Kunnen de buren ons horen?

Het Nationaal Integratiediner laat werknemers van schoonmaakbedrijven sinds 2011 al proevend kennismaken met elkaars cultuur. Vandaag wordt op 200 werkplekken de vijfde editie van het diner gehouden. Trouw-journalist Peter Henk Steenhuis sprak met schoonmakers en noteerde hun recepten.

Vanessa Creton uit Suriname Maakt schoon op Schiphol, Amsterdam

Opa en oma waren 37 jaar bij elkaar. Maar opa Sjors was niet mijn echte opa. Hij heeft mijn oma in huis genomen en met alle liefde van de wereld behandeld. Op zijn sterfbed is hij nog met haar getrouwd, waardoor het huis naar oma ging. Zijn kinderen keken niet naar hem om. Ik hoorde van zijn dood toen ik aan het werk was op een kantoortje. Mijn mobieltje spelde de woorden: 'Opa Sjors overleden'. Een paar dagen daarvoor had ik hem nog gesproken. Via de telefoon, omdat ik al in Nederland woonde en hij in Paramaribo zat. Ik kon hem nauwelijks verstaan, hij was hees en had een heel hoge stem, als een meisje. Ik schrok daarvan en moest van de zenuwen lachen, niet wetende dat hij vier dagen later dood zou zijn. Mijn oma en opa waren altijd samen. Elke zondagavond, als hij naar de kerk was geweest, kwam hij Kentucky Fried Chicken brengen, van een winkeltje in de buurt. "Acht uur", zei mijn moeder dan, "ga de borden halen." Bij ons thuis was het altijd hectisch. We woonden allemaal in een huis, mijn moeder met haar drie zussen en al hun kinderen. Belangrijkste vraag van de dag: voor hoeveel mensen koken we? Soms moest er voor zestien man gekookt worden. We aten 's middags na schooltijd, om 13.00 uur. Ik zorgde dat ik er vroeg bij was, anders bleef er niets over en moest je de pot leeg schrapen.

Mijn vader leerde ik pas kennen toen ik twaalf was. Het ging heel terloops, mijn moeder en ik liepen op straat en opeens zei ze: "Kijk, daar loopt je vader." Voordat mijn moeder naar Nederland ging, heeft ze mijn vader opgezocht. "Ik ga naar Nederland. Je kent je dochter, je moet financieel voor haar zorgen." Dat heeft hij gedaan. Toen ik mijn vader net leerde kennen, heb ik mijn best gedaan te laten zien wie ik was: ik ben je kind, kun je van me houden? Mijn vader heeft nooit gezegd: "Ik houd van je."

Op 1 maart 2000 kwam ik op Schiphol aan, in mijn korte broek. Mijn moeder haalde me op, met een vriend. Op weg naar haar huis begon het te sneeuwen. Dat had ik nog nooit gezien. Ik stak mijn arm uit het raam van de auto. "Wat doe jij nou?" vroeg mijn moeder. "Ik probeer de sneeuw op te vangen." Dat lukte niet, wat op mijn hand viel smolt meteen. "We rijden op de snelweg. Je steekt hier je hand toch niet zomaar uit het raam!" "O. Dat wist ik niet." Ik was veertien en wist niets. Alles moest mijn moeder me bijbrengen. Mijn moeder woonde in Heemskerk, in een flatgebouw. Ik wist niet wat ik zag toen ik aankwam; in Paramaribo woonden we met z'n allen in een huis. "Kunnen de buren ons horen?" fluisterde ik.

Op vakantie in Suriname ben ik stressvrij. Maar als ik er twee maanden ben geweest, besef ik dat ik van die stress leef en wil leven. Uiteindelijk houd ik niet van stilzitten. Ik ben nu leidinggevende, stap voor stap ga ik omhoog. Ik werk al sinds mijn veertiende. Mijn moeder heeft mij gepusht te gaan werken, niet zwanger te worden. Ik verdien liever geld dan dat ik het uitgeef. Ik ben blij dat ik naar Nederland ben gekomen. Als ik achtergebleven was, zou ik niet het leven kunnen leiden dat ik nu heb. Ik heb een plan met mijn geld. Mijn moeder is nu 55. Over een jaar of tien zou zij wel terug willen naar Suriname. Wij willen een huis voor haar bouwen.

De laatste tijd hoor ik vaak: "Vanessa, waarom heb jij geen vriend?" Ik wil mij niet binden aan een Surinaamse man. Wat ik heb meegemaakt, houd ik in mijn achterhoofd. Ik weet dat Surinaamse mannen een kind kunnen maken en dan verdwijnen. Dat wil ik niet. Ik vind dat een man zich aan een vrouw moet binden. Ik zeg niet dat Surinaamse mannen moeten veranderen, van mij hoeft niemand te veranderen. Als ze zich niet kunnen of willen binden, blijf ik liever alleen. Of ik ga misschien wel op zoek naar een Nederlandse man.

Ingrediënten (4 personen)

2 kippebouten met bot

250 g kipfilet

olie

1 ui

enkele knoflookteentjes

2 maggiblokjes

blikje knakworstjes

1 blik bruine bonen

1 eetlepel suiker

takje selderij

1 Madame Jeanette peper

1 tomaat in stukjes gesneden

1 eetlepel tomatenpuree

zwarte peper

Als eerste snijd ik de kippenbouten en de kipfilet in stukjes. De kip bak ik samen met de ui, de knoflook, de tomaat, de tomatenpuree, een beetje zwarte peper en de maggiblokjes, die ik er verkruimeld doorheen meng. Als het vlees gaar is snijd ik de knakworstjes in stukjes en voeg ze aan het vlees toe. Ik laat ze 5 minuten meebakken. Daarna voeg ik de bruine bonen, de suiker, het takje selderij en de Madame Jeanette toe. Het geheel laat ik 20 minuten zachtjes sudderen tot het op smaak is. Wel opletten dat de Madame Jeanette niet stuk gaat tijdens het koken, anders wordt het veel te heet.

Ik kook de rijst in een rijstkoker in ongeveer twintig minuten gaar. Serveer de rijst apart.

Ik hoef geen spijt te hebben

Belgacem Chatbouri uit Tunesië Maakt schoon bij poppodium Duycker,Hoofddorp

Toen ik werd geboren, was de oogst uitzonderlijk goed. Daarom noemden mijn ouders mij Belgacem, wat zoiets betekent als 'door welvaart gebracht'.

Ik ben een einzelgänger. Pas toen ik hier in Nederland een bestaan had opgebouwd, ben ik getrouwd. Nu heb ik drie kinderen, een van veertien, een van elf en een kleintje, een nakomertje. Een gezin, dat was altijd mijn ideaal. Vorig jaar wilde ik ze meenemen naar mijn geboortedorp in Tunesië, een gehucht van hooguit twintig huizen aan de voet van de bergen dat genoemd is naar mijn overgrootvader Chatbouri. De huizen hadden er geen sloten, iedereen liep bij elkaar binnen. Toen ik klein was, bestond er geen politie, geen officiële rechtspraak. Een dorpsoudste hield toezicht als er een schaap geslacht werd en het vlees verdeeld moest worden.

In het dorp was geen dokter. De natuur was onze apotheek. De dichtstbijzijnde winkel was in Nasrallah, twintig kilometer verderop. Van mijn ooms en tantes leerde ik de namen van de kruiden en de werking ervan. Bijvoorbeeld de kappertjesplant. Nederlanders kennen kappertjes van de potjes bij de supermarkt. Bij ziekte vermaalde je het blad van de plant een beetje tussen je tanden, waarna je het op je voorhoofd smeerde. Dan verdween de koorts.

Ons dorp lag op de grens van twee rivierarmen: de Oued Zeroud is zoet, en de andere, Oued El Hateb, is zout, niet door de zee maar door het zout dat hij uit de grond meevoert. In de zomer stond het waterpeil van de rivier zo laag, dat je de vissen er met je hand uit kon slaan. Met de glibberige vissen in mijn hand rende ik dan naar huis, waar mijn moeder ze klaarmaakte.

Toen ik een jongen was, heb ik zelf olijfbomen geplant. Het planten van een boom, het verzorgen van een boom, het bezitten van eigen bomen - dat geeft een vervulling die ik later zelden meer heb ervaren.

Een school was er niet in ons dorp, 's zomers en 's winters liepen we tien kilometer heen, tien terug. Vier uur lopen op een dag, 's zomers in de hitte en 's winters in de bittere kou. Ik kon goed leren, in 1979 mocht ik met een studiebeurs gaan studeren. Omdat Tunesië in 1979 bijna bankroet was, ben ik in Bagdad literatuur gaan studeren. Bagdad werd een oorlogsstad toen Saddam Hussein op 22 september 1980 Iran binnenviel. Al snel waren er nauwelijks meer ongewapende jonge mannen te zien. Op een avond liep ik van de universiteit naar huis, toen ik twee met messen bewapende jonge kerels een oude man in elkaar zag slaan. De man bleef voor dood liggen, de jongens liepen doodgemoedereerd weg.

Studeren werd onmogelijk. Ik vertrok naar Turkije, een verademing, ik genoot van de omgang tussen mannen en vrouwen, die veel gelijkwaardiger was dan in Irak. Daarna begon mijn reis naar het noorden, ik moest geld verdienen. Ik kwam in Wenen aan ten tijde van de val van de Muur. Aanvankelijk genoot ik van de stad: Mozart, Haydn, Schubert, de componisten over wie ik zo veel had gelezen, ze leken hier nog op straat rond te dolen.

Maar ik werd gelijkgesteld met de Albanezen, Roemenen, Tsjechen en Hongaren die Wenen binnenstroomden. De sfeer tegenover buitenlanders werd in Oostenrijk grimmig.

Ik trok verder, naar Trier in Duitsland, waar ik veel vrienden heb wonen. Daar heb ik in een restaurant van een groot kuuroord gewerkt. Op een dag zat ik in een wasserette te wachten tot mijn was klaar was. Toen kwam er een familie binnen, man, vrouw, twee kinderen, een ouder meisje en een jongetje. Ze spraken een taal die ik niet herkende, maar die me vanwege de harde klanken onmiddellijk fascineerde. Toeristen die een wasje moesten draaien.

Terwijl de vrouw bezig was met de was, kregen de kinderen ruzie. De man, een grote lange man, strafte niet, hij werd ook niet kwaad. Hij ging door zijn knieën, op zijn hurken trok hij de kinderen naar zich toe, om de ruzie uit te praten. Naar dat land wilde ik toe.

Het duurde lang voordat ik in Nederland een bestaan kon opbouwen. Ik heb geen spijt van die jaren. Ik hoef geen spijt te hebben, ik heb mijn principes, geld heb ik nooit geleend, schulden niet gemaakt. Ik heb gewacht tot ik een vaste betrekking had als schoonmaker voordat ik een gezin gesticht heb.

Vorig jaar zijn we naar Tunesië geweest. Naar Tunis, waar mijn moeder nu woont. Ons dorp bestaat niet meer. Er is een stuwdam aangelegd, in Sidi Saad. Daardoor is het waterpeil zo gestegen dat de huizen zijn ondergelopen. Toen we bij mijn moeder waren, werden de kinderen ziek. Hopelijk lukt het me de komende jaren mijn kinderen mee te nemen naar mijn geboortegrond. Een paar bomen, die ik op een hoger gelegen plek had geplant, staan er nog. Die wil ik mijn kinderen laten zien.

Tunesische couscous

Ingrediënten

7 verschillende groenten, bijvoorbeeld ui, wortel, courgette, tomaat, pompoen, paprika, aardappel, spitskool, prei

lamsvlees (als er geld voor is)

olijfolie

peper en zout

knoflookteentjes in de schil

laurierblaadjes

komijnpoeder

couscous

Ik kies voor deze couscous de smakelijkste groenten die ik kan vinden. Alleen geen aubergine. In tegenstelling tot de Marokkanen gebruiken we die in Tunesië niet voor dit gerecht.

Snipper een paar uien en snijd het lamsvlees in stukjes. Fruit de uien in wat olijfolie. Voeg het lamsvlees toe met peper en zout en bak het ongeveer 15 minuten mee. Roer het komijnpoeder erdoor, knoflook en laurierblaadjes. Giet er heet water op tot alles net onder staat. Breng aan de kook en draai het vuur laag. Leg het deksel op de pan.

Voeg na 15 minuten de harde groenten toe, in blokjes gesneden. Als het vlees bijna gaar is doe je de zachte groenten, in blokjes, erbij. Stoom de couscous gaar boven de pan met saus.

Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis: Broodje heimwee; twaalf schoonmakers op zoek naar een verloren tijd; uitg. Gibbon; 128 blz., 12,50 euro. Trouwlezers kunnen het boek met 2,50 euro korting kopen in de boekhandel onder vermelding van code 502-73430.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden