Kunnen filosofen mij troosten?

Als zijn vader plotseling overlijdt, vraagt filosoof Julian Baggini zich af of filosofen hem helpen bij het rouwen. 'Als je niet gelukkig kunt leven zonder God, biedt de filosofie een wel erg schrale troost.'

JULIAN BAGGINI

Julian Baggini (1968) is een Britse filosoof, auteur van diverse boeken, waaronder over atheïsme. Hij publiceert regelmatig in Britse kranten en tijdschriften.

Hoe ga ik om met de dood van mijn vader? Ach, zoals met de meeste dingen: denkend, mijn gedachten ontwikkel ik met de vingers op het toetsenbord, al schrijvend. Door mijn hang naar de wijsbegeerte zwerven mijn gedachten van vaders sterven naar doodgaan in het algemeen. Klinkt misschien wat kil, rationeel, analytisch, maar de enige regel in dagen van rouw is nu eenmaal dat er geen regels voor zijn. Je kunt de reacties op de dood niet netjes schiften: normaal en abnormaal, gepast en ongepast, goed en fout. We knoeien maar wat aan, zoals we ons door het leven heenmodderen, in het donker tastend naar de weg.

Juist nu schieten filosofen voor mij tekort, want wat ze over sterven hebben gezegd, gaat meestal over de stervende. Zo noemde Plato de wijsbegeerte 'doodsvoorbereiding', en zei Epicurus dat we van het sterven niets te vrezen hadden.

Nutteloze gedachten voor wie plotseling sterft. Mijn vader leek kerngezond, kreeg een hartaanval en stierf ter plekke. Net als zijn broer en zijn zwager, zijn vader bezweek abrupt door een hersenbloeding. Magere Hein haalt een wrede grap uit met mensen die zich bewust voorbereiden op de dood - Hein overvalt ze ermee.

Filosofie die ons voorbereidt op het sterven van anderen, daar heb je meer aan. Dan krijgen we misschien wat inzicht in de zin van de dood die dichtbij komt. Dat is een zin in drieën: er is een betekenis voor de gestorvene, een voor de nabestaande en eentje voor ons als we beseffen dat de dood niet op de deur klopt, maar er ongenood door binnendendert.

Komt de dood na een lang ziekbed, dan hebben we het er niet zo moeilijk mee, ook al is het onmogelijk je echt voor te bereiden op de stervensdag.

Komt hij plotseling, dan overheerst het ongeloof: "Dit kán helemaal niet."

"Het is zó onwezenlijk."

"Ik kan het maar niet geloven."

Dat waren de zinnen die ik dezer dagen vaak hoorde.

Mijn vader woonde niet meer in zijn geboorteland Italië. Hij vierde er zijn vakantie - zijn laatste, weet ik nu. Hij betoonde zich opvallend sociaal. Ongekend was het aantal mensen dat hem jaren niet had gesproken, maar de laatste dagen juist wel. Ze zeiden allemaal dat hij er zo goed uitzag, zo fit en gezond. Mensen die hem beter kenden, wisten zeker dat deze magere fietsfanaat, deze vegetariër die matig dronk en nauwelijks rookte, zijn dikke, minder reislustige leeftijdgenoten zou overleven.

Het ongeloof van al die mensen deel ik niet. Natuurlijk, het voelt raar, maar ik ben me er al zolang als ik me herinner van bewust dat de dood zich zomaar kan aandienen. De een leeft langer dan de ander, maar de wetten van het lot winnen het bij een individu van de gemiddelden.

Wat mij verbaast is niet dat mensen ziek worden of doodgaan, maar dat iedereen daar zo verbaasd op reageert. Wijk ik van die norm af doordat ik me met filosofie bezighoud? Ik vermoed dat het omgekeerd is: mijn afwijkende houding maakte dat ik mijn leven aan de wijsbegeerte ben gaan wijden. Die dank ik niet aan grondige lezing van Socrates, de Stoa of Schopenhauer, maar aan wat iedereen eigenlijk wel weet over de dood. Die kennis kun je je eigen maken; de filosofie leert je om met dat inzicht naar de werkelijkheid te kijken.

Cultuur speelt daarbij ook een rol. In het dorp waar mijn vader stierf en is begraven, hebben ze geen neiging de dood te verbloemen.

Elk overlijden komt op affiches te staan, met tijd en plaats van de uitvaart. Ze hangen overal; waar je ook heengaat, de dood is alomtegenwoordig.

Lijken stoppen ze niet weg: mijn vader lag in het huis van zijn broer opgebaard, door glas kon je hem zien liggen in zijn kist waaronder een koelinstallatie gromde. Mensen kwamen langs en praatten met elkaar, over die kist heen.

Op het kerkhof schoof de doodgraver mijn vader in diens kist een gat van de grafmuur in. Nadat de pastoor er een laatste wolkje heilig water overheen had gezwaaid, begonnen twee kerels in smerige kleren de muur dicht te metselen.

In Engeland gaat dat heel anders: het stoffelijk overschot wordt snel afgevoerd naar een mortuarium en het is heel normaal dat je de overledene helemaal niet meer te zien krijgt. De Italiaanse aanpak is beter, die confronteert je onvermijdelijk met de dood en leert je dat de dood deel is van de natuurlijke levenscyclus. Maar ook Italianen huiveren bij de gedachte dat er een graf klaarligt 'waarop mijn naam staat'.

De schok die de dood veroorzaakt, kunnen we dempen door ons denken over wat de dood is: geen abstractie maar een realiteit. De dood is van nature grillig, onvoorspelbaar en niet af te wenden. Laten we daarvan doordrongen zijn, dan kan veel rond een sterven ons nog volledig van ons stuk brengen - maar niet meer het overrompelende ervan.

Je kunt erdoor van de kaart zijn, vooral door het verdriet om het verlies van een geliefde. Veel filosofen gaan daar tegenin. Ze stellen vast dat er eigenlijk niets is om je druk over te maken: de overledene lijdt niet meer, wij hoeven niet te treuren over wat hij of zij nu moet missen.

Maar die redenering ziet iets vreselijk over het hoofd. De rouwende is niet verdrietig over wat de overledene - die er dus op een vreemde manier nog is - allemaal moet missen aan het leven, maar over het feit dat de overledene er niet meer is. Die lijdt niet meer, lacht niet meer, bemint niet meer, proeft niets meer. Juist dat is de oorzaak van ons verdriet.

Daar hebben veel filosofen moeite mee. Het is toch onredelijk om verdriet te hebben door de vreugden die iemand niet meer smaakt? Dan kun je net zo goed treuren om de onbenutte geneugten van hen die nooit verwekt zijn.

Volgens mij zit er een groot verschil tussen mensen die een tijd met elkaar hebben doorgebracht in de echte wereld, en twee onverwekten die iets met elkaar beleven in een verzonnen parallel universum. Je moet wel een heel vreemd onpersoonlijk perspectief kiezen om de ervaringen van levende mensen van vlees en bloed gelijk te kunnen stellen aan die van hypothetische wezens.

Als je kunt genieten van iemands gezelschap of zelfs van een goed glas wijn, dan is het toch niet irrationeel als je je realiseert dat een ander geen kans meer heeft om dat genoegen te smaken?

Filosofen zitten ernaast in hun analyse van verdriet, want ze miskennen dat het fenomeen ingewikkeld is, en paradoxaal van aard. Het kijken naar een dode - wat tientallen mensen deden bij mijn opgebaarde vader - is kijken naar iets wat je beminde, en bemint. En het is het ook niet. Je hoort wel eens dat een dode lijkt te slapen, maar dat herken ik niet. Iets levends - wakend of slapend - beweegt altijd een beetje, maar het gezicht van mijn vader was levenloos, zijn borst ging op noch neer, zelfs zijn neus vertoonde geen trillinkje. Hij was weg. Toch was er onmiskenbaar iets van hem achtergebleven. Dat hij er was, was het overtuigende bewijs dat hij er niet meer was. Ik voelde dat hij niets voelde - en dat maakte me bedroefd.

Wie hecht aan strenge logica vindt dit onsamenhangend gepraat, maar zal moeten toegeven dat je de werkelijkheid zo soms dichter nadert dan met logica. Analytische filosofentaal schiet wel eens tekort om de belangrijkste levensfeiten te doorgronden. Daarvoor is de paradox van de poëzie geschikter.

Ik vind het heel gepast om verdrietig te zijn om de tijd die niet meer geleefd wordt, zelfs als de overledene oud was en een goed leven heeft gehad. Leven duurt nooit lang genoeg. Bijna allemaal takelen we af voordat we het laatste restje levensvreugde eruit weten te persen. Sterfelijkheid is nodig voor het leven, dat zie ik ook wel, eeuwig leven zou een straf zijn, geen zegen. Maar ik wil er niet aan dat tachtig jaar (als je geluk hebt) van tanende krachten genoeg is. En dat we niet mogen betreuren dat het niet langer is.

Rouw behelst een aspect dat moeilijk valt te verzachten: het sterven van een naaste kan alle stutten onder je leven wegslaan. Anders gezegd: je raakt een deel van jezelf kwijt. Het denken van die naaste en diens biografie waren onlosmakelijk aan je verbonden, het was niet eens duidelijk waar hij begon en jij eindigde. Dan is het niet zo vreemd om te zeggen dat met het sterven van die naaste een deel van jou is zoekgeraakt. Als het klopt dat we de som van onder meer onze ideeën, ervaringen, plannen zijn, dan is het wegvallen van iemand die daar deel van uitmaakte, het kwijtraken van een deel van jezelf.

Misschien is dat wel de betekenis van zinnen als 'Ik kan het niet geloven', en 'Het voelt zo onwezenlijk'. De ervaring van het verlies van een naaste is het voelen dat je wereld zo is veranderd en verminkt dat ze je vreemd is geworden: hoe moet je je nog in haar bewegen? Onbeholpen gezegd: 'Dit kán helemaal niet.' Want we kunnen ons niet voorstellen hoe we ooit weer onszelf zijn.

Als rouw vooral het gevoel is dat je leven uiteengerukt is, is verdriet dan een egoïstische emotie? Nee. Want rouw betekent dat we niet simpel kunnen onderscheiden tussen onszelf en de ander. Dat verwart ons: huilen we om de dode of om onszelf? Die beide gevoelens zijn niet te ontwarren.

Verdriet is niet egoïstisch, het is juist het beste bewijs dat we een ander op waarde weten te schatten.

Ons leven is verweven geraakt met dat van anderen. Dát raakte me nog het meest tijdens de begrafenis van mijn vader: dat er zo veel mensen in de kerk zaten dat je alleen nog maar kon staan. Mijn vader was geen man met tientallen goeie vrienden. Maar hij was tijdens zijn leven wel deel geworden van het leven van de mensen uit zijn dorp, niet opzienbarend, maar wel genoeg om die mensen naar de uitvaartmis te laten komen om hem te gedenken. Het dorp was een stukje van zichzelf kwijtgeraakt en daar treurden ze om. Ik denk dat die manier van rouwen aan belang inboet. Het verdriet trekt zich terug achter de voordeur en wordt zwaarder te dragen. Veel mensen leven niet meer in gemeenschappen. Als ik doodga, zijn er in de kerk zitplaatsen te over.

Tot slot: filosofie kan ons helpen om anders te reageren op de dood. Volgens Aristoteles kun je over een leven pas zeggen dat het goed is, als het door de dood is beëindigd. Die kans heb ik gekregen: door de abrupte dood van mijn vader kon ik diens leven overzien, naar het geheel kijken en zeggen: het was goed. In elk leven kom je missers en tegenvallers tegen, net als successen. Bij mijn vader put ik er troost uit dat zijn levensverhaal goed is afgelopen. Misschien mis ik een paar hoofdstukken, maar het verhaal heeft een happy ending. Voor de hoofdrolspeler geldt: beter een goed kort verhaal dan een ellendig lang drama.

Het had heel anders kunnen lopen. Magere Hein kan zomaar een punt zetten achter een akelig leven, zonder zich om de plot te bekommeren. Daarom vind ik dat humanisten moeten uitkijken met hun stelling dat je goed en gelukkig kunt leven zonder God. Dat kan wel, maar het omgekeerde komt ook voor, en dat gebeurt maar al te vaak. In dat geval biedt de filosofie met haar stelling dat het lijden na de dood over is, een wel erg schrale troost.

Ik denk dat de dood het einde is. Toch vermoed ik dat veel van wat ik hierboven heb genoteerd, herkenning oproept bij mensen die wel in een hiernamaals geloven. Je hoorde laatst dat konijnen in een vossenhol geen atheïst zijn. Wie de dood in de ogen kijkt, zoekt al snel houvast bij het transcendente. Ik moet zeggen: voor mij gaat dat niet op. En zelfs als het wel zo was: bij begrafenissen kom ik ook weinig theïsten tegen. Als gelovigen rouwen, dan merk ik niet dat ze hun verlies opvatten als een tijdelijk ongemak.

Omdat mijn vader dacht dat er na het leven nog wel iets moest wezen, zou hij het oneens geweest zijn met wat ik hierboven heb geschreven (al zou hij de poging om eerlijk antwoorden te zoeken, hebben gewaardeerd). Wie er ook gelijk heeft, zijn overlijden herinnert me eraan dat zelfs de slimste filosofie niet kan verhoeden dat we uiteindelijk worden weggevaagd - meestal in een staat veraf van verlichting. Een goed leven leiden, een rol spelen in het leven van anderen, daarmee moeten we het doen. En de enige filosofie die die erenaam verdient is het denken dat ons daarbij helpt.

We blijven rouwen, ook als de grafmuur is dichtgemetseld, de kist verbrand, de as verstrooid. Wat ons te doen staat is mooie hoofdstukken aan ons levensverhaal toevoegen, en een enkel woord, een hele alinea misschien aan de biografie van anderen.

We hebben geen zekerheid dat de bestierder van het lot ons levensverhaal niet zal verzieken door er een gruwelijk slot aan te draaien. Maar we hoeven die ploert daarbij geen handje te helpen.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Aeon Magazine: www.aeonmagazine.com, twitter: @aeonmag

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden