Review

KUNSTBOEK

Granta 43: 'Best of young British Novelists 2.' uitg. Penguin, 320 blz. f 25,45.

Aan de lijst van 1993 valt op dat Mars-Jones en Ishiguro er tien jaar geleden ook bij waren en dat er twee Booker-Prize winnaars op voorkomen: wederom Ishiguro (1989), en Okri (1991).Vrouwelijke auteurs zijn met zeven uit twintig redelijk vertegenwoordigd; de homo(Mars-Jones, Hollinghurst) en lesbische literatuur (Winterson) komt aan bod; minstens vijf auteurs hebben een niet-Britse achtergrond (Fischer, Ishiguro, Kureishi, Okri, Phillips). Niet dat dit soort overwegingen er werkelijk toe zouden moeten doen bij de vraag naar literaire kwaliteit, maar het is voor een jury ongetwijfeld een prettig idee dat ze daar in elk geval geen gedonder over kunnen krijgen.

De in Granta geselecteerde stukken zijn niet speciaal voor de gelegenheid geschreven. Ishiguro's (zes jaar oude) filmscenario herinnert met zijn sinistere sfeer aan zijn debuutroman en is voor de liefhebbers niet te versmaden. Okri voert de lezer in het stuk uit zijn nieuwste roman mee in een Afrikaanse wereld waarin geesten even gewone wezens zijn als mensen, hetgeen wel even wennen is. Kureishi, bekend van 'The Buddah of Suburbia' en scripts voor de films 'My beautiful launderette' en 'Sammie and Rosie get laid', schreef een essay over de invloed van de Beatles op de jaren-zestig generatie, maar hij meldt daarin weinig opzienbarends. Ook de bijdragen van Mars-Jones en Hollinghurst stellen teleur. Het is mooi dat homoseksualiteit, in Engeland van oudsher een taboe, in de Britse literatuur tegenwoordig expliciet aan de orde kan komen, maar iets bijzonders heeft dat ditmaal niet opgeleverd. Jeanette Wintersons provocerende en lyrische ode aan de lesbische liefde zal niet ieders smaak zijn, maar de vonken spatten er in ieder geval van af.

Beginnende auteurs krijgen dikwijls het advies: schrijf voorlopig alleen over datgene waar je veel van weet. Of ze deze raad meegekregen hebben of niet, de meeste jongere schrijvers in dit Granta nummer blijven in de keuze van hun onderwerp dichtbij huis, zoals valt af te leiden uit de korte biografische schets die van ieder van hen is opgenomen. Het probleem blijft dat (al of niet autobiografische) elementen uit de werkelijkheid natuurlijk wel 'getransformeerd' moeten worden tot boeiende literatuur. Dat is lang niet altijd gelukt. Zo bevatten de stukken van Adam Lively, Will Self en Helen Simpson af en toe aardige passages, maar ze blijven te anekdotisch.

Naar mijn idee laten Esther Freud, Philip Kerren Candia McWilliam een rijper proza zien: er lijkt iets meer afstand te zijn. Van de door de jury hogelijk geprezen Lawrence Norfolk is een stuk met impressies van een verblijf in Bosnie geplaatst. De journalistieke invalshoek van dit 'Bosnian Alphabet' maakt het echter moeilijk Norfolks literaire kwaliteiten te beoordelen. Shakespeare's hoofdstuk (?) is competent geschreven, maar doet geen zeer originele roman vermoeden.

Het meest getroffen werd ik door Ian Banks, Ann Billson, A.L. Kennedy en Caryl Phillips. Banks is met tien romans al een ervaren schrijver, in tegenstelling tot de andere drie. Billson balanceert zelfverzekerd op de grens van realisme en horror. Kennedy (28 jaar) verrast met een glasheldere verbeelding van het verlangen de alledaagse sleur te doorbreken met de spanning van het onbekende. Phillips ontroert met een sobere vertelling over een zwarte ex-slavin op zoek naar haar dochter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden