Kunnen we zonder religie?

Ooit was het in de westerse samenleving vrijwel onmogelijk niet in God te geloven; anno 2007 is het de gewoonste zaak van de wereld. De Canadese filosoof Charles Taylor probeert die evolutie te verklaren.

Charles Taylor, A Secular Age. Belknap Press of Harvard University , Cambridge (Mass), Londen. ISBN 9780674026766; 874 blz. euro 45

Taylors lijvige boek ’A Secular Age’ is nauwelijks verschenen of het wordt al – en niet door de minsten – als een meesterwerk omschreven, een boek dat zijns gelijke niet kent in het domein van de studie van onze seculiere tijd en van de plaats daarin van religie. Eigenlijk gaat het om meerdere boeken in één: allereerst een historisch-filosofische analyse van het ontstaan van het unieke fenomeen in de menselijke geschiedenis van een door en door geseculariseerde samenleving; ten tweede een poging tot begrijpen van de culturele revolutie van de jaren zestig uitlopend in de huidige ’pluralistische’ maatschappij; tenslotte een diagnose van de huidige tijd op spiritueel gebied.

De vraag die Taylor wil oplossen is: hoe is de evolutie te verklaren van een maatschappij waarin het praktisch onmogelijk was niet in God te geloven, naar een maatschappij waarin dat wel perfect mogelijk is, waarin het geloof zelfs niet langer evident is, en waarin het – indien het er nog is – de vorm aanneemt van ’spiritualiteit’? Het antwoord: dat kon alleen gebeuren door een reeks fundamentele veranderingen in de religieuze cultuur zelf: die leidden uiteindelijk tot een moderne, ’horizontale’ maatschappij, waarin een areligieus humanisme totaal vanzelfsprekend is geworden.

Zo is de ironie van de geschiedenis: het streven naar zuiverder religiositeit resulteert uiteindelijk in niet-religiositeit. Daarmee verwerpt Taylor tegelijk het standaard geworden antwoord: dat de evolutie naar een geseculariseerde samenleving ’natuurlijk’ of ’logisch’ is, een soort volwassen worden van de mensheid, een geleidelijke ontvoogding uit primitieve, irrationele voorstellingen en houdingen. Dat antwoord is totaal ontoereikend om de subtiele combinaties van moderniteit en religiositeit of de blijvende aantrekkingskracht van diverse vormen van religie te kunnen begrijpen.

Taylor vindt antwoorden die religie herleiden tot een bijproduct van meer of minder primitieve factoren (genetische, sociaal-economische) eveneens ontoereikend. Zij kunnen geen recht doen aan de complexiteit en diversiteit van het onderwerp.

De geseculariseerde maatschappij van vandaag is dus het product van een lange, ingewikkelde evolutie, vooral bepaald doordat niet alleen elites, maar ook brede groepen in de maatschappij anders zijn gaan leven en denken. Een voorbeeld is de gedachte dat ook het individu rechten heeft; die opvatting heeft gevolgen voor de rechtspraktijk, voor onze sociale verbanden en de politiek. Die evolutie kan men achteraf wel proberen te begrijpen, maar ze gehoorzaamt helemaal niet aan een ’ijzeren’ of ’logische’ wetmatigheid. Taylor toont in detail aan dat die ontwikkeling vooral te maken heeft met de opeenvolgende golven van interne reformatie in het christendom – het streven naar een diepere beleving van de religie ook bij de brede massa’s – waarin de Reformatie zelf natuurlijk een centrale plaats inneemt.

Binnen het christendom ontwikkelen zich ’moderne’ vormen van leven en samenleven: van ’disciplinering’ (nieuwe morele standaarden, nieuwe vormen van opvoeding, omgang, hygiëne en dergelijke) die in combinatie met nieuwe denkbeelden (zoals het deïsme) geleidelijk het ontstaan van een ’exclusief’ (atheïstisch) humanisme mogelijk maken, eerst bij elites en dan bij de brede bevolking. Dit leidde dan weer tot periodes van sterke religieuze revival en mobilisatie, zoals in het begin van de negentiende eeuw (tegen het deïsme) en het begin van de twintigste eeuw (opleving van het katholicisme). Het Rijke Roomse Leven dat van de negentiende eeuw tot de jaren vijftig duurde was een opmerkelijke symbiose van moderniteit en religie.

Taylor ontwikkelt niet alleen een visie op ’hoe het zo ver heeft kunnen komen’, hij probeert ook de huidige situatie van geloof én ongeloof te doorgronden. Essentieel daarbij is het feit dat in de jaren zestig ook bij de grote massa het ideaal van authenticiteit en zelfbeschikking doorbrak. Taylor heeft die ontwikkeling al geanalyseerd in zijn ’Bronnen van het zelf’ (zie kader). Dat de kerken vasthielden aan gezag en discipline (bij seksualiteit bijvoorbeeld) leidde In Europa tot massale geloofsafval.

Dat betekende niet het einde van de religie, maar hield in dat er een enorme verscheidenheid van vormen ontstond tussen twee extremen in: aan de ene kant een exclusief humanisme dat geen enkele transcendentie aanvaardt (en zichzelf omschrijft als anti-religie), aan de andere kant de orthodoxe, geïnstitutionaliseerde versie van religie. Daartussen liggen allerlei mengvormen, onder meer vormen van ’spiritualiteit’.

Taylor laat mooi zien hoe zowel geloof als ongeloof geconfronteerd wordt met dezelfde dilemma’s en paradoxen als het om de centrale problemen van onze tijd gaat, zoals zinloosheid, geweld, dood. Niemand lijkt een antwoord te hebben op de paradox dat het radicaal willen uitsluiten van geweld zelf weer tot geweld leidt. Denk aan de terreur van Robespierre, maar ook aan pogingen de democratie met gewelddadige middelen tot stand te brengen. Ook een andere paradox blijft onopgelost: het in goede banen willen leiden van het gemeenschapsleven ontaardt al snel in een obsessie voor regels.

Materialistische of scientistische aanvallen op de religie beriepen en beroepen zich steevast op de wetenschap – welke wetenschap precies hangt af van de tijd. Terecht merkt Taylor op dat de geloofsafval die daarmee verbonden lijkt niet echt steunt op diepgaand wetenschappelijk inzicht of rigoureuze argumentatie. ’Afvalligen’ waren meestal al door andere factoren beïnvloed, ze hadden bijvoorbeeld een afkeer van hiërarchie en van het zondebegrip of ze leidden een leven waarin geen plaats of tijd meer was voor religieuze praktijken.

In een laatste hoofdstuk stipt Taylor een opmerkelijk fenomeen aan, dat in onze tijd weer opduikt: de bekering, niet zelden van individuen die tot de elite behoren. Dat het dikwijls gaat om bekeringen tot het katholicisme – en wel tot vormen ervan waarin orthodoxie en ritueel centraal staan –, is iets waar Taylor eigenlijk niet op ingaat. Wordt hij hier gehinderd door zijn eigen visie op religie? Het is opvallend dat verschillende figuren aan wie Taylor hier aandacht besteedt ook aan bod komen in het prachtige en ontroerende boek over ’zijn helden’ van de bekeerling Willem Jan Otten getiteld ’Waarom komt u ons hinderen?’ (uitgegeven door Van Oorschot, Amsterdam).

Het is onmogelijk hier recht te doen aan de volle rijkdom van dit uitzonderlijke werk. Het gaat om een unieke combinatie van menswetenschappelijk onderzoek – (kerk)historisch, sociologisch, antropologisch – en filosofische analyse en inzicht. Telkens weer duiken verrassende inzichten op, diepgaande analyses, subtiele pogingen door te dringen tot de kern zowel van religieuze als van anti-religieuze fenomenen.

Heldere analyses van centrale denkbeelden van filosofen of fijne lectuur van representatieve dichters of schrijvers verrijken voortdurend de centrale thematiek. We hebben hier ook te doen met een genereuze denker die conversatie en dialoog veel belangrijker acht dan te scoren tegen tegenstanders. Wat een verademing te midden van de vele steriele ’discussies’ waar het er vooral op aan lijkt te komen gelijk te halen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden