Kuifje in ontwikkelingsland

Helpt ontwikkelingshulp wel? Ja, riep het kleine particuliere initiatief zelfverzekerd. Volgens dr. Lau Schulpen, die voor het eerst onderzoek heeft gedaan naar de effectiviteit van particuliere hulpprojecten, valt het nodige op die claims af te dingen.

Han Koch

Op het speelveld van ontwikkelingshulp heerste afgelopen jaren een zekere rust. Grote organisaties voor ontwikkelingshulp vielen de kleine particuliere initiatieven niet af uit vrees dat al te veel kritiek als een boemerang zou werken. De kleine organisaties mochten zich zonder grote tegenstand afzetten tegen wat zij noemden de grote logge organisaties waar veel aan de strijkstok bleef hangen. Het staakt-het-vuren op de chari-markt lijkt voorbij nu dr. Lau Schulpen van het Centre for International Development Issues (Cidin) van de Radboud Universiteit Nijmegen voor het eerst onderzoek heeft gedaan naar de effectiviteit van het particulier initiatief.

„Als over particulier initiatief werd gesproken, leek het of je daar slechts voor of tegen kunt zijn. De discussie werd gevoerd op basis van – ik zou bijna zeggen – onderbuikgevoelens”, verklaart Schulpen zijn keuze voor onderzoek naar de kleine hulp.

Ruim 250 organisaties die actief zijn in Ghana en Malawi werden aangeschreven. Grofweg de helft reageerde en op basis daarvan stelde Schulpen een representatieve steekproef samen van 35 organisaties. Waarom Ghana en Malawi? Omdat daar veel kleine Nederlandse hulporganisaties actief zijn.

De kleine organisaties – naar schatting tussen de 6000 en 15.000 in Nederland – claimen effectiever en efficiënter te werken dan de grote traditionele organisaties. Er zou minder aan de strijkstok blijven hangen en het directe contact met de doelgroep zou garant staan voor een kwalitatief betere hulp.

„Ik denk dat op die claims veel is af te dingen’’, vindt Schulpen. „De grote clubs zijn het meest geëvalueerd. Als je kijkt waar zij op afgerekend worden dan is dat niet mis. Bij de particuliere initiatieven wordt naar mijn mening te weinig geëvalueerd. Zij hebben geen evaluaties. En verantwoording afleggen gebeurt vooral met nieuwsbrieven waarin wordt gemeld hoe het met een bepaalde persoon gaat, wie met wie gesproken heeft. Maar er wordt niet gemeld wat de activiteit nu werkelijk voor de doelgroep heeft betekend. Ze kunnen ook niet zeggen wat de impact is, omdat ze geen onderzoek doen.”

Het beeld dat de organisaties van zichzelf geven is niet conform de werkelijkheid, vindt Schulpen. Een nogal schokkend voorbeeld van het oppoetsen van het imago ten bate van de fondsenwerving is een particulier initiatief in Ghana. De Nederlandse organisatie werkte daar met 13 andere aan een project voor straatkinderen. Op de eigen site werd echter gedaan alsof de Nederlandse organisatie de zaak in haar eentje runde. Over de andere partners werd met geen woord gerept. „Dat lijkt dus sterk op het vlaggetjes planten ten dienste van het ophalen van geld. Iedereen heeft de neiging om vooral te laten zien wat ze in positieve zin doen. Er wordt zelden tot nooit aangeven dat er ook zaken helemaal niet zo goed gaan. We zijn met een ontwikkelingsproces bezig. Dus is het helemaal niet zo vreemd dat er zaken niet goed gaan. Maar wees daar eerlijk over. Ik denk dat we geen goed beeld hebben van het particulier initiatief. Eigenlijk geen beeld, eerder een gevoel. Dat gevoel is gebaseerd op het vertrouwen dat mensen iets goeds doen. Maar waar dat vertrouwen op gebaseerd is, weet ik niet.’’

De heersende doctrine in de hulp is dat de verantwoordelijkheid voor het proces ligt bij degene die de hulp krijgt. Ook hier is de werkelijkheid niet conform die doctrine. Volgens Schulpen wordt vaak geleverd wat de partner wil, maar dat is niet identiek aan de wens van de mensen in de doelgroep. Wellicht het meest schokkende voorbeeld is dat van twee Amerikanen die naar Ghana kwamen om mensen te leren zeep te maken. De hulporganisatie die de twee Amerikanen in de arm nam zei dat ze marktonderzoek hadden gedaan. „Ik heb grote twijfels of ze wel de capaciteiten hebben om dat onderzoek uit te voeren. Ze gaan dan 100 mensen trainen in een dorp. Ze beloven van alles. Je maakt mij niet wijs dat op een markt waar al zo veel zeep te koop is, nog ruimte is voor 100 mensen in een dorp.’’

De doelgroep nadrukkelijk betrekken bij het project, het lijkt een open deur. Desondanks moet Schulpen constateren dat dat veelal achterwege blijft bij de onderzochte projecten. Dat leidt ertoe dat projecten op de lange termijn niet beklijven. Schulpen ziet dat er vaak op korte termijn wel wordt geprofiteerd van de goederen en diensten die worden geleverd. De meeste onderzochte projecten lopen echter een groot risico dat op langere termijn weinig overblijft van de inspanningen. „Ik zou de hulp bijna structurele noodhulp willen noemen. Dat is echter iets anders dan echte armoedebestrijding.’’ Schulpen betwijfelt zeer of de hulpverleners wel weten waar ze aan beginnen. ,,Als je activiteiten ontplooit voor andere mensen dan intervenieer je in hun leven. Dat moet je zo professioneel mogelijk doen. En als je daar niet toe in staat bent dan moet je je afvragen of je daar mee door moet gaan. Veel mensen denken dat ontwikkelingswerk niet zo heel erg moeilijk kan zijn. Iedereen kan een school bouwen, zelfs ik, maar daar gaat het niet om. Het gaat om onderwijs op lange termijn. En die school moet je niet zelf bouwen of met Nederlandse vrijwilligers, maar met lokale mensen.”

Als er zoveel kritiek is, wat doen we daar dan met particulier initiatief? Schulpen: ,,We doen daar ’goed’. En dat levert een goed gevoel op. We leveren een aantal zaken, maar we dragen nauwelijks bij aan een duurzame armoedebestrijding.”

De relatie tussen hulpverlener en hulpontvanger is cruciaal voor het slagen van de missie. Vertrouwen en wantrouwen, beide trof Schulpen aan. De groep waaraan hulp werd verleend werd vaak met wantrouwen tegemoetgetreden, constateerde hij. De hulpgever had veelvuldig het idee ,,dat ze de mensen nog alles moesten uitleggen en leren. Zij moeten die tent eigenlijk runnen, want de mensen uit de doelgroep kunnen dat niet. De hulpgevers hebben de houding dat die andere cultuur zo anders is dat je daarmee het project niet kunt runnen. Dat vind ik op zijn minst een paternalistische houding en af en toe komt dat dicht bij een neokoloniale houding.”

De claim dat kleine organisaties nauwelijks overheadkosten maken en dat bij hen niets aan de strijkstok blijft hangen is niet waar te maken en de discussie over die strijkstok moet wat Schulpen betreft snel voorbij zijn. „Bij de traditionele ontwikkelingsorganisaties zijn veel regels over hoeveel geld je mag besteden aan salarissen, reizen etc. Ze houden zich aan die regels. Ze worden daar ook op afgerekend. Het kleine particuliere initiatief zegt veel minder overheadkosten te maken. Zij zeggen dat ze 98 procent van het geld besteden aan het program. Formeel hebben ze daarin gelijk. Maar die mensen gaan gemiddeld anderhalf keer per jaar naar het land. Die vliegkosten betalen ze zelf. Ze werken daarbij vaak ook nog twintig uur per week voor het project. Dat zijn ook kosten. En die zouden meegeteld moeten worden. Het gepraat over strijkstokken leidt niet tot samenwerking. Het zou beter zijn als de organisaties elkaar opzoeken in plaats van zich van elkaar te distantiëren. Het particulier initiatief leeft veel te geïsoleerd. Dat is van belang om je te profileren op de chari-markt. Maar als je er zo naar kijkt doe je iets fout. Dan stellen we het belang van de positie op de chari-markt boven het proces in de ontwikkelingslanden.’’

Uit het onderzoek blijkt opmerkelijk genoeg ook veel waardering van Schulpen voor de tomeloze inzet van de hulpverleners. ,,Ik heb veel mensen gesproken die naast hun gewone werk twintig uur per week besteden aan de hulp. Het zou aardig zijn als die mensen nu leren de dingen iets anders te doen en hun project koppelen aan andere organisaties. Dat kan de winst van de discussie zijn. ’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden