe, zalige stad opgetrokken. Het museum toont zeven decennia gejutte rariteiten aan een breed publiek.

Texel is een eiland tussen Noord- en Waddenzee, noord-westelijk van het Nederlandse vasteland, het eerste eiland van een archipel die zich helemaal tot aan Denemarken buigt. Het ligt veraf, zeil je noordwaarts van Texels noordkop vandaan, dan kom je niets tegen tot aan de Noordpool. Misschien is het achterlaten van rommel op het strand wel de manier waarop de zee Texelaars met de buitenwereld verbindt.

Overal slingeren gele en oranje reddingsboeien rond, ze hangen aan houten boeien, zitten erin, ze liggen verstrikt in touwen en opgetast in rottende houten manden. Een berg ronde reddingsboeien, opgestapeld als een taartschaal vol roomsoesjes, reikt tot aan de bomen. Reddingsvesten, overlevingspakketjes, conservenblikjes met een plaatje erop van een knipogend Nederlands meisje met een melkkan in haar hand. Frisbees, opmaakspullen, brokstukken van schepen en vooral heel veel schoenen. Op de binnenplaats liggen honderden strandspeeltjes en babyspeelgoed voor alle mogelijke strandvertier: emmertjes, schepjes, zuigflesjes, fopspenen, zandvormpjes, en dat alles aan een hek vastgebonden. Op een bordje staat dat het de oogst is van slechts twee winters.

Eén plastic emmer, verzwolgen door de branding, daar zit een woedeuitbarsting achter. Een hele muur vol verloren speelgoed is een museum van duizend tranen.

Jutten is het werk van dieven en nietsnutten, lui die vergeten zijn hoe ze hun eigen bedrijvigheid kunnen opzetten, als ze dat al ooit geweten hebben. Lieden die leven van wat er van scheepswrakken voor hen overschiet, van mazzeltjes.

Ooit waren we vissen, we evolueerderden en liepen de kust op. Die roofden we leeg om in ons levensonderhoud op het land te voorzien. Een prachtvak, dat ons tot de mensen heeft gemaakt die we nu zijn. Melville, de 19de-eeuwse schrijver van 'Moby Dick', was de eerste die het Engelse woord beachcomber optekende ¿ in zijn dagen was dat een zeeman zonder werk of een verschoppeling die over de Stille Oceaan doolde.

In de eeuwen voordat het een Mekka voor Duitse badgasten werd, struinden verarmde Texelaars de stranden af op zoek naar wrakhout om huisjes te bouwen en te verwarmen.

Toen de laatste nazi's in 1945 het eiland waren afgeschopt, togen de Texelaars weer naar het strand om er benodigdheden als voedsel en brandstof bijeen te sprokkelen, afkomstig van opgeblazen schepen die hun bestemming nimmer zouden bereiken. Sindsdien zijn Texelaars altijd blijven jutten.

Het zijn niet onze eigen wensen en verlangens die uitmaken of iets waardevol is of juist troep; dat doet de wet. Wetten op het vinden van schatten verschillen van plaats tot plaats, van land tot land en ze zijn soms hopeloos ingewikkeld.

Neem de volgende Britse wetsregel: "Indien het object geen munt is, dient het minstens 300 jaar oud te zijn en een gehalte aan edelmetaal te hebben van minstens tien procent, om gedefinieerd te worden als schat; of, indien het wél een munt is, dient het er een te zijn van minstens twee uit dezelfde vondst, die wel minstens 300 jaar oud is op het moment van aantreffen."

De Texelse regels zijn beknopter. De burgemeester is gelijk strandvonder die mensen aanstelt om ervoor te zorgen dat het eiland zijn deel krijgt. In 1931 is namelijk vastgelegd dat alles wat op strand aanspoelt, officieel eigendom is van de overheid. Als je jutters ernaar vraagt krijg je steevast verhalen over schermutselingen met de dienaren der wet. Zo hangt er in de vertrekken van het Juttersmuseum steeds een zweem van illegaliteit en contrabande.

Miljoenen meters dichtgeknoopt touw in allerlei kleuren bedekken een muur van kettingen. Er hangen Nederlandse vlaggen en Belgische, seinvlaggen wijzen alle kanten op, er ligt een doorweekt oud scheepslogboek uit de jaren tachtig dat eruitziet als een haveloos middeleeuws getijdenboek, er staat een krat met ruwe amber erin, of gedroogde lijmklonten. Je vindt er wat informatie over natuurlijke historie, een handjevol mooie schelpen. Verderop liggen handgeschreven etiketten in een vitrine vol samengeraapte rommeltjes, pal naast de vitrine met dennenappels en die met aanstekers.

Een rondgang door het Juttersmuseum doet je beseffen dat niet elk scheepswrak zinkt. Wat moet je denken als je buiten loopt, omgeven door overboord geslagen containers die een lading ontplofte televisies uitspuwen? Op 14 maar 1994 trokken Texelaars naar het strand, waar ze ze aantroffen in zware houten kisten. Soms stranden er hele schuiten op het strand, soms staat er een in brand. Op 2 november 2006 spoelde een helikopter aan.

Omdat Texel pal naast de internationale vaarroutes ligt, belanden wrakken van allerhande soort en snit op de kust. En die trekken veel bekijks.

Het Juttersmuseum bewijst de gemeenschap een dienst: als je eenmaal de schoonheid van het verzamelen van rotzooi uit zee hebt ontdekt, is een strandwandeling nooit meer hetzelfde. Jutten is verslavend, hypnotiserend. Al na tien minuten rondlopen in het Juttersmuseum krijg je de neiging om meteen naar het strand te rennen, daar wat bij elkaar te sprokkelen, snel terug te lopen en lukraak je gejutte have tegen het plafond te plakken en het zo aan de rest van de museumbuit toe te voegen.

"Dit is mijn huis", zegt de lokettiste bij de deur, "en ik werk hier ook. Ik heb mijn boerderij aan het museum geschonken. We zijn met een heel clubje, wij verzamelen de spullen." Ik moest denken aan een Engels gezegde: je hebt een heel dorp nodig om de troep op te ruimen na een storm.

Daar staan flessen, eindeloos veel flessen op ellenlange planken, drankflessen zijn het meestal, en da's niet zo vreemd, want je verliest er aan boord zo een. Maar ze hebben ook flessenpostflessen, gevuld door eenzame zielen op zoek naar een penvriend. Soms zitten er noodkreten in, SOS, te elfder ure overboord gesmeten.

Je zou verwachten dat een juttersmuseum op een klein Nederlands eiland aan melancholie zou leiden. Verlies is immers zijn bestaansreden. Maar het Juttersmuseum bewaart wat-ooit-zoekgeraakt-was-en-is-teruggevonden - zonder ook maar een spoor van spijt of verontschuldiging. Het is een oord van verlossing, vol herwonnen goed, met een sfeer die je eerder doet denken aan een kerk dan aan een weeshuis.

Je hebt verschillende typen jutters. Zo is er de hobbyist die het strand ontdoet van alle bewijs van menselijke aanwezigheid, de vijand van milieuvervuiling, rentmeester van de natuur. Deze strandschoonmaker wil een proper strand, ten behoeve van mens en natuur. Jutten is zijn daad van grootmoedigheid, maar er schemert afkeer in door, hij ergert zich aan alles wat mensenhanden maakten. Omdat hij stilletjes weet dat het reinigen van het strand onbegonnen werk is, Sisyfusarbeid, dat het strand hem zomaar een hartaanval kan bezorgen en hij dus een martelaar is. De strandschoonmaker wenst het strand te zuiveren van ons, voor ons.

Een echte jutter zit anders in elkaar. Die beschouwt de troep uit zee als een onverwachte schat. Daarom ademt het Juttersmuseum geen veroordeling.

Achteloos, of door een gelukkig toeval is al die strandvond op zijn eigen manier in het museum terechtkomen. Het is interessanter om te zien hóe dat gebeurd is, dan waarom.

Een plastic speelgoedkraanwagentje is domweg door de golven meegepikt. Andere spullen zijn door boze kinderhandjes in zee gegooid. De scheepswrakken en overboord geslagen containers waren het slachtoffer van hubris, de hoogmoed die kapiteins ertoe bracht om bij stormweer de golven te trotseren en zo op tijd hun lading te lossen en de winst op te strijken.

Het enige doel van flessenpost is een droom: dat je gevonden wordt door een jutter.

Dolend door het Texelse Juttersmuseum begreep ik wat Walt Whitman voelde toen hij 's nachts over het strand liep:

In juttersgeest voeg ik eraan toe: alle kunststof autotootjes, alle vlaggen, alle tv's, poppen, drijfhout, strandgoed, posters, sigaretten, bananen en wat niet al, et cetera. Op het strand, aan land, in zee, mensen en natuur, alles is een. Het strand is een enorme verbinder van allen - de vissen, de beesten, de frisbees, alle mannen en vrouwen. Van mij ook.

Stefany Anne Golberg is schrijfster. Ze woont in New York. In maart opent het Juttersmuseum (texelsmaritiem.nl) zijn uitbreiding.

Een grote gelijkenis verbindt allen

Alle hemelsferen, gegroeid, niet gegroeid, klein, groot,

zonnen, manen, planeten, kometen, asteroïden,

Alle materie is van hetzelfde gemaakt, dat gaat

ook op voor al het geestelijke

[...]

Alle gasvormige, waterige, plantaardige, minerale

processen - de vissen, de beesten,

Alle mannen en vrouwen - ik ook;

Alle natiën, kleuren, barbarijen, beschavingen, talen;

Alle identiteiten die hebben bestaan, of kunnen bestaan

op deze aarde, op welke aarde ook;

Al de levenden en doden - alles

uit het verleden, heden, toekomst.

(Uit: On the beach at night, Alone)

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden