Kunst om te gebruiken

Nederland heeft wereldwijd een fantastische reputatie opgebouwd op het gebied van design. Niet alleen economische slimheid lag daaraan ten grondslag, ook een diepgewortelde overtuiging dat design het leven beter maakt.

Koninklijke gasten, captains of industry en beroemdheden kunnen sinds begin dit jaar terecht in een gloednieuwe viplounge op luchthaven Schiphol. In deze luxueuze ruimte, ontworpen onder het toeziend oog van Hare Majesteit zelf, staat enkel Nederlands design: comfortabele poldersofa’s van Hella Jongerius, voor de gelegenheid uitgevoerd in koningsblauw, monumentale lampen van Studio Job, een sloophouten vloer van Piet Hein Eek.

Architectenbureau Concrete, dat de ruimte inrichtte, kon kiezen uit een breed scala aan ’Hollandse’ producten. Sinds begin jaren negentig levert een groeiend aantal ontwerpers het ene na het andere succesvolle product af. En dat is in het buitenland niet onopgemerkt gebleven.

Dutch Design is een merk op zich geworden. De internationale meubelbeurs in Milaan leek dit voorjaar haast een Nederlands feestje.

In het aprilnummer van de Italiaanse Vogue werd een lijst gepubliceerd met de 75 invloedrijkste creatievelingen ter wereld. Maar liefst zeven van hen komen uit Nederland, onder wie Marcel Wanders, Jurgen Bey en Maarten Baas.

Maar hoezeer de Big Shadow-lamp van Wanders of de ’verbrande stoelen’ van Baas ook worden gewaardeerd, als je mensen vraagt naar ’het mooiste ontwerp van Nederland’, zullen velen eerder naar het verleden kijken. Naar iconen als de Roodblauwe fauteuil van Gerrit Rietveld uit 1918, het felgele, kubistische ontbijtservies van Berlage en Piet Zwart uit 1924 of de achterpootloze stoel van Mart Stam uit 1926, die inzet werd van een internationale discussie –was Stam de eerste die met dit revolutionaire ontwerp kwam, of was het de Duitser Marcel Breuer?

Mensen kunnen sterke nostalgische gevoelens koesteren voor design, weet kunsthistorica Mienke Simon Thomas. Ze stelde de tentoonstelling ’Honderd jaar ontwerpen in Nederland’ samen, momenteel te zien in museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. „Het was niet de bedoeling eenzelfde sfeer te creëren als op alle tentoonstellingen die de afgelopen tijd terugblikten op de jaren vijftig, zestig en zeventig”, zegt ze. „Maar veel mensen halen ook in Boijmans herinneringen op aan de getoonde objecten. Zelf kijk ik er professioneel naar, maar mijn zussen begonnen ook meteen te kraaien: dat had oma ook!”

Een buisframestoel van Gispen, een telefoon van bakeliet, een servies van Mosa –zelden stonden museumstukken zo dicht bij de belevingswereld van de bezoeker. De benaming ’toegepaste kunst’ zegt het ook al: het is een gebruiksvoorwerp waar er honderden of duizenden van gemaakt zijn, maar zo goed van vorm dat je het mooi, zelfs kunstzinnig kan vinden.

De scheidslijn tussen kunst en design is ook nooit volkomen helder geweest. Al vanaf het begin van de vorige eeuw wilden bekende kunstenaars en architecten als Johan Thorn Prikker en H.P. Berlage het volk verheffen door mooie, praktische, deugdelijke producten voor ze te ontwerpen.

De opkomende industrie maakte het mogelijk in grote oplages te produceren, maar veel ontwerpers kozen juist voor een ambachtelijke benadering. Ze waren zo idealistisch dat ze de traditionele meubelmaker niet wilden uitschakelen. Gevolg daarvan was dat hun verantwoorde meubelen voor de arbeider zo duur waren, dat ze hooguit in de huiskamers van de middenklasse, leraren en ambtenaren, terechtkwamen.

„Als je publicaties uit die tijd leest lijkt het heel wat, maar 99 procent van de mensen had ouderwetse, traditionele meubels met bolpoten en velours bekleding in huis”, aldus de kunsthistorica.

Na de oorlog kwam de volksopvoeding pas echt op gang. „De jaren vijftig waren voor design een ontzettend leuke tijd. De ontwerpers zochten toen echt aansluiting bij de industrie.” Er kwamen allerlei nieuwe apparaten op de markt: aardgashaarden van de firma Dru, stofzuigers van Erres en de Philishave. En wat te denken van de Daf, het autootje voor het volk met een heel eigenzinnig uiterlijk. Opleidingen voor ontwerpers werden grondig gemoderniseerd en richtten zich meer dan voor de oorlog op een samenwerking met de industrie. Opdrachten van de overheid en staatsbedrijven leverden ook mooie, vernieuwende ontwerpen op: telefooncellen, brievenbussen, praatpalen.

Net als voor de oorlog probeerden de ontwerpers het Nederlandse volk te stimuleren producten aan te schaffen die getuigden van goede smaak. Maar ditmaal pakten ze het beter aan. De stichting Goed Wonen werd opgericht. In een maandblad –dat je gerust het eerste woontijdschrift mag noemen– werd uitgelegd welke producten voldeden. Functionaliteit en degelijkheid stonden centraal, een eenvoudige, strakke vormgeving werd de norm.

Wat zoal het keurmerk van de stichting kreeg? Meubels van ’t Spectrum, een servies van de firma Fris, een afdruiprek van Tomado en een gootsteenbakje van Gero. Overal in Nederland werden modelwoningen ingericht en een speciaal adviescentrum in Amsterdam toonde foto’s van inferieure producten waarop met grote letters ’fout’ werd geschreven. Naast een afschrikwekkende rookstoel uit grootvaders tijd werd natuurlijk een fraai buisframe-meubel afgebeeld, als goed alternatief.

De industrie werd voorzien van een vergelijkbare smaakwaakhond, het landelijk Instituut voor Industriële Vormgeving.

„Men geloofde na de oorlog echt dat het leven beter gemaakt kon worden door mooie ontwerpen”, zegt designcriticus Toon Lauwen. „Maar er zat ook een groot commercieel belang achter deze initiatieven. De Nederlandse industrie moest na de oorlog op gang geholpen worden, de kooplust moest worden aangewakkerd.”

Hij kan zich wel vinden in het idee dat ook alledaagse producten voor ’de gewone man’ een prettige vormgeving behoeven. In zijn boek ’Dutch Design van de 20ste eeuw’ koos hij bewust voor huis-tuin-en-keukendesign, zelfs voor een Albert Heijn-melkpak uit 1970. „Ik wilde design graag in de breedte laten zien. Het boekje moest leuk en herkenbaar zijn. Dat melkpak was een vooruitstrevend ding én het heeft bij iedereen op tafel gestaan. Een goed ontwerp is niet voor de vitrines van het Stedelijk Museum. Ik heb meer waardering voor ontwerpen waar het publiek beter van wordt.”

Zoals aan het begin van de vorige eeuw kunstenaars zich ontpopten tot ontwerpers, zo lijken nu ontwerpers zich steeds meer als kunstenaars te gaan gedragen. Lauwen: „Vormgevers zijn erg conceptueel bezig, zo van: dit is wat ik leuk vind en vreet het maar. De opvoedende kant zit er niet meer zo aan. Dat vinden we bevoogdend. En dat is het natuurlijk ook.”

Het is wel jammer, vindt Lauwen, dat het goede industriële ontwerp, dat nog steeds in Nederland wordt gemaakt, momenteel minder in de belangstelling staat. Hij kan erg genieten van de technische kwaliteiten van een Bugaboo-kinderwagen, maar ziet ook wel dat er bij een kunstzinnige ’plakvaas’ van de internationaal gevierde Hella Jongerius een cultureel interessanter verhaal te vertellen is.

Ook Mienke Simon Thomas ziet dat de huidige generatie ontwerpers wat elitair te werk gaat. „Ze zoeken nu expres naar de exclusiviteit door producten in gelimiteerde oplages op de markt te zetten.”

Beiden zijn het er wel over eens dat de aandacht voor ontwerp na de Tweede Wereldoorlog, en zeker ook de Dutch Design-hype van de afgelopen jaren, een effect hebben gehad op de collectieve smaak. Simon Thomas: „Wat mensen in hun kamer zetten, de afgelopen tien, twintig jaar, laat wel zien dat er een voorkeur is voor strak en eenvoudig. Dat is, niet denigrerend bedoeld, ook veroorzaakt door Ikea en de Hema. Toch kan je zeggen dat die ’volksopvoeding’ die begon met het Functionalisme en de Nieuwe Zakelijkheid in de jaren twintig, en na de oorlog werd voortgezet door Goed Wonen, daarin te herkennen is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden