kunst / Dansen zonder gedoe

Hij begon als jochie dat van flamencodans hield, nu is Mark Morris een veelgevraagd choreograaf en leidt hij zelf een dansgroep.

Praten met de Amerikaanse choreograaf Mark Morris is praten in understatements en demystificaties „Wat ik wil met mijn werk? Geen idee.” Over zijn drijfveren: „Ik heb geen enkele filosofie.” Of over de zo brede aanwezigheid van zijn werk in het Holland Festival, zowel bij Het Nationale Ballet als met zijn eigen Mark Morris Dance Group, de komende dagen in Theater Carré: „Een heel leuk toeval”. En dan ten slotte over zijn trademark: die altijd specifieke en immer verrassend brede muziekkeuze: „Ach, ik gebruik gewoon de muziek waar ik wat mee heb”. En dat alles met een ontwapenende brede lach onder guitige jonge-jongensogen.

In veel opzichten doet Mark Morris (1956) denken aan onze eigen dansmaestro Hans van Manen, de kunstenaar die Morris zo bewondert en door wie hij in contact kwam met Het Nationale Ballet, waar afgelopen weekend zijn knap geconstrueerde tongue-in-cheek dansstuk ’Sandpaper Ballet’ in première ging. Van Manen houdt er niet van zijn choreografische werk te duiden en zijn motto ’dans drukt dans uit en niets anders dan dans’, is ook Mark Morris op het lijf geschreven. Morris: „Als het publiek zich eerst door een programmaboekje van twintig pagina’s heen moet worstelen, heb ik toch wat fout gedaan.”

Tot zijn eigen verbazing gaat hij al 25 jaar mee als choreograaf. Naast het bestieren van zijn eigen gezelschap, is hij een veel gevraagd gastchoregraaf bij onder andere het American Ballet Theatre, Royal Ballet en het San Francisco Ballet. Mark Morris noemt zichzelf een „joch” uit Seattle dat hield van flamencodans „en daar bovendien verdomde goed in was”. Op negentienjarige leeftijd ging Morris naar New York, het in de jaren zeventig van vernieuwing zinderende en buitengewoon productieve mekka van de moderne dans. „Ik vond dansen leuker dan niet-dansen. Dus dat was wat ik deed: dansen.” Dat deed hij bij choreografen als Twyla Tharp en Laura Dean, totdat hij in 1980 zijn eigen gezelschap oprichtte, waarin hij zelf als sterdanser aantrad.

Zonder formele training in moderne danstechnieken, en dus niet „gehinderd” door enige dansante statusquo, werd zijn groep een zinderend broeinest voor Morris’ „eigen ding”. Zijn achtergrond in volksdans was bepalend voor wat hij wilde met zijn groep: zijn dansers moesten eruitzien als „gewone” mensen: zwart, wit, lang of juist gedrongen – en zeker niet graatmager. Zijn dans moest stevigheid weerspiegelen, solide zijn, met de voeten stevig op de grond.

Waar in de postmoderne jaren tachtig er in alle vernieuwingsdrift lustig op los werd geëxperimenteerd, fungeerde Morris daarmee vooral als bruggenbouwer tussen klassiek en modern door de ’natuurlijkheid’ in de dans te accentueren. Daarbij was muziek zijn enige maar altijd betrouwbare muze. „Zo iemand als Merce Cunningham koppelde de dans los van de muziek. Prima hoor, ieder zijn ’ding’ en veelvormigheid moet worden toegejuicht, maar ik heb de banden dans-muziek juist altijd stevig willen aanhalen. Zeg nou zelf; zou men zonder muziek überhaupt ooit ergens ter wereld zijn gaan dansen?”

Morris heeft gewerkt met composities van meer dan vijftig componisten, die live bij zijn balletten worden uitgevoerd. Hij maakt geen verschil tussen dansers en musici en bij voorkeur choreografeert hij met de partituur in zijn hand. Muzikale solo’s worden danssolo’s, de harmonie, het ritme, de dynamiek en het leidmotief verwerkt de dansmaker als ankerpunten in de als een architectonisch bouwwerk vormgegeven dans. „Maar hoe ik die dans verder invul, wordt enkel door mijn verbeelding ingegeven. (luidkeels lachend:) En hoe dat verder werkt, weet ik niet, hoor! Vocale barokmuziek is weliswaar mijn favoriet, maar ik ben behoorlijk ’versatile’. Zo werk ik ook graag met een ensemble als The Bad Plus, een New Yorks jazzensemble dat voor het werk ’Violet Cavern’ met een speciaal geschreven werk in het Holland Festival-programma in Carré aan zal treden.”

Toch zijn het de barokwerken onder zijn inmiddels meer dan 120 choreografieën die tot Morris’ beste balletten worden gerekend. Tijdens een gastresidentie in de Brusselse Munt van 1988 tot 1991, creëerde Morris het veelgeprezen ’L’Allegro, il Penseroso ed il Moderato’ op de gelijknamige compositie van Hündel en ’Dido and Aeneas’ op die van Purcell. In Brussel had Morris voor het eerst beschikking over wat hij in New York zo node miste: geld en ruimte. Het aantal dansers waarmee hij werkte verdubbelde en zijn werken konden grootser van opzet worden. Overigens werd de opvolger van Maurice Béjart in Brussel niet erg op waarde geschat. De opening van Morris’ derde Brusselse seizoen werd door ’Le Soir’ ontvangen met „Mark Morris go home!”.

Morris’ mix van het klassieke en het alledaagse, ’verheven’ muziek met daarop altijd invoelbare beweging, de ernst in combinatie met de humor; het werd door het zich als ’danshoofdstad van Europa’ profilerende Brussel slecht begrepen. Zijn specifieke amalgaam van stijlen en emoties werd als ’ironisch’ bestempeld. Maar de slechte ontvangst bij pers en de Brusselse kunstkliek lag waarschijnlijk ook voor een groot deel aan Morris als persoon: een flamboyante homoseksueel met een middle class achtergrond, een no-nonsense attitude en wars van obligate chic. Kortom: een weerbarstig kunstenaar die niet makkelijk in een hokje viel te stoppen.

Terug in de Verenigde Staten duurde het tot 2001 voordat Morris voldoende financiering voor een eigen plek kon vinden. Morris: „In de VS wordt het als grote luxe beschouwd om als dansgezelschap eigen studio’s te hebben. Iedereen in Amerika gaat naar een kantoor of een andersoortige werkplek, behalve als je een moderne danser bent. Toen we door sponsoring en giften het Mark Morris Dance Centre in Brooklyn konden openen, was dat een sensatie.” Maar de sensatie sloeg binnen een dag om in een nachtmerrie. Morris: „Vrijwel gelijktijdig met onze intrek in het Centre op 11 september, vielen de Twin Towers. In shock zijn we toen maar gaan doen wat we moesten doen: dansen.”

Inmiddels heeft het Mark Morris Dance Centre een school met ruim vijfhonderd leerlingen en is het enfant terrible van de moderne dans na 25 jaar behoorlijk geïnstitutionaliseerd. Morris ontving diverse onderscheidingen en bekleedt verscheidene eredoctoraten. Zijn liefde voor de muziek leidde hem naar de opera, regies van zijn hand waren te zien in de New York City Opera, Covent Garden en The Metropolitan Opera. Zijn nieuwe liefde: dirigeren. Toch nog even iets over de motor achter die immense scheppingsdrang? Morris: „Ach, ik ben snel verveeld.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden