Kunstsubsidie is corrupt

Het kunstsubsidiesysteem is plebejisch en benadeelt traditionele componisten en beeldend kunstenaars, meent John Borstlap. Mecenassen zijn beter.

John Borstlap (1950) is componist in de klassieke traditie, en publicist. Hij voltooide onlangs zijn derde symfonie die volgend jaar in Duitsland in première gaat.

Gekrenkt door jarenlange bezuinigingen wacht de modernekunstelite de nieuwe regeringsplannen met cultuur af. Ik vrees een verdere bezuinigingsronde voor de kunstsubsidies niet; het systeem was toch al aan herziening toe en mag van mij in zijn huidige vorm worden opgedoekt. Het uitgebreide subsidiesysteem in Nederland compenseert een leegte: het moet de fictie van een Europees beschaafd land hooghouden, bij gebrek aan een elite die iets van de culturele identiteit van een land probeert hoog te houden. De huidige kunstfinanciering biedt - bij gebrek aan een mecenaat - een onthullend kijkje in de volksziel van een plebejische natie.

Waartoe heeft de overheidsbemoeienis met nieuwe kunst zoal geleid? In 1994 verwierf het Amsterdamse Stedelijk Museum voor hedendaagse kunst een glazen bak met ziekenhuisafval voor 450.000 gulden ('Waste' van Damien Hirst); in 1995 gevolgd door een 680.000 gulden kostende verzameling tl-buizen die aan- en uitfloepend seksuele posities uitbeelden ('Seven Figures' van Bruce Nauman). De immer vooruitstrevende Rotterdamse gemeente wilde niet achterblijven en kocht in 2003 een zes meter hoge stenen kerstman met een anusdildo in de hand, voor 180.000 euro, exclusief sokkel. In hetzelfde jaar subsidieerde het Amsterdams Fonds voor de Kunst het rondsturen van 200.608 quasi-officiële formulieren, die de ontvangers aanmoedigden illegalen aan te geven - een 'modern kunstwerk' à 19.000 euro. In 2004 werd in een Vinex-wijk in Zwolle een tent onthuld die zogenaamd in de maanden daarvoor de totstandkoming van een door de gemeente betaald kunstwerk (138.000 euro) aan het oog van nieuwsgierigen had onttrokken. Op de 'opening' kregen de bewoners in de volkomen lege tent op een bandje te horen dat kunst de kunst van het weglaten is, tot de essentie van het niets overblijft.

Ook in de muziek is prut een goede business. Tijdens het Holland Festival van 1995 werd Stockhausens 'helikopterkwartet' uitgevoerd: in vier helikopters mengden leden van het Arditti String Quartet hun driftig gekras met het gebulder van de wieken - voor een ton per helikopter. In de periode 2000-2003 keerde het muziekfonds de componist Otto Ketting voor 103 minuten slaapverwekkende muziek 125.884 euro uit: 1.222 euro per minuut. De geluidskunstenaar Klas Torstensson werd bedeeld met 1.053 euro per minuut, terwijl zijn collega Cornelis de Bondt met conceptuele werken getiteld 'Gebroken Oor', 'Bloed' en 'Karkas' 786 euro per minuut toucheerde.

De subsidiëring van nieuwe muziek was oorspronkelijk bedoeld om componisten de gelegenheid te bieden om te componeren zonder de druk van een baan elders.

Iedere beginnend componist heeft nog geen uitvoeringen of 'oeuvre', maar heeft veel tijd nodig om zich te ontwikkelen. Als hij kiest voor een academische carrière, heeft hij in principe geen recht op de voorziening die juist bedoeld is voor componisten die kiezen voor fulltime componeren. Toch werd de subsidiepot een prettige bron van extra inkomsten voor conservatoriumdocenten zoals De Bondt of de professor van de muziekfaculteit van de Universiteit van Amsterdam: Rokus de Groot.

Het Nederlandse Fonds voor de Podiumkunsten maakt geen enkel onderscheid tussen genres, kwaliteit of betekenis in bredere culturele context.

In 2012 ontving geluidskunstenares Anne La Berge, die klanken aan de dwarsfluit ontlokt die eerder aan verteringsproblemen dan aan muziek doen denken, van het Fonds Podiumkunsten een stipendium van 36.000 euro; La Berge vervult zelf een adviseursfunctie binnen het fonds. Haar echtgenoot David Dramm (die enthousiast met popmuziek in de weer is en daarom ook nu en dan in adviescommissies voor serieuze muziek plaatsneemt), mocht in dezelfde ronde met eenzelfde bedrag zijn geluiden verder exploreren.

Om het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap gerust te stellen dat het belastinggeld met de grootste deskundigheid werd besteed, kregen óók de amateurs van het Drents Studentenorkest en het Philharmonisch Orkest van Heemstede een forse bijdrage.

Het Mondriaanfonds voor de beeldende kunst deelt geld uit aan kunstenaars om zich te ontwikkelen, zodat de duizenden jonge artiesten die jaarlijks door de gezamenlijke Nederlandse academies op het subsidiecircuit worden voorbereid, met hun conceptuele onkunde een tijdje kunnen teren op de generositeit van de samenleving, totdat ook zij voor een normale baan kiezen en over hun ongefundeerde tienerambities zijn heengegroeid.

De kunstenfondsen zijn er kennelijk niet voor getalenteerde realisten als Henk Helmantel en Kik Zeiler. Gelukkig kunnen zij zonder; ze hebben kopers gevonden voor hun werk. Maar de fondsen blijven gesloten voor topkunstenaars voor wie de markt traag tot erkenning overgaat, zoals Wim Heldens, in 2011 winnaar van de internationale BP Award van de National Portrait Gallery in Londen, wat hem op slag grote bekendheid opleverde.

Waarom volgen de kunstenfondsen de prima instructies van het ministerie niet op? Wie de beleidsnota's leest, ziet dat subsidies voor nieuwe kunst bedoeld zijn voor kwalitatief hoogstaand werk en een pluralistisch, veelvormig veld. Maar daar komt weinig van terecht. Mijn eigen recente conflict laat zien hoe de ministeriële richtlijnen worden uitgevoerd. Ik mag niet klagen over erkenning van mijn muziek - buiten het subsidiecircuit. Het Orkest van het Oosten, het New Queen's Hall Orchestra (Londen), het Orchestre National de Montpellier en de Sinfonia Moldava in Iasi voerden mijn orkestmuziek uit. Sterdirigent Jaap van Zweden bereidt uitvoeringen voor in seizoen 2014-2015. Een cd met kamermuziek, uitgevoerd door topmusici, kwam uit in Engeland. De Kammersymphonie Berlin brengt volgend seizoen een première van mijn derde symfonie. Het kamerorkest Sinfonia Rotterdam bereidt een semiconcertante uitvoering van mijn korte opera 'Flucht nach Kythera' voor.

De bekende Britse filosoof en emeritus hoogleraar esthetiek Roger Scruton, de Duitse filosoof Andreas Dorschel, hoofd van het Muziekesthetisch Instituut in Graz en de Duitse theoreticus Wolfgang-Andreas Schultz hebben zich opgeworpen als pleitbezorgers van mijn werk met aanbevelingen en analyses die mijn aanvragen voor financiering van compositieopdrachten bij het Fonds Podiumkunsten kunnen ondersteunen, opdat ik van mijn werk kan leven en kan reizen om mijn contacten in het Europese muziekleven uit te bouwen. Mijn boek 'The Classical Revolution' verscheen onlangs bij de Scarecrow Press in New York.

Ik vermeld dit alles niet uit borstklopperij, maar om te demonstreren hoe een Nederlands kunstenfonds werkt. Dit alles betekent namelijk niets voor het fonds: integendeel, erkenning in de muziekpraktijk blijkt een grote barrière om van je werk te mogen leven.

Na een zoveelste afwijzing van een aanvrage besloot ik in 2010 de zaak voor de rechter te brengen. In de rechtszaal legden twee fondsvertegenwoordigers uit, dat mijn muziek 'gebrek aan oorspronkelijkheid' verried, en dat de positieve beoordelingen van buitenlandse deskundigen en de tekenen van erkenning in de muziekpraktijk geen enkele betekenis hadden. Vooral probeerden zij de opinie van Roger Scruton - auteur van een standaardwerk over muziekesthetiek - af te doen als politiek gemotiveerd. "Borstlaps werk voldoet aan de beoordelingscriteria zoals vastgesteld door het Fonds Podiumkunsten, en de argumenten zoals in de rechtszaak gepresenteerd laten een grotesk vooroordeel zien tegen degenen die niet een - beperkte - opvatting delen over de betekenis van 'modern' en 'oorspronkelijk", schreef Scruton in zijn aanbeveling. Maar volgens het fonds kan deze conservatieve filosoof met original alleen maar conservative bedoelen.

Om aan te tonen dat het fonds in zijn oordelen behoorlijk kan blunderen, bracht ik het hilarische voorbeeld in van 'Bubbles'. Deze 'avantgardecompositie' werd op een keyboard gerammeld door de kinderen (5 en 8 jaar) van componist Eduard de Boer. In 1994 had De Boer het fonds beticht van belangenverstrengeling: hij werd weggehoond en naar betaling van zijn serieuze werk kon hij fluiten. Maar het 'werk' van zijn kinderen honoreerde het fonds in 2005 met 3.000 euro, plus het compliment dat deze compositie de kwaliteit van zijn overige werk oversteeg. Het verslag dat De Boer van zijn grap maakte, is te bewonderen op YouTube (googel op 'eduard boer bubbles', en vergeet vooral niet het geluid aan te zetten). Het Fonds Podiumkunsten hield in de rechtszaal vol dat 'Bubbles' juist een uitstekend werk was, dat correct was beoordeeld en terecht betaald. Het fonds wist het dus beter dan de maker zélf. Geconfronteerd met zoveel gestuntel, kon de rechtbank uiteindelijk niet anders besluiten dan dat het fonds mijn aanvraag inderdaad onzorgvuldig had behandeld.

Een honoreringsaanvrage door de Kammersymphonie Berlin die tijdens de procedure bij het fonds binnenkwam, heeft het aanvankelijk afgewezen omdat het Drents Studentenorkest en de Philharmonie van Heemstede prioriteit hadden. Toen ik dreigde met een nieuwe rechtszaak, accepteerde het fonds de aanvraag alsnog.

Berust het gedrag van het Fonds Podiumkunsten op kwaadwilligheid, vérgaande domheid, gemakzucht of een diepe afkeer van kunstenaars die het officiële Nederlandse kunstklimaat niet interessant genoeg vinden? Ik denk dat het vooral voortkomt uit de instinctieve reflex om de status quo in stand te houden en de mooie, breed ontwikkelde overheidsbemoeienis met de Nederlandse 'cultuur' te beschermen tegen kritiek van 'dissidenten'.

Wat zegt dit alles over het culturele klimaat? De overheid besteedt nog altijd véél geld aan cultuur, ondanks het geklaag over bezuinigingen. Maar in Nederland leeft geen besef van wat het woord 'cultuur' betekent - alle literatuur over kunst en cultuur ten spijt. Dit verklaart het egalitaire, democratische veld van nieuwe prutkunst dat door de kunstenfondsen wordt bediend: alles mag, alles is goed - behalve serieuze nieuwe kunst want die past niet in het inhoudelijke beleid van de fonds.

Recent onderzoek van de economen Aris Gaaff en Ernst Bos toont dat sinds 1960 het aantal Nederlandse kunstenaars dat 'doorbreekt' onafgebroken is gedaald, terwijl de kunstsubsidies in die periode juist enorm toenamen. Ze keken naar de kunstenaars binnen de officiële, moderne kunstwereld, die zoals bekend urinoirs, ingeblikte uitwerpselen, ziekenhuisafval, doorgezaagde dierenlijken, vloeren van pindakaas en vieze bedden ook best 'kunst' vindt. Dus zelfs dáár is iets van een teruglopend aantal 'grote talenten' opgemerkt.

De Nederlandse overheid heeft na de Tweede Wereldoorlog het modernisme omarmd met een geestdrift die zijn verklaring vindt in een typisch Hollandse karaktertrek: het 'doe maar gewoon'-syndroom, dat behoeftigen optilt en individuele prestaties die boven de middelmaat uitsteken naar beneden haalt omdat dit herinnert aan elitaire, hiërarchische ideeën.

Het naoorlogse modernisme, zowel in de beeldende kunst als in de muziek, werd gekenmerkt door primitiviteit, gebrek aan artistieke vaardigheden en het ontbreken van ieder ideëel of transcenderend element. Kunst werd 'gewoon' en de grove, op enthousiaste kindertekeningen lijkende werken van een Karel Appel en de primitieve draaitollen van Peter Schats 'To You' werden gecelebreerd als een bevrijding van de 'druk der traditie'.

Het modernisme vervulde een symboolfunctie in een egalitaire maatschappijopvatting: kunst voor iedereen en door iedereen, en het overheidssubsidiesysteem ontwikkelde zich tot een fijnmazige delta van door sociale motivatie gedreven ondersteuning van creativiteit die niet werd gehinderd door uitzonderlijk talent, individuele visie of buitengewone prestatie. Maar de kunsten spelen zich af in een veld dat door en door hiërarchisch is. Dat is geen gevolg van machtsmisbruik van een maatschappelijke elite, maar ligt in het fenomeen zelf besloten. Werkelijke kunst is prestatiegericht, en berust op het vermogen te onderscheiden tussen wat wel en wat niet goed of bruikbaar is.

Het primitieve, lege, onbenullige, platvloerse en egalitaire werd aldus het officiële, culturele gezicht van Nederland. Vandaar de lege tent in Zwolle en de subsidiëring van het Drents Studentenorkest. Vandaar de miskenning van de nieuwe figuratieve schilderkunst, waarbij het treurige geknoei van een Marlene Dumas, en niet het meesterschap van een Henk Helmantel of een Wim Heldens de Vermeerprijs krijgt, nota bene genoemd naar een realistische schilder die de kunstvorm tot artistieke perfectie heeft gebracht.

De belangengroepen bepalen via adviescommissies welke kunst 'relevant' is en welke niet, volgens niet-bestaande en dus niet-beargumenteerbare criteria.

Dat subsidiekunst feitelijk plebejisch, populistisch is, lijkt op het eerste gezicht onwaarschijnlijk: de moderne kunst was toch hermetisch, vér boven het plebs verheven, alleen voor ingewijden te begrijpen? Maar als je de art speak van de 'culturele elites' doorziet als onnozele mythologie en je met een nuchter oog naar de producten kijkt, dan zie je dat hun artistiek niveau nog veel primitiever is dan die van het Tros Muziekfeest op het Plein, André Rieu, en het zigeunerinnetje boven de eethoek. Je hebt dus twee soorten door populisme en onkunde gevoede prutkunst: linkse prut, ingepakt met de pretentieuze prietpraat van de 'kunsttheorie' en door de overheid met de kunstenfondsen in stand gehouden, en rechtse prut, die volks en onwetend is en zonder pretentie.

Nieuwe kunst met inhoudelijk artistiek niveau wordt nadrukkelijk niet gesubsidieerd: en natuurlijk is dat inhoudelijk cultuurbeleid, geheel in strijd met Thorbecke's principes ('De Kunst is geen regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst') en met de instructies van het ministerie. Nederlanders hebben geen cultuurbesef, ze zien de stradivarius van de cultuur aan voor een tennisracket: functioneel, democratisch, egalitair, voor iedereen toegankelijk, en overal verkrijgbaar - en wanneer het onderhoud 'te duur' wordt, gooien ze het zonder hartzeer weg.

Voor de problemen rond de Nederlandse subsidies voor de kunst, inclusief de nieuwe, zijn goede oplossingen te bedenken. Die draaien allemaal om 'cultuurbesef': het vermogen om onderscheid te maken tussen het betekenisvolle en het onnozele, het intelligente en het domme, het ontwikkelde en het primitieve, het conventionele en het oorspronkelijke.

Door te vergelijken leer je kwaliteit te onderscheiden, zo worden artistiek kunnen en oorspronkelijkheid zichtbaar. Dit is met een traditionele benadering heel goed mogelijk: "Alleen tegen de achtergrond van een traditie wordt oorspronkelijkheid waarneembaar", schrijft Scruton in 'Modern Culture'.

In 2010 pleitte Jaap van Zweden, Nederlands grootste dirigeertalent sinds Bernard Haitink, in het tv-programma 'Pauw & Witteman' al voor de ontwikkeling van een mecenaat naar Amerikaans model. Terecht. Een particulier mecenaat voor nieuwe kunst - naast een basissubsidie voor de instellingen - lijkt me veel beter dan een onzinnig overheidssysteem, gerund door onkundigen.

Daartoe is een cultuuromslag nodig die al begint bij de basisschool, en die de burger vaccineert tegen de onzinnigheden van de inmiddels oeroude moderne kunst. Zo kan de burger doordrongen raken van de noodzaak van een culturele identiteit waar het land trots op kan zijn. In plaats van een die slechts gêne en verontwaardiging oproept.

Meer informatie op de site johnborstlap.com

Het partijdige Fonds
"Componisten die het meeste geld van het Fonds hebben ontvangen, zaten doorgaans in het fondsbestuur of de adviescommissies." Dat constateerde componist Eduard de Boer in 1994, bij een voorloper van het Fonds Podiumkunsten. Twijfel aan de onpartijdigheid klonk ook elders. In 2007 klaagde Lex ter Braak, nota bene directeur van het Fonds voor Beeldende Kunsten, in het boek 'Second Opinion' over het subsidiesysteem, dat middelmaat bevorderde en bol stond van de 'belangenverstrengeling en vriendjes- of vijandenpolitiek'.

Eduard de Boer schreef dit voorjaar in het Amerikaanse online kunsttijdschrift Aristos dat er in Nederland in twee decennia weinig is veranderd: subsidieverstrekkers zijn (post)modern vooringenomen en remmen het werk van 'collega's die traditionele muziek maken'. "Daardoor liggen er talloze uitstekende composities nog altijd op hoorders - klassiekemuziekliefhebbers - te wachten."

De Boers kritiek werd in 1994 nog afgedaan als een valse beschuldiging. Dat is nu anders. De bestuursrechter sprak in 2009 uit dat het Fonds Podiumkunsten de 'schijn van belangenverstrengeling' had gewekt. Theatermaker Jarrod Francisco was als adviseur betrokken bij het beëindigen van subsidie voor de Theatercompagnie, terwijl hij verbonden was aan een concurrent.

In Vrij Nederland reageerde John Leerdam, theatermaker en toen (2009) nog PvdA-Kamerlid, op de commotie: "De politiek kan niet langer uit onder een discussie over de toekomst van de kunstsubsidiëring."

Maar de politiek greep niet in. Het fonds ging wel in beroep tegen de uitspraak, want als je geen kunstcollega's als adviseurs meer kunt aantrekken, hoe vul je dan al die adviescommissies, wat blijft er over van de peer review zoals die jarenlang gebruikelijk was?

De Raad van State verwierp het beroep van het Fonds in 2010. Datzelfde jaar wees de rechter ook bij een andere subsidieafwijzing (van Theater Nomade) op belangenverstrengeling.

Het Fonds Podiumkunsten hield de derde veroordeling, in 2011, bewust (en tot vandaag met succes) buiten de publiciteit.

Het door de rechter gewraakte patroon was vertrouwd.

Een Fondsadviseur werkte voor een van de subsidieaanvragers, het World Music & Dance Centre (WMDC). Bij de bespreking ervan ging hij, zoals dat heet, 'even op de gang', om terug te keren bij de beoordeling van de aanvraag van concurrent stichting Proma. Die kreeg geen subsidie, wat de kansen voor het WMDC vergrootte. Ook hier tikte de bestuursrechter het Fonds wegens belangenverstrengeling op de vingers.

Theatercompagnie, Nomade en Proma ontvingen alsnog een bijdrage, meldt de jurist van het Fonds Podiumkunsten desgevraagd.

Het fonds (budget in 2012 60 miljoen euro, in 2013 teruggebracht tot 43 miljoen) zegt de werkwijze bij het beoordelen van subsidieaanvragen grondig te hebben aangepast.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden