Kunst / Over de plek die we innemen

De Britse beeldhouwer Antony Gormley is in en rond de Kunsthal in Rotterdam prominent aanwezig. Je staat oog in oog met 25 zwaarwichtige mensfiguren, voorzien van een doordringend blik.

Lood, gietijzer, cortenstaal (staal waarvan het roestproces halverwege is stopgezet) en beton zijn de meest voorkomende materialen als Antony Gormley zijn zonder uitzondering zwaarwegende beelden maakt. Het zijn ook weerbarstige materialen die zich niet gemakkelijk in soepele vormen laten vangen. Als Gormley de menselijke figuur in dat soort materiaal maakt, hoeven zijn beelden ook geen elegantie of souplesse uit te stralen. Ze zijn niet alleen massief, ze ogen ook stug, zelfs wat lomp en grof gearticuleerd. Heel in de verte doen ze dan ook alleen aan de menselijke figuur denken, maar veel meer zijn het berstensvolle volumes die een gewichtige plaats innemen. Alsof ze er gelijktijdig niet zijn en toch ook weer wel. Alleen de plek, de ruimte en het gewicht van de locatie nemen ze in. daarmee is Gormley een beeldhouwer pur sang, een kunstenaar die ogenschijnlijk moeizaam maar toch weer heel geraffineerd met volumes omspringt.

Van die massiviteit wordt de kijker zich weinig gewaar als je je deze zomer in de omgeving van de Kunsthal in het Museumpark in Rotterdam begeeft. Wie zich plotseling nog voor het betreden van de Kunsthal gewaar wordt van een doordringende blik die hem vanaf grote hoogte wordt toegeworpen, staat oog in oog met met een van de 25 mensfiguren die op omringende gebouwen staan. Elk mensbeeld – en ze lijken allemaal op elkaar omdat ze nooit gepersonifieerd zijn – poogt in contact te komen met het museumgebouw waar Gormley’s presentatie zo juist van start is gegaan. In die toch al zo ongemakkelijke betonbunker van Rem Koolhaas lijkt Gormley zich te hebben verschanst met een aantal van zijn installaties waarvan er maar heel weinig uit zeer recente tijd dateren. Dat wijst niet zo zeer op een gebrek aan productiviteit als wel aan een lange voorbereidingstijd die uiteindelijk tot een voltooide installatie leidt.

Neem de bouw van de Angel of the North, de meer dan indrukwekkende engel die Gormley op een heuvel langs de A1 in het noordoosten van Engeland liet neerzetten. Er waren vele maanden voor nodig om alleen al een betonnen bed annex plint van gewapend beton in de heuvelondergrond te laten zetten, waarop uiteindelijk het honderden tonnen beeld kwam te staan. Net zo’n zwaarwegend project staat nu binnen in de Kunsthal: drie honderd menselijke figuren van gewapend beton, in een bekisting afgegoten en dus hoekig en weerbarstig, ongenaakbaar van vorm én gewicht. Ze representeren in maat 300 inwoners van de Zweedse havenstad Malmö, die op de tentoonstelling ook met hun naam aanwezig zijn. Maar van Gormley hoeven de beelden ook niet op specifieke personen met hun eigen emoties te lijken. Ze nemen een plek in het hier en nu in, ze bepalen de ruimte die ze innemen door hun maten, hun gewicht, het licht dat erop valt. dat is voor Gormley genoeg. Op deze wijze hoeven ze zeker niet een psyche opgeplakt te krijgen. Dat zou ze maar herkenbaar maken, in de trant van ’dat beeld lijkt heel goed op die en die’, alsof het een zekere mate van anekdotiek zou moeten hebben. Gormley’s werk staat haaks op dat soort anekdotiek, je zou het eerder conceptueel kunnen noemen dan realistisch, ook al stralen ze menselijke karaktertrekken als onverzettelijkheid, gewicht en lompheid uit.

Of zoals de in 1950 geboren Engelse beeldhouwer het zelf zegt: „De beelden geven de plaats aan waar ooit iemand was en waar iedereen zou kunnen zijn. Dit werk vraagt een verhoogde alertheid van de toeschouwer”, want volgens Gormley moet je heel goed kijken naar de plaats die we als mensen in fysieke zin innemen. Dus zie je zijn mannetjes, soms alleenstaand, soms in confrontatie tegen elkaar opklimmend met alleen een glazen afscheiding daar tussen (Gormley’s mannen staan zowel binnen tegen de ramen van de voorzijde van de Kunsthal, in de traverse tussen de beide grote zalen als op het buitenperron), maar altijd met de blik gericht op een niet bestaand fenomeen, alsof ze willen wegdromen met de blik op oneindig. tegelijk doen ze heftige pogingen om te overleven. het materiaal waarvan ze zijn gemaakt helpt ze daarbij, maar tegelijk zijn ze haast onstoffelijk, al klinkt dat paradoxaal. Tussen de in beton afgegoten Zweden en de gietijzeren mannen door staan een paar installaties van Gormley die juist geen fysieke plaatsbepaling oproepen. Een spoor van broodkruimpjes op de vloer heeft alleen een verwijzende betekenis. een groepje krijsende meeuwen of spreeuwen zou er binnen de kortste tijd niets van over laten. En een menselijke figuur, liggend met opgetrokken benen, is de verbindende schakel tussen een stelsel van navelstrengen die hem energie uit een onbekende bron biedt. Maar het meest anti-massief is een naar alle kanten prikkelende buisjesconstructie, even pijnlijk en deerniswekkend als een middeleeuws Christusbeeld dat zojuist van een doornenkroon is voorzien. Gormley roept wel zeker een emotionele benadering op, en dat maakt zijn werk op deze tentoonstelling tot een buitengewone beleving.

Antony Gormley: ’Between you and me’, t/m 14 september Kunsthal Rotterdam, di-za 10-17 uur, zo 11-17 uur. Na Rotterdam reizen de beelden door naar het MAC in St. Etienne, Frankrijk (sep.-febr.) en het Artium Museum in Vitoria-Gasteiz, Spaans Baskenland (maart-september 2009). Diverse publicaties.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden