Kunst / Wel of niet shockeren?

De omstreden sekskabouter, alias Santaclaus of Kabouter Buttplug, wordt vandaag onthuld bij museum Booijmans van Beuningen in Rotterdam. „Het past zo fantastisch in deze tijd en samenleving", vindt kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh. ’Smaakterreur’ noemt kunstfilosoof Antoon van den Braembussche het beeld. „Er is een kleine elite die uitmaakt wat mensen mooi mogen vinden." Een discussie over hoe ver kunstenaars mogen gaan in de openbare ruimte.

Edo Sturm

Tot 30 oktober zitten de inwoners van Sint-Truiden in België nog opgescheept met de ’puinhoop’ die de Spaanse kunstenares Lara Almàrcequi (1972) heeft aangericht in hun stad als onderdeel van de nazomerse tentoonstelling ’Delicious’. Almàrcequi koos een terrein waar eerder een huis was gesloopt, als locatie voor haar kunstproject ’De puinhoop’. Tot verbijstering van de omwonenden liet de kunstenares al het puin dat eerder was afgevoerd, terugstorten op het braakliggende terrein. Met dit werk wil de kunstenares, wier oeuvre in het teken staat van plekken die hun functie verloren hebben, de waarde van slooppanden, verlaten bouwsels en braakliggende terreinen blootleggen. En zo duidelijk maken wat het effect is van de ingrepen van projectontwikkelaars en stadsplanners, die in haar visie vaak onvoldoende rekening houden met hoe bewoners hun omgeving beleven en gebruiken.

De kunstfilosoof Antoon van den Braembussche, docent aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de universiteit van Brussel, woont in het Belgische Essen en kan de discussies die dit bijzondere kunstproject losmaakt, van nabij volgen. ,,Heel België staat op z’n kop vanwege die berg puin. De curator van de tentoonstelling wordt overspoeld met woedende reacties. Er was zelfs een man die dreigde te gaan kakken op die kunstpuinhoop, zodat die nog wat hoger zou worden.” De curator vatte de reacties aanvankelijk negatief op. Hij constateerde dat er geen ruimte meer was voor moderne kunst en de mensen alleen nog maar openstonden voor populistische cultuur. Maar naarmate de kritiek aanzwol en het aantal publicaties toenam, veranderde zijn toon, vertelt Van den Braembussche. ,,Toen concludeerde hij tevreden dat dit wel een goed kunstwerk moest zijn. Immers, kunst moet discussies losmaken.”

Meteen aan het begin van het gesprek, in zijn kamer op de Erasmus Universiteit, móet Van den Braembussche dit verhaal kwijt. Niet alleen omdat er parallellen zijn met de deining rond de komst van het beeld Santaclaus alias Kabouter Buttplug naar Rotterdam. Maar ook omdat het illustreert dat overal mensen in woede ontsteken als ze zien dat hun belastingcenten worden besteed aan ’onzinkunst’. En omdat het een illustratie is van de kloof tussen ’de massa en de kunstwereld’. Vroeger zou hij zich ook gestoord hebben aan zo’n sekskabouter of kunstpuinhoop, zegt Van den Braembussche. Het kost hem dan ook geen moeite om zich te verplaatsen in de gevoelens van burgers die zich ’geschandaliseerd’ voelen omdat een berg puin en een kerstman met dildo als kunst worden aangemerkt. ,,Ik hou nog steeds niet van deze kunst, maar als kunstfilosoof kan ik het natuurlijk wel plaatsen en zal ik nooit zeggen dat het geen kunst is. Sinds de kunstenaar Marcel Duchamp in 1917 een pisbak tot kunst bestempelde, kan immers alles kunst zijn waarop de kunstenaar dat etiket heeft geplakt.” Kunstenaars hebben een grote vrijheid en de instituties volgen hen slaafs, constateert Van den Braembussche. Ook de politici wagen zich nooit aan een inhoudelijk oordeel over kunst met een beroep op het Thorbecke-principe, dat de overheid geen beoordelaar mag zijn van kunst. Daardoor wordt er naast het kunstzinnige debat nooit een inhoudelijk publiek debat gevoerd over kunst, hooguit gaat het over de subsidies.

De kunstfilosoof, auteur van het boek ’Denken over Kunst’ – verplichte kost voor studenten kunstfilosofie –, vindt het hoog tijd voor een stevig debat over de erfenis van Duchamp en het Thorbecke-principe, dat volgens hem volstrekt achterhaald is. ,,In de discussie over Santaclaus wordt dat er ook weer bijgesleept, terwijl dat hier helemaal niet opgaat. Het gaat immers over kunst in de openbare ruimte. Als Santaclaus in een museum zou staan, vind ik het een andere zaak, dat moeten de museumdirecteuren maar uitmaken. Maar als burgers zich storen aan een aanstootgevend beeld op straat, mag de overheid zich niet neutraal opstellen, al was het alleen al omdat het wellicht vandalisme, vernielingen en schade uitlokt.” Santaclaus is naar zijn mening als kunstwerk niet geschikt voor de openbare ruimte. Maar het moet natuurlijk ook niet zo zijn, benadrukt de professor, dat de smaak van de massa bepalend is. ,,Dan krijg je alleen maar populistische kunst. Dan was het beeld de ’Verwoeste Stad’ van Ossip Zadkine er in Rotterdam nooit gekomen, want daar was aanvankelijk ook verzet tegen, omdat het een extreem beeld was voor die tijd. Nu is het onverbrekelijk met de stad verbonden.”

Wim Pijbes, directeur van de Rotterdamse Kunsthal, sluit niet uit dat de Rotterdammers Santaclaus straks toch in hun hart sluiten. De eerste reacties van het publiek toen het beeld op de binnenplaats van Boijmans werd getakeld, waren overwegend positief. ,,Het beeld is niet afstotelijk, zoals in de beeldvorming is gesuggereerd.” Pijbes kan Santaclaus vooral waarderen omdat het perfect past bij het hedendaagse Rotterdam. ,,Als ik langs concertgebouw De Doelen fiets zie ik een enorm billboard met daarop een reclame voor borstvergroting met een foto van de resultaten voor en na de operatie. Dat vind ik nou aanstootgevend, maar daar hoor je niemand over. De contrasten die je ziet in deze stad, het concertgebouw met daarnaast die grote borsten, de botsing tussen elite- en massacultuur, heeft McCarthy prachtig verwerkt in dit beeld van een lieve kerstman met in zijn ene hand een kerstklok en in de andere een seksattribuut.”

Van den Braembussche heeft het beeld nog niet gezien, maar gaat zeker kijken naar de zes meter hoge bronzen kerstman, die vanmiddag wordt onthuld door burgemeester Ivo Opstelten. Kunstenaar Paul McCarthy kreeg in 2002 opdracht voor dit beeld, dat oorspronkelijk naast De Doelen zou worden geplaatst, op de kop van een van de drukste winkelstraten van Rotterdam. Die plek had de voorkeur van de kunstenaar, omdat het daar als symbool voor de consumptieve westerse samenleving het best tot zijn recht zou komen. Maar de meerderheid van de gemeenteraad vond het te aanstootgevend voor zo’n prominente plek. Als een hete aardappel werd Santaclaus, Kabouter Buttplug in de volksmond, vervolgens door de stad geschoven om uiteindelijk te belanden in de luwte van de binnenplaats van museum Boijmans Van Beuningen. Directeur Sjarel Ex van Boijmans verstrekt het beeld voor een jaar logies en ontbijt. En daarna? ,,Dan zit er misschien wel een ander college en andere gemeenteraad”, zegt Joop van Caldenborgh van de Internationale Beelden Collectie (IBC) die het Rotterdamse b. en w. verleidde tot de aankoop van Santaclaus. Hij betreurt het en noemt het ’hypocriet’ dat Santaclaus zo uit het zicht is weggezet. ,,In deze omgeving komt hij absoluut niet tot zijn recht. Maar ik ben wel blij dat de binnenplaats gratis toegankelijk is.”

Van Caldenborgh wil eerst een misverstand uit de wereld helpen over de aankoopsom. ,,Kapitalen zouden eraan zijn gespendeerd, onzin, er is 180.000 dollar voor betaald. Een koopje voor zo’n beeld.” Van Caldenborgh wist die relatief lage prijs eruit te slepen, doordat hij tegelijkertijd – voor zijn privécollectie – het beeld Pinokkio van de kunstenaar kocht. Hans Abelman van de IBC was bij de onderhandelingen: ,,Hij kocht Pinokkio maar dan wilde hij Santaclaus er wel voor een zacht prijsje bij. Bikkelharde onderhandelaar is die man.”

(Onder)handelen zit de zakenman Van Caldenborgh in het bloed. Hij is directeur-eigenaar van het chemische bedrijf Caldic en daarnaast één van de grootste particuliere kunstverzamelaars van Nederland. Over de omvang van zijn collectie hedendaagse kunst, al heeft hij ook werk van Haagse Schoolschilders als Breitner en Sluijters, laat hij zich niet uit. Maar die moet duizenden werken omvatten. Drie jaar geleden waren 700 stukken uit de Caldic-collectie te zien in museum Boijmans. Van Caldenborgh wil zoveel mogelijk mensen laten genieten van zijn collectie. Daarom loop je in zijn kantoor op de Blaak in Rotterdam in de hal meteen al tegen een vitrine op met daarin een model van een luchtschip van de Belgische kunstenaar Panamarenko. Iets verderop hangt een Schoonhoven aan de muur. Niet alleen in zijn eigen kantoor, ook in de kamers van zijn medewerkers hangt kunst. En dat geldt ook voor zijn huis in Wassenaar, waar hij zijn beeldentuin regelmatig openstelt voor bezoekers. Daar staat ook Pinokkio van Paul McCarthy, die net als Santaclaus refereert aan de consumptieve en seksgerichte Walt Disney-samenleving.

Van Caldenborgh hoopt dat mensen zo onbevangen mogelijk komen kijken naar Santaclaus. ,,Ik denk dat ze een ander beeld zullen zien dan wat ze nu voor ogen hebben. Door alle verhalen heeft het beeld zijn waardigheid verloren. Santaclaus is niet aanstootgevend, het is een hele lieve kerstman, een beetje ondeugend ook, waar je even om moet glimlachen als je ziet dat het kerstboompje in zijn hand gestileerd is tot een seksattribuut. Het zou wat anders zijn als hij was afgebeeld met een erecte penis. Maar dan nog....We worden bedolven onder seksprogramma’s op tv, in de media, op internet. Daar hoor je niemand over, ik vind dat hypocriet. Mijn kinderen leren op de middelbare school hoe ze een condoom om een plastic penis moeten doen. Vinden we normaal. Net als al die vunzige rotzooi die via de tv over ons wordt uitgestort.”

Van Caldenborgh vindt het jammer dat ’de vooruitstrevende stad Rotterdam’ het niet heeft aangedurfd om Santaclaus de plek te geven waar hij hoort. „Dat is een democratische beslissing geweest en daar leg ik me bij neer. Hij staat nu in wat men noemt een beschermde omgeving, zodat tere kinderzieltjes er niet onverhoeds mee worden geconfronteerd. Ik vind dat redelijke flauwekul. Ik zie niet veel verschil tussen de straat en een museum, waar je ook zo kunt binnenlopen met je kinderen.”

In de vijf jaar dat hij voorzitter is van de beeldenadviescommissie, is het de eerste keer dat de aankoop van een beeld tot commotie leidt. ,,Ik heb me zelfs al afgevraagd of we ons werk wel goed hebben gedaan dat we zo weinig deining hebben veroorzaakt”, constateert hij droogjes. ,,In het verleden is er wel eens gedemonstreerd voor het stadhuis tegen de komst van een beeld. Dat ging nota bene om de ’Verwoeste Stad’ van Ossip Zadkine. Voor die tijd had Zadkine een zeer vooruitstrevend beeld gemaakt. De burgers vonden het een krankjorum ding waarin ze niets herkenden van het leed dat hen was overkomen in de oorlog. Maar naderhand hebben ze het beeld in hun hart gesloten. Hedendaagse kunst wordt niet altijd meteen begrepen en gewaardeerd. Denk eens aan wat Vincent van Gogh is overkomen. Een kliederaar werd hij genoemd.” Misschien moet er bij Santaclaus ook wel tijd overheen gaan om het beeld op waarde te kunnen schatten. Het kan ook zijn dat het na dertig jaar niet meer functioneert omdat de samenleving drastisch veranderd is. Maar volgens Van Caldenborgh laat dat onverlet dat het een mooi beeld is. ,,Dat vind ik, anderen hoeven dat niet te vinden. Niets zo veranderlijk als smaak en mode. Maar de kwaliteit van het beeld staat niet ter discussie.”

Wat maakt dit beeld tot kunst, afgezien van het feit dat de kunstenaar en het netwerk om hem heen dat hebben bepaald? Van Caldenborgh: ,,Het past zo fantastisch in deze tijd en samenleving, waaraan het refereert op een bijzondere manier die je aan het denken zet. Kunstenaars kijken anders dan wij, gewone mensen, en laten ons daardoor ook wat minder conventioneel kijken. Persoonlijk helpt mij dat wel eens om in mijn bedrijf een originele oplossing te vinden voor een probleem, al blijven het twee totaal verschillende werelden: die van de kunst en van het bedrijfsleven.”

Kunstfilosoof Van den Braembussche heeft zo zijn twijfels over de ’houdbaarheid’ van Santaclaus. Hij vindt de vergelijking met Zadkine mank gaan, omdat in dat beeld de hele tragiek van de stad is uitgebeeld. ,,Zadkine is indertijd ook als extreem ervaren, maar was veel minder een aanslag op de publieke smaak dan Santaclaus, die bewust is gemaakt om te shockeren. Dat mag natuurlijk, maar dat heeft ook met smaak te maken en niets is zo veranderlijk als smaak in de kunst.” De discussie rond Santaclaus illustreert volgens Van den Braembussche ook weer eens dat er in zekere mate sprake is van een ’smaakterreur’. ,,Er is een kleine elite die uitmaakt wat mensen mooi of niet mooi mogen vinden. Dat verklaart ook de kloof tussen de massa en de kunstwereld. Ik vind dat de kunstwereld zich dat zou moeten aantrekken, willen ze op den duur nog mensen naar de musea krijgen. Nee, ik pleit niet voor populistische kunst die bij een zeer breed publiek in de smaak valt. De geschiedenis van het beeld van Zadkine heeft geleerd dat we ook niet te kortzichtig moeten reageren als mensen te hoop lopen tegen moderne kunst die ze niet meteen begrijpen..”

Van Caldenborgh: ,,Natuurlijk wordt er ook veel matige kunst en zelfs klinkklare rotzooi gemaakt, maar mij zul je nooit horen zeggen dat het geen kunst is. Ach, het selecteert zich vanzelf wel uit, de goeden komen altijd bovendrijven.” Wat maakt iemand tot een goede kunstenaar? In de visie van Van Caldenborgh moet hij in ieder geval kunnen leven van zijn werk. ,,Ik ben tegen subsidie van de wieg tot het graf. Beginnende kunstenaars mag je best op gang helpen, maar daarna moeten ze het zelf doen. Er is nog nooit ergens bewezen dat het niveau van de kunst omhoog is gegaan door subsidies.”

Het Thorbecke-principe is uit zijn verband gerukt

Vrijwel bij elk debat over cultuurbeleid valt de naam van Thorbecke. Diens uitspraak ’Kunst is geen zaak van de regering’ wordt steeds aangehaald door politici zodat ze geen oordeel hoeven te hebben over kunst, waardoor een inhoudelijk cultuurbeleid geen vorm krijgt. Iedereen is het erover eens dat het Thorbecke-principe allang achterhaald is, omdat de overheid als financier een belangrijke rol speelt in de kunstwereld. Ook tijdens het raadsdebat over Santaclaus zweefde de geest van de liberale staatsman door het Rotterdamse stadhuis. Maar wat heeft Thorbecke nu werkelijk gezegd en in welk verband? Al in 1851 verkondigde Thorbecke naar aanleiding van de opheffing van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, dat de overheid zich niet moet mengen in de kunsten. Maar zijn beroemde uitspraak deed hij op 15 september 1862, toen de conservatieven in de Kamer kritiek uitten op Willem III, die in de troonrede naar aanleiding van een tentoonstelling over nijverheid en kunst in Londen had gesproken over vooruitgang in de industrie en niet over de wetenschap en letteren. Thorbecke antwoordde toen dat er maar weinig schilderijen waren te zien en dat de regering daarover geen ’openbaar vonnis’ te vellen had. ,,Ik zal niet zeggen dat ik er geen belang in stel (...)., een groot deel van mijn leven was daaraan gewijd. Maar het is geen zaak van de regering. De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst.” Prompt werd Thorbecke aan zijn jasje getrokken, omdat de overheid net een doek van een Belgische schilder had aangekocht. Volgens Thorbecke was die aankoop gedaan omdat de Belgische koning het had geschonken aan een loterij waarvan de opbrengst was bestemd voor de slachtoffers van de watersnoodramp. Thorbecke wilde voorkomen dat de winnaar van het schilderij, een bakker uit Utrecht, het zou verkopen. Het schilderij beschouwde hij als een ¿historisch gedenkteken¿.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden