Kunst tot bloedens toe

Marina Abramovic (70) blikt terug op haar leven voor en in de kunst. In een boek, want dat blijft. En een performance niet.

Begin deze maand vierde kunstenaar Marina Abramovic haar zeventigste verjaardag in het Guggenheimmuseum in New York. Een feest in Abramovic-stijl: genodigden, onder wie Naomi Campbell, Monica Lewinsky en David Copperfield, kregen bij binnenkomst oordopjes uitgereikt, het verzoek zeventig minuten lang een glas water te drinken en zich in stilte te concentreren op hun eigen hartslag. Ook kregen ze van assistenten in labjassen een lik gouden verf over hun mond.

Bij het tweede deel van het feest, 'Entertainment', hield Abramovic een toespraak en zong een in een zwarte cape gehulde zanger Sinatra's 'My Way'. Het was niet alleen haar verjaardag maar ook de presentatie van Abramovic' autobiografie, die tegelijkertijd hier in Nederland verscheen.

Anders dan schrijvers, musici en regisseurs, schrijven beeldend kunstenaars zelden een boek over hun eigen leven. Dat is een gemis voor hun bewonderaars, niets leuker tenslotte dan zo'n persoonlijke blik in de keuken van de kunstenaar: het relaas van de moeizame weg omhoog, turbulente relaties met liefst even bekende kunstenaarsvrienden, muzen en mecenassen. Het geeft de gelegenheid je te laven aan de magie van het talent dat zo ook een menselijk gezicht krijgt.

In het besef dat 'het geheim' achter hun werk lastig te duiden is, en dat ze hun erfenis liever achterlaten in het museum, lieten beeldend kunstenaars de weergave van hun levensverhaal liever over aan anderen. Sinds Giorgio Vasari in 1550 in 'Le Vite' voor het eerst kunstenaarslevens beschreef, was de kunstenaarsbiografie iets voor kunsthistorici: aan hen de taak om de levensloop te verbinden aan de kunst. Een enkele briefwisseling daargelaten (Vincent van Gogh) was van de 'grote bekenden' alleen Salvador Dalí zo zelfverzekerd om een autobiografie te schrijven - hij schreef er meteen twee, met 'Mijn leven als genie' als veelzeggendste.

Maar nu heeft Marina Abramovic dan haar autobiografie geschreven. Ze is een van oorsprong Joegoslavische kunstenaar die bekend is vanwege haar performances: 'handelingen gedurende een specifieke tijd voor publiek'. Bij haar hebben die handelingen altijd iets met haar lichaam te maken gehad, vaak ook met pijn, doorzettingsvermogen, angst. Ze waren vaak tot bloedens toe. Dat juist zij met een autobiografie komt, is geen verrassing. Ze neemt zichzelf en haar kunst bloedserieus, heeft een evengrote schare fans als 'haters' zoals ze ze zelf noemt, en lijkt nu meer dan ooit te beseffen dat haar kunst en daarmee vervlochten levenswijze na haar dood lastig permanent in een museum tentoongesteld kunnen worden.

Tot een paar jaar geleden was ze alleen bekend in de modernekunstwereld als een grondlegger van performancekunst. Eerst werkte ze alleen, daarna maakte ze performances samen met haar partner Ulay. Ze begonnen vanuit Amsterdam, waar ze woonden, en trokken later straatarm 'maar dolgelukkig' langs musea en galeries met een busje. In 1988, na twaalf jaar samenzijn, beëindigden ze hun relatie in stijl: met een performance halverwege de Chinese Muur waarvan ze beiden de helft hadden gelopen. Daarna gingen ze hun eigen weg (ze kregen later ruzie over de beeldrechten, die Abramovic misbruikte, aldus Ulay - een Nederlandse rechter gaf hem in september gelijk, maar dat verzwijgt Abramovic).

Toen kwam, mede dankzij het internet, de omslag. In 2010 in New York, met haar overzichtstentoonstelling 'The Artist is Present', zat ze acht uur per dag, zes dagen per week ononderbroken aan een tafel, één voor één konden bezoekers zwijgend tegenover haar gaan zitten en haar aankijken zo lang ze wilden. Er vloeiden veel tranen. Het fragment waarop Ulay plaatsneemt zonder dat Abramovic daarop is voorbereid, ging viral. Nadat ook popidool Lady Gaga op sociale media meldde dat ze onder de indruk was, ontstond een nieuwe, jonge groep liefhebbers van Abramovic' werk en erfenis. En nu is er dus dit boek.

Wie daarin zoekt naar een verklaring voor haar grensoverschrijdingen (ze kamde zich een uur lang totdat haar hoofd bloedde, sneed met een scheermesje een ster op haar buik, en was zelfs bereid zich te laten doodschieten met een geladen pistool dat ze zelf voor het publiek klaarlegde), krijgt van Abramovic een bondig antwoord: haar opvoeding en haar liefde voor de kunst.

Ze werd geboren in het Belgrado van Tito. Haar ouders waren oorlogshelden en behoorden tot de 'rode bourgeoisie': vader in de elitegarde van maarschalk Tito, moeder museumdirecteur met smetvrees (met veel 'slechte kunst' in huis). Ze sliepen met een pistool op hun nachtkastje, spraken nauwelijks met elkaar en scheidden toen Marina vijftien was. Van haar moeder kreeg ze een spartaanse opvoeding, ze werd regelmatig bont en blauw geslagen of opgesloten in een kast. In die kast maakte ze kennis met spoken en geestverschijningen met wie ze gesprekken voerde. Geesten die ze, zij het in andere vorm, ook terug zou 'voelen' bij haar performances. En die haar vooral na de breuk met Ulay in talloze retraites met sjamanen over de hele wereld - ze benoemt ze tot vervelens toe - dichter tot haarzelf deden komen.

Dat ze kunstenaar wilde worden, ontdekte ze toen ze veertien was. Haar vader regelde dat ze schilderles kon krijgen bij iemand die abstracte landschappen maakte met lijm en zand, landschappen die na een paar weken niet meer zichtbaar waren. Dat, zo schrijft ze, raakte haar: het maakproces was belangrijker dan het eindresultaat.

Abramovic beschrijft het droog, bondig, met veel aardige anekdotes die het lezen van een autobiografie zo leuk maken. Over hoe Ulay, poedelnaakt, het geld dat hun beloofd was voor een performance in Milaan opeiste bij de opdrachtgever en het totdat de performance was afgelopen verstopte in de stortbak van het bezoekerstoilet, over hoe je je nies kunt onderdrukken (bewust een héél klein beetje ademen) - en ook aandoenlijk, als het gaat over haar mislukte relaties. Ze heeft bij het schrijven hulp gekregen van James Kaplan, die eerder een succesvolle biografie van Frank Sinatra schreef. Een literair of artistiek hoogstandje is het niet, het boek volgt braaf de chronologie, beschrijft zonder omhaal de handelingen, zonder overpeinzingen of achterliggende gedachten. De happening, het hier en nu, daar gaat het om bij Abramovic. En om haarzelf. Want ook haar inspiratiebronnen ontbreken: de boeken die ze leest, de muziek die ze luistert, filosofen die ze interessant vindt, je hoort haar er niet over. Natuurlijk, er zijn vriendschappen met beroemdheden, zoals een doordeweeks filmavondje in New York met Björk, Matthew Barney en Susan Sontag. Maar wat ze nou precies fijn vond in haar latere vriendschap met Sontag, blijft onduidelijk.

De kunstenaar staat zelf in het middelpunt. En interessant is ze, maar zo blijft ze, ook van dichtbij, nog even onnavolgbaar.

Marina Abramovic: Walk Through Walls Vert. Petra C. van der Eerden. Nijgh & Van Ditmar; 384blz. euro24,99

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden