Kunstminnaar met legendarische maîtresse

Nederland wordt multicultureler; het Rijksmuseum ook. Als voorproefje daarvan gaat donderdag een expositie van start van de 65 'Turkse' schilderijen die een 18de-eeuws ambassadeur in Istanboel, Cornelis Calkoen, daar liet maken door de Vlaamse schilder Jean Baptiste Vanmour. Conservator Eveline Sint Nicolaas volgde in Istanboel hun voetsporen, op audiëntie bij 'de tulpensultan'.

Drie jaar geleden waren de Nederlandse consul-generaal Jan Giesen en zijn echtgenote Corrie nog maar net gearriveerd op hun nieuwe post in Istanbul, waar ze zich installeerden in het 'Palais de Hollande', of er stond al een Turkse journalist op de stoep. Corrie Giesen: ,,Hij wilde weten of we haar al hadden gezien? Of we in het Palais al iets hadden gemerkt van Beyaz Gül.''

Beyaz Gül. Ze is hier een levende legende, vertelt de vrouw van de consul. Beyaz Gül, Turks voor Witte Roos, is volgens de overlevering de beeldschone geliefde van vrijgezel Cornelis Calkoen, die van 1726 tot 1744 de Nederlandse ambassadeur in Istanbul was. Ze stierf aan een gebroken hart toen Calkoen werd overgeplaatst naar Dresden. Het verhaal gaat dat haar geest nog steeds door het Palais de Hollande dwaalt, dat in 1714 werd gebouwd en sindsdien altijd in gebruik is geweest als diplomatieke vertegenwoordiging. Corrie Giesen is nuchter van aard, zegt ze zelf. ,,Maar toch hoor ik 's nachts wel eens geruis of geluiden, alsof er iemand rondzwerft door het gebouw. Ook komt het voor dat er zomaar dingen zijn verplaatst, of dat de pianoklep plotseling openstaat...''

In de muur van de trap naar de tuin is een sneeuwwit beeldje ingemetseld van een vrouw, liggend op een sofa. ,,Dat is ze, Beyaz Gül.'' Over haar achtergronden is weinig bekend. Ze zou een vrijgelaten slavin uit Cirkassië (het noorden van de Kaukasus) of Montenegro zijn. Dat ze echt heeft bestaan en een relatie heeft gehad met Calkoen, die bekendstond als een rokkenjager, is vrij aannemelijk. Zo werd haar relatie met de ambassadeur op allegorische wijze op een snuifdoos afgebeeld. Een vette kalkoen -de ambassadeur was zeer corpulent- wordt vastgehouden door de godin Venus, die op haar beurt door de god Amor aan de ketting wordt gehouden. Een verwijzing naar de onwettigheid van hun verhouding.

Cornelis Calkoen was niet alleen dol op vrouwen, hij hield ook van het goede leven. Evenals zijn voorgangers leidde hij een weelderig bestaan in Istanbul, de hoofdstad van het grote Ottomaanse rijk - dat strekte van Oostenrijk tot de Rode zee, en van Algerije tot Perzië. Sinds 1612 had de Republiek der Nederlanden diplomatieke betrekkingen met het Ottomaanse rijk. Cornelis Haga was er de eerste Nederlandse ambassadeur.

Zoals in diplomatieke kringen gebruikelijk wilde ambassadeur Calkoen, afkomstig uit een Amsterdamse familie van Levant-handelaren en lakenwevers, kort na aankomst in Istanbul zijn geloofsbrieven overhandigen aan de 'tulpensultan'. Door zijn liefde voor bijzondere tulpen en de uitbundige feesten die hij rond deze bloem organiseerde, wordt de regeringsperiode van Ahmed III (1703-1730) Lale Devri genoemd, de tulpentijd. De audiëntie werd bepaald op zondag 14 september. Eveline Sint Nicolaas, conservator Nederlandse geschiedenis van het Rijksmuseum, vond er een gedetailleerd verslag van. Het staat in het Relaes, dat zich in het familiearchief van Calkoen bevindt. Samen met de schilderijen die Calkoen door de Vlaamse schilder Vanmour liet maken geeft het een compleet beeld van de ceremonie.

Vanmour (1671, Valenciennes) was rond 1700 in Istanbul terechtgekomen, in het kielzog de ambassadeur van Frankrijk. Hij zou daar tot zijn dood blijven. Zoals regeringsvertegenwoordigers nu een fotograaf inhuren, namen ambassadeurs destijds vaak een schilder mee op reis. Vanmour schilderde niet alleen de officiële audiëntie van de Franse ambassadeur aan het Ottomaanse hof, maar maakte ook een reeks van meer dan honderd kleine schilderijen van hofdignitarissen en gewone burgers. Ook legde hij Turkse gebruiken en ceremoniën vast, van de eerste schooldag tot een bezoek aan een kraamkamer.

Vanmour had succes. Al gauw maakten ook andere ambassadeurs gebruik van zijn atelier. Ook Calkoen nodigde hem uit mee te gaan tijdens zijn audiëntie en gaf de schilder daarna nog vele opdrachten. De schilderijencollectie van Calkoen was tijdens zijn leven al vrij bekend. Na zijn dood kwam de verzameling na veel omzwervingen in 1902 in het Rijksmuseum terecht. Jarenlang leidden ze daar in het depot een verborgen bestaan. Er bestond geen interesse voor ze, en bovendien waren ze in slechte staat. Met sponsorgeld uit Turkije zijn nu alle 65 doeken gerestaureerd.

De doeken zijn niet allemaal artistieke hoogtepunten. Maar ze geven wel een boeiend beeldverslag van de belangrijkste gebeurtenissen uit die tijd. ,,Daarom zijn ze ook zo interessant'', zegt Eveline Sint Nicolaas, ,,om ze toe te voegen aan de vaste presentatie van onze nationale geschiedenis.'' Niet alleen uit oogpunt van de Nederlandse (handels)betrekkingen met Turkije, maar ook als onderdeel van de geschiedenis van de Turken in Nederland.

Ze heeft geprobeerd aan de hand van het beeldverslag van Vanmour en archiefstukken, de tocht van Calkoen naar de sultan te reconstrueren. Niet overal was dat mogelijk, omdat veel gebouwen in de loop der tijd zijn afgebroken, afgebrand of in een andere stijl herbouwd. Maar in grote lijnen kon ze de sporen terugvinden.

Die tocht begint bij het Palais de Hollande in het stadsdeel Beyoglu (voorheen Pera) op de noordelijke oever van de Gouden Hoorn. De meeste ambassades bevonden zich hier al toen Istanbul nog de Turkse hoofdstad was. Zoals zoveel gebouwen in Istanbul bestaat het Palais de Hollande uit een stenen onderbouw en een bovendeel van hout. Dat brandde twee keer af, in 1767 en in 1831. In de tijd van Calkoen zag het gebouw er waarschijnlijk anders uit, maar de voetsporen van Calkoen liggen wel op deze plaats. Consul Jan Giesen is ziek, daarom leidt zijn echtgenote ons rond door het Palais, de thuisbasis van Calkoen en zijn veertig bedienden. Diens voorganger Haga, de eerste Nederlandse ambassaseur, had al een royale staf van twintig mensen, maar Calkoen, afkomstig uit een rijke familie, pakte de zaken graag groots aan.

Voor de gebruikelijke audiëntie bij de sultan, waaraan alle nieuwe ambassadeurs zich moesten onderwerpen, kwam heel wat kijken, wist Calkoen. Het overhandigen van geschenken was een belangrijk onderdeel van de ceremonie. Calkoen had ze deels uit Nederland meegenomen of onderweg in Parijs of ter plekke in Istanbul gekocht: Hollands laken, satijn en fluweel, een kabinet van kristal, bloempotten van draadwerk, een verrekijker van tien voet lang en een fraai bewerkte koker met vier brillen plus potten met gekonfijte specerijen. Ook brandspuiten had Calkoen meegenomen, die zeer welkom waren in een stad met zoveel houten huizen.

Op de dag van de audiëntie vertrok Calkoen al om drie uur 's morgens naar de oever van de Gouden Hoorn, waar een boot klaarlag om de stoet naar de overkant te brengen. Op de andere oever ging het gezelschap verder op paarden, die door het hof geleverd waren. Het paleis van de sultan, het Topkapi Saray, bestond uit drie hoven, verbonden door poorten. Het eerste hof was toegankelijk voor iedereen. Daar kon de stoet vrij vlot passeren. Bij de tweede hof moest Calkoen afstijgen en zijn wapens afleggen, uit eerbied voor de sultan. In de nissen van de poort stonden in die tijd meestal de hoofden van terechtgestelden, ten teken dat er niet met de macht van de sultan viel te spotten. Calkoen schrijft daar niet over in zijn verslag, zodat onduidelijk is of hij werkelijke gespietste hoofden heeft gezien.

Na lang wachten woonde Calkoen vervolgens eerst een vergadering bij van de keizerlijke raad, zonder de sultan. Die kon van achter een tralievenster ongezien het verloop volgen. Na de vergadering werd er gegeten, waarbij de hoge heren in het gezelschap een sorbet te drinken kregen. Na de maaltijd werden kaftans uitgereikt om de westerse kleding te bedekken. Calkoen kreeg er een met sabelbont. Vervolgens werd de ambassadeur begeleid naar de audiëntiezaal in de derde hof, waar Ahmed III al op een gouden troon zat te wachten met naast zich vier jonge prinsen. Na een toespraak in het Nederlands waarin hij de wens uitsprak dat de goede verstandhouding tussen de twee naties zou voortduren, overhandigde Calkoen de geloofsbrieven, waarna de grootvizier namens de sultan reageerde. Daarna was de ceremonie afgelopen en ging Calkoen terug naar het Palais, waar een maaltijd klaarstond en later op de dag worstelaars van de sultan en een muziekgezelschap de ambassadeur en zijn gevolg kwamen vermaken.

Ten tijde van Calkoen bevonden zich zo'n 2000 vrouwen en 1000 eunuchen in de privé-vertrekken van de sultan. De sultan had vier officiële vrouwen, de andere waren er alleen voor zijn pleziertjes. De vrouw met de hoogste positie aan het hof was de moeder van de sultan. Hoewel Vanmour ze onmogelijk kan hebben gezien, heeft hij de verschillende vrouwenkostuums zeer gedetailleerd geschilderd. Hij maakte zelfs een tekening van een vrouw in een badhuis, gedeeltelijk bedekt met een handdoek. Vanmour wist hoe de badhuizen eruitzagen en voor de vrouwenkostuums ging hij waarschijnlijk af op zijn contact met Levantijnse, Griekse, Armeense en Joodse vrouwen in de stad, vermoedt Sint Nicolaas.

Nog steeds zijn sommige privé-vertrekken in het Topkapi paleis niet toegankelijk voor het publiek. Maar voor de conservator het Rijksmuseum wordt een uitzondering gemaakt. In haar kielzog mogen we ook de 'fruitkamer' van sultan Ahmed III bekijken, waar hij zijn liefde voor vruchten en bloemen, in het bijzonder de tulp op wel heel extreme wijze heeft geëtaleerd. Alle muren en ook het plafond liet hij door een Turkse kunstenaar beschilderen met tulpen en fruit, afgewisseld met dichtregels. In dit speciale kamertje ontving Ahmed III vrouwen. Een gang verder kijken we uit op het zwembad van de sultan en zijn familieleden. Een deel is overdekt, waarschijnlijk ook uit veiligheidsoverwegingen. De sultans waren permanent bang voor aanslagen door met name jaloerse broers, die gepasseerd waren bij de benoeming. Vroeger werden die gedood na het aantreden van de nieuwe sultan. Toen dat werd verboden, werden ze vaak levenslang opgesloten.

De conservator mocht voor de tentoonstelling in het Rijksmuseum verschillende voorwerpen die afgebeeld zijn op de schilderijen van Vanmour, waaronder een schrijfkistje en een gesp, lenen uit het Topkapi paleis. Op de expositie zullen naast zijn wandelstok en andere persoonlijke bezittingen ook voor het eerst de verslagen te zien zijn die ambassadeur Calkoen bijhield in Istanbul. De dichtbeschreven vellen papier zijn volgens de conservator 'een historische sensatie'. Uit de verhalen rijst het beeld op van een man met uitstekende connecties aan het hof van de sultan. Een kunstminnaar ook en een levensgenieter met vele maîtresses, onder wie de legendarische Beyaz Gül. 'Le grand seigneur' noemde een familielid hem ooit. Dat was ook de titel van de roman die Marie van Zeggelen in 1941 over hem schreef.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden