Kwetsen is essentieel voor een democratie

Er is grote opschudding ontstaan over de uitspraak van een in Nederland werkzame imam dat homoseksualiteit een besmettelijke ziekte zou zijn die kan leiden tot het uitsterven van de menselijke soort. De filosoof en rechtsgeleerde Paul Cliteur verdedigt de vrijheid van de imam om deze mening te uiten. 'Wanneer niemand meer iets mag zeggen waardoor de homo's als groep zich beledigd of gekwetst gaan voelen is het einde van de beschaving nabij.'

Imam sjeik El-Moumni heeft zich na alle commotie gedwongen gevoeld zich te verontschuldigen voor zijn uitspraken over homoseksualiteit. Deze geforceerde herroeping is geen triomf, maar een dieptepunt voor de democratie.

Het centrale uitgangspunt van een democratie is openheid voor de meest diverse opinies. Geen waarheidsclaim is absoluuut. Geen standpunt de laatste wijsheid. Allerlei ideeën en uitgangspunten worden aan voortdurende kritiek onderworpen. Natuurlijk levert dat allerlei ongenoegen op van mensen die zich daardoor gekwetst voelen. Socrates kwetste het politieke bewind van zijn tijd met zijn vragen aan argeloze domoren die hij tegen het lijf liep op het marktplein van Athene. Ook waren de autoriteiten gekwetst door Jezus' non-conformistische opstelling ten aanzien van enkele centrale geboden van de Joodse godsdienst. Thomas More kwetste Hendrik VIII door zich te verzetten tegen diens huwelijksplannen. En ook Galileo Galileï zal velen hebben gekwetst met zijn stelling dat de aarde om de zon draait en niet andersom. De gehele geschiedenis van de beschaving is één lange strijd tegen 'gekwetste gevoelens'.

In een vitale democratische samenleving worden dit soort gekwetste gevoelens echter genegeerd. Respect daarvoor zou de beschaving ook geen stap verder hebben gebracht. In een democratische samenleving staat de vrijheid van gedachte en meningsuiting als uitgangspunt ferm overeind. Hoogste deugd is tolerantie. Dat wil zeggen: mensen in staat stellen tot het ventileren van opinies waar je zelf de grootste bezwaren tegen hebt. Dit alles in de verwachting dat alleen uit de schok der meningen de waarheid oprijst.

Helaas dreigt dit beginsel in Nederland een bedreigd cultuurgoed te worden. Er waart een geest door Nederland die aangeeft dat niet vrijheid van spreken het uitgangspunt moet zijn, maar de gevoelens van groepen die niet met kritiek op hun handel en wandel wensen te worden geconfronteerd.

Anderhalve week geleden noemde imam El-Moumni in het tv-programma Nova homoseksualiteit 'een ziekte'. Hij stelde ook dat als die ziekte zich verspreidt iedereen besmet kan raken. Uiteindelijk zal dat leiden tot het uitsterven van het menselijk ras. Dit gevaar zou in het bijzonder dreigen nu het burgerlijk huwelijk is opengesteld voor homoseksuelen.

Het doet een beetje denken aan het geval van die pastoor waarover Karel van het Reve verhaalt in zijn 'Uren met Henk Broekhuis'. Het gaat om een pastoor die in de jaren dertig fulmineerde tegen naaktzwemmen. Bij naaktzwemmen zouden personen van verschillend geslacht elkaars geslachtsorganen te zien krijgen. Dat zou leiden tot gewenning. Vervolgens tot afstomping. Uiteindelijk tot het uitdoven van de seksuele begeerte en daarmee stond het voortbestaan van het menselijk ras op het spel.

Het probleem met de uitspraken van de imam is dat zij, gegeven enkele uitgangspunten, volledig logisch zijn. Is homoseksualiteit verwerpelijk? Stel we nemen als beoordelingsmaatstaf het criterium van Kant dat we de vraag stellen: hoe zou de wereld eruit zien als iedereen homoseksueel zou worden? Dan zou inderdaad het voortbestaan van het menselijk ras serieus bedreigd worden.

Het verschil tussen Nederland en de imam is dat Nederland nu denkt (overigens ook nog niet zo lang!) dat homoseksualiteit bij tien procent van de mensen voorkomt en dat deze categorie niet kan worden vergroot door reclame voor de homoseksuele geaardheid of levensstijl. De imam ziet echter groeipotentie voor de homoseksualiteit, helemaal nu homoseksuelen ook nog eens het steuntje in de rug hebben gekregen door de openstelling van het burgerlijk huwelijk. Daaruit blijkt maar weer dat ook de Nederlandse staat vuile handen maakt.

Er is dus geen sprake van een wil om te kwetsen of een bewust gebrek aan respect, maar een verschil van mening over hoe de wereld in elkaar zit. Het is een nogal zotte reactie van Nederland hierover 'gekwetst' te zijn, zoals het ook een zotte reactie zou zijn gekwetst te zijn door de relativiteitstheorie van Einstein, de evolutietheorie van Darwin of het heliocentrisch wereldbeeld van Galileï. Toch is 'gekwetstheid' altijd ingezet als troefkaart in dit soort discussies. De kerk heeft zich eeuwenlang verzet tegen Darwin en Galileï precies op deze gronden. Quasi-tolerant Nederland is eigenlijk nog niet veel verder dan de katholieke kerk uit de negentiende eeuw, zij het dat Nederland een ongeschreven Index van Verboden Uitingen hanteert, terwijl de kerk dan tenminste nog het fatsoen aan de dag legde deze verboden werken expliciet in een lijst vast te leggen. Bovendien zijn de bordjes in die zin verhangen dat vroeger de kerk de homo's het zwijgen oplegde en nu de homo's de kerk.

Een belangrijk punt is de verschuiving die heeft plaatsgevonden van het individu naar de groep als eenheid van morele beoordeling. In 1958 schreef de Britse filosoof Isaiah Berlin een opstel over het begrip vrijheid: 'Two Concepts of Liberty'. Hij begint met het klassieke begrip van vrijheid voor een individu. Aan het eind van zijn opstel constateert hij echter dat vrijheid tegenwoordig wordt ervaren als iets dat men alleen als een groep kan genieten. Vrijheid betekent erkend worden als lid van een groep die respect geniet in de ogen van andere leden van de maatschappij.

Berlin is over het algemeen kritisch over deze ontaarding van het vrijheidsbegrip in respect. Maar onder zijn jongere collega's bevond zich Charles Taylor die er anders over dacht. Taylor was sterk beïnvloed door het werk van de Duitse filosoof Hegel waarin het belang van erkenning en respect eveneens te vinden is. Later zou Taylor zijn ideeën uitwerken in een serie boeken en opstellen waarvan vooral het opstel 'the politics of recognition' uit 1992 grote invloed heeft gehad. Dit opstel is min of meer de beginselverklaring van het multiculturalisme geworden. Allerlei minderheidsgroeperingen zouden door speciale collectieve rechten beschermd moeten worden in het bevestigen en cultiveren van hun eigen groepsidentiteit. Zodoende transformeert de notie van vrijheid in de notie van respect.

Dit is precies - in abstracte categorieën uiteengezet - het vervalsproces waarvan we in de hedendaagse multiculturele samenleving de manifestaties kunnen onderkennen. Allerlei minderheidsgroeperingen, zoals de homo's verenigd in het COC, vragen, nee: eisen, respect en erkenning voor hun eigen identiteit. Voorzover dat de vorm aanneemt van een individueel recht op gelijkberechtiging ten aanzien van het burgerlijk huwelijk is daar niets op tegen. Integendeel zelfs: het is een verdere uitwerking van de verlichtingsbeginselen door een ten onrechte gediscrimineerde groepering. Maar wanneer het de vorm dreigt aan te nemen van een zodanige interpretatie van het gelijkheidsbeginsel uit art. 1 van de grondwet dat niemand meer iets mag zeggen waardoor de homo's als groep zich beledigd of gekwetst gaan voelen is het einde van de beschaving nabij.

Kenmerkend voor een volwassen democratie is dat zij een procedure heeft om met inhoudelijke verschillen om te gaan. Die procedure kan niet zijn dat onder bedreiging van ballingschap, uitzetting, strafrechtelijke verboden of andere dwangmaatregelen dissidenten worden gedwongen zich te conformeren aan de dominante ideeën van de groep op een bepaalde tijd en een bepaalde plaats.

Maar het staat toch niemand vrij te discrimineren? vraagt men dan. Ook het gelijkheidsbeginsel is toch vastgelegd in de grondwet, net als de vrijheid van meningsuiting? Dat is juist, maar in een democratie moet het primaat toekomen aan de vrijheid van meningsuiting. Het staat imams vrij homoseksualiteit als een ziekte te benoemen, zoals het homo's vrij staat hetzelfde te zeggen van godsdienst. Freud heeft dat laatste trouwens gedaan. Godsdienst is voor Freud een neurose en daarmee een ziekte. Gemeten aan de dominante lijn in de Nederlandse cultuur van dit moment zouden de verzamelde werken van de Weense psychiater op instigatie van godsdienstige groeperingen naar de brandstapel moeten.

Maar moet dan helemaal geen grens worden gesteld aan de vrijheid van meningsuiting? Natuurlijk wel, maar die is met déze uitspraak van de imams nog lang niet bereikt. Wél zou een grens worden overschreden wanneer zich een herhaling van de 'Rushdie-casus' had voorgedaan. Wanneer een fatwa wordt uitgeroepen over een concrete met name genoemde persoon dan kan die uiting niet worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Dat kan ook niet wanneer een imam zou oproepen tot het molesteren van homo's op straat. Maar er bestaat geen enkele relatie tussen iemand als 'ziek' benoemen en de aansporing hem in elkaar te slaan. Veeleer ligt het tegendeel voor de hand. Wie ziek is moet geholpen worden. Wie ziek is breng je een pannetje soep. Maar zo wordt het helemaal niet ervaren door de criminele allochtone jongeren, zegt men dan. Dat is natuurlijk juist, maar wat kan men daaraan doen? Dat de relatie tussen ziekte en liefdadigheid door die jongeren wordt miskend, mag niet ertoe leiden dat de vrijheid van meningsuiting wordt gebreideld. Daar is deze té belangrijk voor.

Hier is een ander probleem aan de orde: de falende criminaliteitsbestrijding door het relativistische gedoogbeleid dat sinds de jaren zestig vigerend is in Nederland. Wanneer allochtone jongeren homo's in elkaar slaan dan dient dat te worden aangepakt. De kritiek is terecht dat in Nederland een schril contrast bestaat tussen een extreem moralisme als het om politiek incorrecte uitingen gaat en een soort moreel laissez-faire ten aanzien van de veiligheid op straat. Het parool dient te zijn: én een krachtige verdediging van de vrijheid van meningsuiting als essentieel fundament voor een liberaal-democratische samenleving, én een krachtig lik-op-stuk-beleid met betrekking tot geweld op straat.

Prof. dr. P.B. Cliteur doceert recht in Leiden en filosofie in Delft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden