Kunsthal toont alles van het 'perverse' surrealisme

Surrealisme in de collectie-Nederland. Kunsthal, Rotterdam, Westzeedijk 341. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u t/m 15 sept.

De expositie is vrij groot en - met belangrijke werken van Dali, Max Ernst, Magritte en acht andere internationaal bekende kunstenaars - zeer bezienswaardig. Op twintig nummers na, zijn ze afkomstig uit het Museum Boijmans Van Beuningen.

Maar met dat al is van de meeste surrealisten - zoals Tanguy, Miró (als schilder), Meret Oppenheim, Hans Bellmer en een fase in het oeuvre van Giacometti - blijkens deze expositie in Nederlandse musea geen werk aanwezig. Dat van Nederlanders, onder wie Ouborg, Moesman en Wichmannn, is niet in deze tentoonstelling opgenomen.

Vóór 1940, maar ook nog tot in de jaren vijftig werden literaire en beeldende uitingen van het surrealisme hier in het algemeen verworpen. Surrealistische schrijvers betoogden namelijk dat het maatschappelijk stelsel drastisch veranderd moest worden. Schilders en schrijvers haalden uit psychologische diepten gesteldheden naar boven die bedreigend leken voor de gevestigde orde.

In 1926 schreef Gerard Bruning in het blad De Gemeenschap dan ook, dat het surrealisme een aantasting is van de orde der natuur - de keurige natuur zoals hij zich die graag voorstelde. Albert Kuyle, die zich als nazi-sympathisant zou ontpoppen, zag de beweging als de voorpost van een 'anti-christelijk ras'.

Pervers

Nog in 1952 noemde dr. G. Knuttel Wzn de beweging “principieel pervers”. Meer van dien aard is te vinden in de bundel 'Surrealistische ontmoetingen' van Her de Vries en Laurens Vancrevel (Meulenhoff 1988).

Bij bezwaren van ideologische aard kwamen in de abstracte jaren vijftig ook kunstzinnige. Het surrealisme was van oorsprong een zaak van schrijvers en bij surrealistische schilderkunst gaat het niet om picturale kwaliteiten maar om de voorstelling. De Belg Magritte bijvoorbeeld is een belangrijke surrealist, maar zijn schildertrant is dor en droog.

België had kennelijk een 'klimaat' waarin het surrealisme wel kon gedijen. Hier ontplooiden zich onder anderen ook Paul Delvaux, E. L. T. Mesens en Marcel Mariën. Zelfs de Belgische vleugel van de 'Cobra'-groep had nog een surrealistische inslag.

Kunst die verbeeldt wat in werkelijkheid niet aanwezig is werd en wordt niet alleen door surrealisten voortgebracht. In beginsel moet een surrealistisch schilderij een schok van verwondering geven door de verbeelding van in het dagelijks leven ongebruikelijke situaties of combinaties van voorwerpen zoals 'De toevallige ontmoeting op een snijtafel van een paraplu en een naaimachine'. Dit is een beroemd geworden zin uit 1869 van de dichter Isidore Ducasse. Men kan dus ook spreken van absurdisme.

In de Kunsthal voldoen vooral schilderijen van Dali en Magritte aan dit criterium. Bij Magritte ziet een man die in een spiegel kijkt niet zijn gelaat maar zijn rug. Van Man Ray kocht Boijmans Van Beuningen onlangs een replica van een object uit 1921: een strijkbout met een rij puntige spijkers op het strijkvlak. Maar sommige surrealisten brachten ook meer poëtische droombeelden voort, zoals Picabia die een schimmel onverklaarbaar met vlinders omgaf. En de draaiende cirkelschijven die Duchamps in 1935 maakte zou men vandaag tot de 'op-art' rekenen.

Ledenpop

Van een ledenpop die De Chirico naast een hoog gebouw schilderde gaat ook nu nog een sfeer van vervreemding uit. De fantasievoorstellingen van Max Ernst geven vooral in schilderkunstig opzicht wat te genieten en bij Dali verbluft nog steeds de virtuositeit.

Het is voornamelijk aan het beleid van de Belgische kunsthistorica Renilde Hammacher te danken, dat het internationale surrealisme rond de jaren zeventig alsnog naar Nederland kwam. Als hoofdconservatrice van het museum Boijmans Van Beuningen organiseerde zij onder meer een geruchtmakende expositie van Salvador Dali en een minder gewaardeerde van Félix Labisse.

Ook wist zij belangrijke schilderijen van surrealisten voor het Rotterdamse museum te verwerven. De directeur, J. C. Ebbinge Wubben, gaf haar de ruimte en zorgde door een abonnement op grafiek van Picasso dat van diens surrealistische werk althans iets in het prentenkabinet kwam.

Ook Picabia

In de Kunsthal krijgt men ook iets te zien van het veelzijdige werk van Francis Picabia - net als Picasso een individualist die niet aan het lijntje liep van de surrealistenpaus André Breton. Typerend voor de situatie in museumland was, dat dr. Hannema in 1930 het Rotterdamse museum tevergeefs de aankoop voorstelde van Picabia's doek 'Vlinders' uit 1929. Hij heeft het toen voor zichzelf gekocht en het is nu even uitgeleend door het door hem gestichte museum te Heino; het is in de Kunsthal een van de aantrekkelijkste stukken.

Andere Picabia's zijn door de verzamelaar Geert Jan Visser langdurig in bruikleen gegeven aan het Rotterdamse museum. Dat museum kan nu en dan nog wat voorwerpen en documenten uit de historische jaren van het surrealisme kopen, maar voor de verwerving van belangrijke doeken is het te laat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden