Kwaadaardig geschrijf

Het boek 'De afrekening', waarin Maarten van Buuren Westlandse verzetslieden van maffiapraktijken beticht en het hele gewapende verzet van oorlogsmisdaden (

Het boek 'De afrekening' van Maarten van Buuren heeft als ondertitel 'Ontmaskering van het gewapend verzet'. Daaruit wordt duidelijk waarmee Van Buuren wil afrekenen: met het gewapend verzet.

Uitgangspunt vormen de dramatische gebeurtenissen in Maassluis van 8 mei 1945. Toen werd de NSB'er en Landwachter Lein Francke door Piet Doelman, leider van de Knokploegen in het Westland, en diens adjudanten zodanig mishandeld, dat hij korte tijd later aan zijn verwondingen bezweek. Een afrekening met Lein Francke dus, en die vormt dan het tweede element van de dubbele bodem die in de titel van het boek zit. Van Buuren heeft deze gebeurtenissen tot op de bodem willen uitzoeken. Maar daarbij heeft hij het niet willen laten: hij benadert de persoon van Piet Doelman geheel vanuit het perspectief van de gebeurtenissen op die achtste mei. Iemand die zich onmiddellijk na de bevrijding aan een wandaad schuldig maakt deugt niet, en heeft nooit gedeugd.

Veruit het grootste deel van het boek wordt in beslag genomen door het streven dit aan te tonen. Vanuit een negatief vooroordeel stelt Van Buuren de zaken voor Doelman zo ongunstig mogelijk voor; andere omstandigheden, die in Doelmans voordeel zouden kunnen spreken, blijven onderbelicht. En zo krijgt het begrip 'afrekening' nog een derde betekenis: het boek is eerst en vooral een afrekening met Piet Doelman. We hebben hier dan ook met een pamflet of schotschrift, en niet met een poging tot evenwichtige geschiedschrijving te maken.

Het begin van Doelmans verzetsactiviteiten lag in de zomer van 1940, toen NSB'ers en WA'ers in diens woonplaats Naaldwijk provocatief optraden. Doelman organiseerde daarop een knokploeg, die erin slaagde een groep van tachtig Haagse WA'ers het dorp uit te slaan.

Wat Van Buuren verzuimt te vermelden is dat de Weerafdeling (WA) van de NSB in 1936 door de Wet op de Weerkorpsen een verboden organisatie was geworden. Slechts dankzij de Duitse bezetting kon die WA weer op straat verschijnen. Met acties als die in Naaldwijk probeerde de NSB de politieke macht in Nederland via de straat te veroveren, door middel van de WA. Doelman stond hier dus pal voor de normen van de democratische rechtsstaat die Nederland vóór mei 1940 was geweest.

Het georganiseerde gewapende verzet in het Westland begon met de overval van Piet Doelman en zijn knokploeg op het Naaldwijkse kantoor van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd in juli 1943. Ze maakten grote aantallen grüne Ausweise buit: documenten waarmee mannen, werkzaam in de Westlandse tuinbouw, vrijgesteld werden van de Arbeitseinsatz. Van Buuren zegt Doelmans afkeer van deze Ausweise niet te begrijpen, en voegt er insinuerend aan toe: 'Kwam Doelman als varkensboer misschien niet in aanmerking voor een grüne Ausweis?' Daarmee suggereert hij dat Doelman bij deze overval primair uit eigenbelang handelde. Maar de werkelijke reden lijkt mij niet zo moeilijk te bedenken: deze overval bracht schade toe aan de Arbeitseinsatz, doordat enige tijd niet duidelijk was wie wel en wie niet opgeroepen kon worden. Bovendien beschikte het verzet nu over grote aantallen grüne Ausweise, waarmee ook mannen die niet voor vrijstelling in aanmerking kwamen de Arbeitseinsatz konden ontlopen.

Vanaf de zomer van 1943 pleegden de knokploegen van Doelman ook overvallen op boerderijen van zwarthandelaren en namen ze de daar aanwezige voedselvoorraden in beslag. Van Buuren noemt dit consequent 'roofovervallen'. Veel aandacht besteedt hij aan de overval, eind februari 1945, op de boerderij van Klaas van Buuren, een oudoom van de schrijver. Doelmans knokploeg maakte een grote hoeveelheid voedsel buit, meer dan 400 kg, en 17.700 gulden contant geld, een zeer groot bedrag voor die tijd. Deze getallen laten geen andere conclusie toe dan dat Klaas van Buuren een zwarthandelaar in het groot was; Maarten van Buuren geeft toe dat zijn oudoom zwarte handel bedreef. Maar maakte hem dat dan niet tot een legitiem doel voor een overval door de KP? De schrijver lijkt dit te willen ontkennen, onder andere door erop te wijzen dat Doelman zich ook schuldig maakte aan zwarte handel. Maar hij toont dit voor Doelman niet concreet aan.

Alles wat Doelman in een kwaad daglicht kan zetten, lijkt geoorloofd. Doelman passeert voor deze overval de afdeling Maassluis van de KP, waarvan vader en zoon Van Buuren, broer respectievelijk oomzegger van Klaas van Buuren, deel uitmaken, want hij is bang dat zij Klaas zullen verwittigen. Anders gezegd: hij bespaart hun daarmee een loyaliteitsconflict en geeft blijk van wijs beleid. Maar aan de schrijver geeft dit 'een vreemde bijsmaak', waarmee hij opnieuw suggereert dat met die overval iets niet goed zat.

Beslissend voor de vraag naar de rechtmatigheid van dit soort overvallen is wat er met de 'buit' gebeurde. Op voorhand sluit Van Buuren uit dat die primair ten goede kwam aan onderduikers. "Op basis van de bronnen veronderstel ik dat de buit verdeeld werd onder de leden van de Knokploeg." Maar welke bronnen dat zijn, wordt niet duidelijk, en daarmee is Van Buurens veronderstelling een slag in de lucht. Zeker zullen de leden van de KP uit de in beslag genomen voorraden voedsel voor zichzelf hebben gebruikt. Voor zover zij ondergronds leefden (dat gold in ieder geval voor de leiders), hadden zij geen toegang tot de voedseldistributie, en dienden zij dus op andere wijze aan voedsel te komen. Maar Van Buuren maakt, zonder dit te kunnen onderbouwen, van de leden van de KP een stel rovers, uit op eigen gewin, en van hun leider, Piet Doelman, een roverhoofdman, een 'maffiabaas'.

Belangrijk zijn de verwikkelingen rond de arrestatie van Doelman op 23 april 1945. Met twee metgezellen werd hij, min of meer bij toeval, gearresteerd en overgebracht naar de Cellenbarakken te Scheveningen. Daar kregen zij te horen dat zij doodgeschoten zouden worden.

Vrij kort voor zijn arrestatie was Doelman, in de Oostgaag, het deel van het Westland waar hij ondergedoken zat, de jonge Maassluise Landwachter Jaap Francke tegengekomen. Doelman was er volgens Van Buuren van overtuigd dat Jaap Francke in de Oostgaag, waar veel verzetslieden ondergedoken zaten, liep te spioneren ¿ wat niet het geval was. Toen hij korte tijd daarna gearresteerd werd, dacht Doelman ten onrechte dat Jaap Francke hem had verraden. Dan volgen de gebeurtenissen van die achtste mei, de fatale ondervraging door Doelman van de vader van Jaap Francke, Lein, die daarbij dusdanig zwaar wordt mishandeld, dat hij het niet overleeft.

Die ondervraging begon ermee dat Doelman Lein Francke toebeet: "Wat had die zoon van jou te zoeken in de Oostgaag?" Daaruit blijkt dat Doelman ervan overtuigd was dat Jaap Francke in de Oostgaag had gespioneerd en hem had verraden. Hij wilde vader en/of zoon tot de bekentenis van dit verraad brengen.

Maar Van Buuren wil hier niet van weten. Voortdurend benadrukt hij dat Jaap Francke niet in de Oostgaag gespioneerd had, dat hij Doelman niet verraden had, dat diens arrestatie uitsluitend een gevolg van domme pech was. En dan gaat hij, meegesleurd door zijn eigen betoog, net één stap te ver. Hij schrijft: "In werkelijkheid vroeg Doelman op die bewuste dag, 8 mei, naar Jaap Francke, niet omdat hij Jaap verdacht van spionage of verraad, maar omdat Jaap de meest in het oog lopende Maassluise landwachter was." Inderdaad was Jaap Francke niet Doelmans verrader, maar hoe kan Van Buuren weten wat er in het hoofd van Piet Doelman omging? Hoe weet hij dat zich daarin niet het onjuiste denkbeeld vastgezet had, dat Jaap Francke wèl zijn verrader was?

Over de Landwacht als organisatie lezen we in het boek bijzonder weinig. Lein Franckes werk als Landwachter bleef 'beperkt tot onbenullige bewakingsdiensten'. Van Buuren voegt er nog aan toe, dat hij geen uniform droeg. Maar de vraag die de schrijver hier niet stelt, is of Lein Francke bij die bewakingsdiensten bewapend was. Dat zal zeker het geval geweest zijn, want onbewapende bewakingsdiensten kende de Landwacht niet.

Daarmee was Lein Francke, net als zijn zoon Jaap, lid van een gewapende organisatie die zich aan de kant van de Duitse bezetter had geschaard en de eigen landgenoten terroriseerde. Van Buuren had er goed aan gedaan zich een wat realistischer beeld van de Landwacht te vormen door tot zich te nemen wat dr. L. de Jong in het zevende deel van zijn standaardwerk over de Nederlandse Landwacht schrijft. De Jong typeert de Landwacht als 'een plaag voor de bevolking en een gevaarlijke hinder vooral voor de onderduikers'. Door hun bekendheid met plaatselijke toestanden ontwikkelde de Landwacht zich binnen enkele maanden tot een belangrijk hulporgaan van de Sicherheitsdienst. De meest abjecte vorm van dienstbaarheid aan de bezetter had zijn eigen organisatie gekregen: de Landwacht.

Natuurlijk rechtvaardigt dit karakter van de Landwacht op geen enkele wijze het optreden van Doelman en zijn adjudanten tegen Lein Francke in Maassluis. Maar het vormt er wel een achtergrond van, die bij Van Buuren ontbreekt. Waarover we evenmin iets vernemen zijn de eventuele mishandeling van Doelman en de zijnen door de Duitse politie-instanties. We weten dat mishandeling van arrestanten door de SD schering en inslag was. Was Doelman tijdens zijn verhoor mishandeld? Mocht dat het geval zijn geweest, dan is ook dat geen verontschuldiging voor de mishandeling met dodelijke afloop van Lein Francke. Maar het biedt dan wel een potentieel relevante achtergrond ervan. Van Buuren stelt de vraag niet eens.

In het veertiende hoofdstuk van 'De afrekening' verklaart Van Buuren zijn bevindingen over de KP in het Westland van toepassing op de hele LKP. Maar voordat hij tot zijn ongefundeerde generaliserende uitspraken komt, houdt hij zich eerst nog bezig met de naoorlogse verslaglegging van het gewapend verzet in het Westland. Daarbij gaat Van Buuren ook even in op de verhouding tussen Piet Doelman en Leen Valstar (verzetsnaam: Bertus), de andere grote verzetsleider uit het Westland, die zou uitgroeien tot een van de leiders van de LKP. Hij constateert dat de KP uit het Westland geen pogingen heeft gedaan Valstar na diens gevangenneming te bevrijden, en komt dan tot een wel erg vergaande conclusie: "Bertus was voor het oog van de buitenwereld Doelmans strijdmakker, maar in werkelijkheid was hij een rivaal die Doelman overvleugelde. De suggestie die erin [in een naoorlogs verslag] doorklinkt is ook dat Piet Doelman de gevangenneming en executie van Bertus in zijn hart toejuichte, omdat hij daarmee verlost werd van een rivaal die zijn positie als leider in gevaar bracht." Omdat dit in werkelijkheid in het geheel niet aan dit verslag te ontlenen valt, is dit ronduit kwaadaardig geschrijf van Van Buuren tegen de persoon van Doelman.

Ook neemt de auteur stelling tegen de geschiedschrijving over de Landelijk Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en de LKP. Die geschiedschrijving heeft zijn neerslag gekregen in 'Het Grote Gebod. Geschiedenis van het verzet in LO en LKP' uit 1951. Van Buuren meent dat hierin 'het beeld van het gewapend verzet wordt verdraaid, geïdealiseerd en in christelijke zin gemythologiseerd'. Het is een kernzin uit het boek, die ook in het 'Vooraf' een plaats gekregen heeft.

Ter onderbouwing van deze verregaande uitspraak komt de auteur met welgeteld één voorbeeld van een passage in 'Het Grote Gebod' waarbij men inderdaad vraagtekens kan plaatsen.

Daarnaast is er voor Van Buuren uiteraard de door Doelman geleide KP in het Westland. De vraag of Doelman de rotte appel was in een mand met verder gezonde appels beantwoordt de schrijver ontkennend, want de meeste, zo niet alle appels waren rot. Over generaliseren gesproken. Daarbij zegt Van Buuren zich te baseren op 'documenten' en 'documentatie', maar hij omschrijft deze niet verder, laat staan dat hij deze in zijn boek presenteert. Van Buuren slaat ook hier een slag in de lucht.

De volgende schakel in zijn betoog is dan dat dr. L. de Jong dit beeld van de LO-LKP kritiekloos overneemt. Van Buuren wenst een duidelijk onderscheid te maken tussen de LO, die zich bezig hield met de hulp aan onderduikers, enerzijds, en de LKP anderzijds. De deelnemers aan LO zouden geleid zijn door 'deugdzame motieven', maar dat gold volgens hem niet voor de deelnemers aan het gewapend verzet. Ten onrechte hebben de schrijvers van 'Het Grote Gebod' de deugdzame motieven van de leden van de LO ook van toepassing verklaard op de leden van de LKP. De Jong zou dit onjuiste beeld nog eens hebben versterkt door in het geheel geen onderscheid te maken tussen LO en LKP.

De tweedeling die Van Buuren bepleit is irreëel, want hoe had de LO aan de benodigde grote hoeveelheden distributiebescheiden moeten komen, nodig om de onderduikers van voedsel te voorzien, als ze die niet van de LKP gekregen had, die ze gewapenderhand had buit gemaakt? De stoot tot de oprichting van de LKP ging uit van de leiding van de LO: bestaande knokploegen moesten gecentraliseerd, en nieuwe gevormd worden. De Jong: "LO en LKP hebben zich wezenlijk tezamen ontwikkeld: naarmate de LO voor meer onderduikers zorgde, dienden de Knokploegen meer operaties te ondernemen." Het is onbegrijpelijk dat Van Buuren op dit punt L. de Jong niet ter hand heeft genomen. Maar misschien behoort hij tot degenen die, helaas en volstrekt ten onrechte, menen dat De Jong sinds Chris van der Heijdens 'Grijs Verleden' een stem uit het verleden is. In werkelijkheid steekt Van der Heijdens boek vaal af bij De Jongs rijke en veelkleurige geschiedschrijving.

Maarten van Buuren heeft een zeer eenzijdig boek geschreven. Geschokt door de gebeurtenissen van 8 mei 1945 in Maassluis, is hij tot de overhaaste conclusie gekomen dat Piet Doelman niet deugde en nooit gedeugd heeft. Vanuit dit parti pris heeft hij zijn boek geschreven, als een aanklager zoveel mogelijk (schijnbaar) belastend materiaal tegen Doelman verzamelend en via gewrongen of ronduit onjuiste redeneringen trachtend zijn gelijk te bewijzen. Daarbij heeft hij er blijkbaar bewust naar gestreefd de resultaten van zijn onderzoek zo sensationeel mogelijk te presenteren.

Op de binnenflap van het boek zegt Van Buuren: "Er is veel ophef in het nieuws over de Leidse verzetsvrouw die bekend heeft een moord te hebben gepleegd op een 'collaborateur' die in feite hulp verleende aan onderduikers. Als ik de stampij zie die dit gevalletje oplevert, dan opent dat perspectieven voor de veel verder gaande onthullingen in 'De afrekening'." Ik kan dit niet anders lezen dan dat een belangrijk doel van de publicatie van zijn boek het veroorzaken van stampij is. Is dat een gerechtvaardigd doel van een publicatie waarin geprobeerd wordt een vooraanstaand verzetsman tot de grond toe af te branden? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Herman Langeveld is historicus, verbonden aan het Biografie Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij schreef een biografie over Hendrikus Colijn en werkt nu aan het levensverhaal van Willem Schermerhorn.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden