Kunst lag veilig in de bunker

De belangrijkste Nederlandse kunstwerken lagen tijdens de oorlog bomvrij opgeborgen in een bunker van Willem Sandberg, blijkt nu.

Parmantig, zijn kuif in de wind, stapt Willem Sandberg door de duinen bij Castricum. Het is 1941, Nederland is in oorlog, maar jonkheer Sandberg, conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam, heeft goed nieuws. De Nederlandse kunstschatten liggen veilig en bomvrij opgeborgen. Tweehonderd Van Goghs, acht Rembrandts, alle Vermeers, en nog veel meer kunstwerken liggen hier, wijst Sandberg, 'tien meter onder het zand, achter beton van anderhalve meter dikte'. Een film die onlangs werd ontdekt in het depot van het Amsterdamse Eye Filmmuseum, laat zien hoe 'schatbewaarder' Sandberg de gecamoufleerde kluisdeur van een bunker opent om rekken vol topkunst te tonen.

Niemand wist van het bestaan van dit filmpje, zegt Margriet Schavemaker (1971), conservator en hoofd onderzoek van het Stedelijk Museum Amsterdam. Al even onbekend is de kunstbunker van Willem Sandberg (1897-1984). Schavemaker: "We weten dat De Nachtwacht tijdens de oorlog verstopt is in de mergelgrotten in de Sint-Pietersberg. Maar van deze bunker hadden we nooit gehoord."

Deze onbekende geschiedenis kwam aan het licht tijdens een zoektocht naar werken in de collectie die geroofd zijn door de nazi's of onder dwang verkocht door de (joodse) eigenaren. Alle musea hebben dat gedaan in het kader van het landelijke onderzoek 'Museale Verwervingen vanaf 1933'. In het Stedelijk leverde dat zestien werken op die mogelijk teruggeven zullen worden aan de rechtmatige eigenaren. De speurtocht door de collectie leverde daarnaast zoveel nieuwe informatie op over het museum in oorlogstijd, dat besloten is al die aangrijpende, tragische, maar ook heldhaftige verhalen te publiceren en er een tentoonstelling aan te wijden.

De kunstbunker is de meest opzienbarende ontdekking, vindt Schavemaker. De kluis wordt overigens nog steeds gebruikt als depot voor de nitraatfilms van Eye. Het idee voor deze schuilplaats kwam uit de koker van Sandberg en zijn directeur David Röell. De Spaanse Burgeroorlog, die in 1936 was uitgebroken, maar vooral het Duitse bombardement op Guernica, een jaar later, had de museumstaf bewust gemaakt van de risico's. Na een studiereis naar Spanje in september 1938, concludeerde Sandberg dat ondergrondse bomvrije bergplaatsen in de duinen de meeste veiligheid zouden bieden. Met de aanleg moest de gemeente, als eigenaar van de kunstcollectie, meteen beginnen, vond Sandberg, want alleen dan zou men 'begin 1940 gereed kunnen zijn om onze Rembrandts, Vermeers, Van Goghs bij een crisis de noodige bescherming te verleenen'. Hij stelde lijsten op van de kunstwerken die beschermd moesten worden. Een rode stip kregen objecten die als eerste in aanmerking kwamen. De tweede categorie (wit) was ook belangrijk, maar niet altijd onvervangbaar. De derde categorie (blauw) was vervangbaar.

Van Sandberg kwam ook het idee om de kunstwerken alvast op te slaan op lichterschepen. Daarvan lagen er genoeg in de haven. Vrachtwagens zouden waarschijnlijk gevorderd worden bij een algehele mobilisatie. Op 28 augustus 1939, een paar dagen na de afkondiging van de voormobilisatie werden de kunstwerken over vier schepen verspreid. De Comtesse de Noailles van Kees van Dongen kwam samen met meer dan honderd andere werken in het ruim van de Dankbaarheid. De Van Goghs, Breitners, Marissen en Mondriaans werden verdeeld over de Mercurius, de Morgenster en de Harwu Almien.

Maandenlang dobberden de kunstwerken op de Rijpweteringschevaart in Zuid-Holland en op het Kogerpolderkanaal in Noord-Holland. Toen op de Mercurius een baby werd geboren, mocht de schippersvrouw de luiers niet aan boord wassen, omdat vocht niet goed was voor de schilderijen. Op de wal werd een was- en drooghok gebouwd.

In maart 1940 was de bunker klaar. Op 23 april werden de eerste schilderijen gebracht. Op 7 mei was de evacuatie voltooid. Ook andere musea, zoals het Rijksmuseum en het Boijmans Van Beuningen, mochten hun topkunst in de bunker stallen, evenals privéverzamelaars, onder wie de familie Van Gogh. Ook veel joodse verzamelaars meldden zich, evenals universiteiten, bibliotheken en paleizen, waaronder Soestdijk.

In totaal zijn namen gevonden van 500 particulieren en instellingen. Er zijn opvallend weinig joodse namen bij. Uit een brief die Sandberg na de oorlog schreef, blijkt dat van werken van joodse verzamelaars alle kentekens waren verwijderd en documenten verstopt of vernietigd. Schavemaker: "De Duitsers wisten al in 1940 van het bestaan van de bunker en kwamen vaak patrouilleren. Om die reden waren Sandberg en Röell spaarzaam met het noteren van namen van joden. Op dat moment was dat slim, maar na de oorlog een groot probleem bij het traceren van eigenaren, van wie velen de oorlog niet hadden overleefd."

Het is merkwaardig dat de Duitsers de kunstschatten in de bunker ongemoeid hebben gelaten. Ze lagen bij wijze van spreken voor het grijpen. Het onderzoek heeft dat raadsel niet opgelost, zegt Schavemaker. "Misschien was het uit een soort arrogantie, dachten ze: ach, die kunstwerken liggen daar goed, die halen we later wel op."

Na ruim twee jaar moest de bunker worden ontruimd. Vanwege de bouw van de Atlantikwall, waarmee een Engelse aanval moest worden voorkomen, werd de hele Nederlandse kuststreek geëvacueerd. Het Stedelijk kreeg van de Duitsers toestemming om zijn kunstwerken te verhuizen naar de al eerder ontruimde kluizen die het rijk had laten bouwen in Zandvoort. De Nachtwacht was toen al overgebracht naar de mergelgrotten in de Sint-Pietersberg. Daar heeft het tot het einde van de oorlog gelegen.

Het Stedelijk bleef tijdens de oorlog gewoon open. Ook zonder de belangrijkste kunstwerken was er genoeg te bewonderen. Het museum bleef min of meer verschoond van 'foute' evenementen; de bezetter kon slechts twee propagandatentoonstellingen afdwingen. In het Rijksmuseum vonden zeventien 'foute' tentoonstellingen plaats. Maar het beeld dat het Stedelijk 'goed' was in de oorlog, moet door dit onderzoek worden bijgesteld. Om hun museum 'zuiver' te houden, lieten Röell en Sandberg kunstenaarsverenigingen exposeren die zich ingeschreven hadden bij de Kultuurkamer en hun joodse leden hadden geroyeerd.

Schavemaker: "Sandberg wilde deze verenigingen al voor de oorlog weren uit het museum, omdat ze te behoudend waren. Nu liet hij ze juist toe, zodat de zalen steeds gevuld waren en de nazi's geen tentoonstellingen konden opdringen. Het was een pragmatische oplossing, om erger te voorkomen." Des te opmerkelijker, omdat Sandberg ook actief was in het verzet. Hij vervalste persoonsbewijzen en plande met anderen een aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam. De laatste jaren van de oorlog zat hij ondergedoken. Het is niet de bedoeling, benadrukt Schavemaker, om Sandberg van zijn voetstuk te duwen. Maar het beeld verdient wel 'enig reliëf'. Hij was een verzetsheld, maar in het museum heeft hij ook concessies gedaan.

Zelf deed Sandberg er overigens alles aan om de mythe rond zijn heldenstatus in stand te houden. Daarvan getuigt niet alleen het filmpje over de kunstbunker in Castricum, getiteld 'Waar de blanke top der duinen'. Tijdens het onderzoek dook nog een onbekende film op, 'Rembrandt in de schuilkelder', waarin Sandberg zich ook manifesteert als stoere redder van de Nederlandse kunstschatten.

Schavemaker: "Je zou er haast een musical van maken, met Sandberg als een soort Soldaat van Oranje in de hoofdrol."

De tentoonstelling 'Het Stedelijk in de oorlog' is t/m 31 mei te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam. Aan het onderzoek werkten mee Margriet Schavemaker, Margreeth Soeting en Gregor Langfeld.

Bruidsbouquet

De zoektocht door de collectie van het Stedelijk bracht schrijnende verhalen aan het licht. Dit Bruidsbouquet van Else Berg, in 1939 aangekocht, is daarvan een voorbeeld. De joodse Else Berg werd via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd en daar met haar man, de schilder Mommie Schartz op 19 november 1942 vermoord. Pas nu is ontdekt dat dit schilderij in 1944 is uitgeleend aan nazi-kopstukken die in Amsterdam verbleven en hun kantoor of woonruimte wilden opsieren met kunst uit de collectie van het Stedelijk.

Willem Sandberg liet dit schilderij niet overbrengen naar de bunker in Castricum. Hij vond de artistieke waarde niet groot genoeg. Conservator Margriet Schavemaker heeft het nu voor het eerst weer uit het depot gehaald. Sinds Sandberg ligt de focus in het Stedelijk op de meest vernieuwende kunst die voor zichzelf moet spreken. Schavemaker: "De depots staan vol met artefacten die niet aan die selectieve criteria voldoen. Dat geldt ook voor dit werk." Maar die 'conventionele focus' verdient aanvulling, vindt de conservator. Er moet in het Stedelijk ook ruimte zijn voor kunstwerken met bijzondere 'levensverhalen', zoals dit Bruidsbouquet.

Victory Boogie Woogie

Hij lijkt bedrieglijk echt, de Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan, te zien op de tentoonstelling Het Stedelijk in de oorlog. Maar het is een nepperd. Willem Sandberg liet na de oorlog, toen hij directeur was geworden van het Stedelijk Museum Amsterdam, deze kopie maken omdat hij het echte schilderij niet kon betalen. (In 1997 kwam het originele werk alsnog in handen van de Nederlandse staat, die het in bruikleen gaf aan het Gemeentemuseum Den Haag).

Zo graag wilde hij de Victory Boogie Woogie hebben, dat hij het liet naschilderen door Willy Kock. Jarenlang hing de kopie in de kamer van Hans Jaffé, tot 1962 de rechterhand van Sandberg. Het vrolijke spel van kleurvlakjes van Mondriaan was voor Sandberg niet alleen een hommage aan de bevrijding. Het abstracte schilderij representeerde ook de vernieuwing die hij wilde doorvoeren in het museum.

Al in 1938 had Sandberg de rijk gedecoreerde muren van de museumzalen wit laten schilderen. Dat was de ideale achtergrond voor het tonen van moderne kunst. Zijn droom was om met het Stedelijk het MoMa (Museum of Modern Art) in New York naar de kroon te steken. Met tentoonstellingen van Mondriaan, Calder, Van Gogh en Cobra trok het museum internationaal de aandacht. De Cobrabeweging was voor Sandberg hét symbool voor vernieuwing en anti-oorlogskunst.

Karel Appel was zijn favoriet, ondanks diens onzuivere oorlogsverleden. De jonge kunstenaar verkocht in de oorlog zijn toen nog traditionele schilderijen van landschappen en stadsgezichten aan de Duitsers. Sandberg wist ervan maar het belang van het museum woog zwaarder: hij had Appel nodig als uithangbord voor de moderne kunst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden