'Kuieren scherpt mijn geest' Joyce-kenner Brendan Kennelly komt uitleggen wat Dublin voorstelt

DUBLIN - Ik zou hem wel herkennen, had hij door de telefoon gezegd. “Ik lijk op een aardappel.” Dat hij niet de enige Dubliner is die deze gelijkenis vertoont, ondervangt hij door zichzelf als een “smakelijke pieper” te omschrijven. Brendan Kennelly: dichter, toneelschrijver en hoogleraar moderne literatuur aan Trinity College. Deze week is hij voor een aantal lezingen in Nederland.

Kennelly is niet bepaald het type dat de kat uit de boom kijkt. Nog voor we elkaar een hand hebben gegeven, begint hij een tirade over de grootste rampen van de twintigste eeuw. “T en T”, zegt hij samenzweerderig. De 58-jarige schrijver heeft het over transport en televisie. Fel: “Vervoer en televisie verbergen een stad. Ze overschaduwen het leven en verdoezelen de mensheid. Al die mensen in hun autootjes, net alsof ze op weg zijn naar iets belangrijks. Transport is gewoon een metafoor voor levensdoel geworden. Pure tijdverspilling. Net zoals televisie. Ik zou verslaafd zijn als ik die treurbuis in mijn grot zou tolereren. Want hoe verschrikkelijker de programma's, hoe groter de aantrekkingskracht.”

De Ierse dichter en toneelschrijver is meer een man van de benenwagen. Vol trots meldt hij dat zijn wandeltochten zich uitstrekken over vier verschillende, Dublinse postcode-gebieden. “Ik loop niet, ik slenter. Het liefst 's morgens heel vroeg, als de stad nog niet is overgenomen door het verkeer. Kuieren scherpt mijn geest, omdat ik dan tijd heb om een praatje te maken met de mensen die ik tegenkom. Een typische Dublinse gewoonte”, verklaart Kennelly. “Dublin is de stad van zwalkers en zwetsers.”

De eerste lezing die Kennelly geeft in Nederland - vanmiddag in de Vrije Universiteit in Amsterdam - gaat over zijn grote liefde voor Dublin, de stad waar hij als student veertig jaar geleden kwam wonen en die hij nooit voorgoed heeft kunnen verlaten. “Volgens de Ierse schrijver Brendan Behan is Dublin een prachtige stad om een ansichtkaart uit te ontvangen. En Bernard Shaw noemde de Ierse hoofdstad één groot krankzinnigengesticht”, schatert Kennelly. “Ik beschouw mijzelf daarom als een representatieve idioot die een gestoorde gospel over Dublin komt verkondigen.”

De Ierse hoogleraar wil het in Amsterdam vooral hebben over hoe Dublin werd en wordt gezien door schrijvers als James Joyce, Samuel Beckett, W. B. Yeats, Edna O'Brien en Roddy Doyle. “Ik wil de metropool en het dorp Dublin blootleggen.” Gedreven: “Dublin als stad van de expressie. Ierse schrijvers zijn de kampioenen der vertelkunst. Zij kennen als geen ander de Ierse connectie tussen expressie en depressie. Schrijven is dè Ierse manier om bij jezelf te rade te gaan.”

Kennelly verhaalt over een lezing in Waterford, waarbij een van de bezoeksters trillend een eigen gedicht over misbruik voordroeg. “Nadat ze het gedicht had voorgelezen, bibberde ze niet langer. Dat is de functie van schrijven; angst vervangen door zelfvertrouwen. Het vervormen van verwarring in een prachtige duidelijkheid. De vorm daarbij is heel belangrijk. Juist omdat de Ierse conversatie altijd totaal belachelijk is. Zet een Dub in een pub en hij denkt dat hij expert is in ieder onderwerp dat wordt besproken. Hij vertelt niets over zichzelf en kletst uit zijn nek. Daardoor zijn Ierse schrijvers zo geobsedeerd door vorm. Van Joyce tot Doyle, vorm is de enige manier waardoor zij hun ideeën op papier kunnen krijgen.”

De hoogleraar moderne literatuur noemt James Joyce en Roddy Doyle vaak in één adem. Hij vindt dat Doyle, net zoals de schrijver Patrick McCabe, de ideeën van Joyce over de gespleten Ierse mentaliteit verder uitwerkt. “In 'Ulysses' wordt overduidelijk dat Ieren schizofreen zijn. Ze geven je het gevoel dat ze om je geven, maar denken geen seconde aan je, als je buiten beeld bent. Doyle maakt duidelijk dat iedereen uiteindelijk wordt teruggeworpen op zichzelf. Hij begrijpt de breekbaarheid en de kracht van de individualist. McCabe doet hetzelfde, alleen spelen zijn verhalen op het platteland en niet in de stad.”

Brendan Kennelly barst regelmatig uit in een bulderende lach, als hij praat over zijn landgenoten. En noemt Ieren zeer fascinerende wezens. “Als Ier kun je jezelf ontwikkelen tot de meest kleinzielige klootzak van de wereld, maar je kunt ook uitgroeien tot een onbevangen geest die zich continu informeert. Ik heb een kleinzielige, katholieke mentaliteit. Ik ben bang voor de hel. Bang voor seks, eigenlijk bang voor alles dat God verboden heeft.”

Hoewel hij zeer afkerig is van het Ierse katholicisme, “niet intellectueel, het geloof van de weerstand en corrupt”, is Kennelly zeer geïntrigeerd door katholieke verhalen en vereringen. “Het katholicisme is een geweldig geloof voor dichters. Als katholiek leer je dat op alle vragen antwoorden zijn. De werkelijkheid is daardoor altijd overzichtelijk. Een dichter weet dat antwoorden niet heilig zijn en dat zet hem of haar tot nadenken.” Breed grijnzend: “Dat maakt dichters tot priesters zonder boordje.”

Een Amerikaanse recensent vond Kennelly's dichterlijke zoektocht naar het verraad van Judas, in 'The book of Judas' (1991), minder typerend voor een zwartrok. “Hij noemde mij de Rushdie van het Iers katholicisme”, zegt Kennelly geamuseerd. “Ik wilde in dat heldendicht onderzoeken of zaligmaking ooit had kunnen bestaan als er geen Judas was geweest.” Bijna tien jaar daarvoor riep de schrijver eenzelfde soort reacties op met zijn dichtbundel over de Britse overheerser Cromwell. “Ik onderzocht toen de waarheden van een ander Iers geloof: het nationalisme.”

Passie

Op dit moment houdt Kennelly zich met geen van beide, typisch Ierse zaken bezig. Hij heeft net, in navolging van zijn toneelbewerkingen 'Antigone' (1986), 'Medea' (1988) en 'The Trojan Women' (1993), een nieuw toneelstuk geschreven. 'Bloodwedding', luidt de titel. “Een stuk over aantrekkingskracht en passie als tegenpolen van structuur”, vertelt de maker. Daarnaast is hij bezig met een nieuwe dichtbundel. “'Poetry: my ass', wordt de titel. Iedereen zeikt zo dat ik te veel tijd spendeer aan dichten, dat ik dat een perfecte naam vindt voor mijn nieuwe bundel.”

Brendan Kennelly vindt het tijd voor de lunch. Tijdens de wandeling van de docentenkamer naar de eetzaal van Trinity College wijst hij naar zijn kamer. “Ik woon al jaren op de campus. Raar? Nee hoor, ik doe precies wat ik wil. Ook al beschouwen velen mij misschien als de dorpsgek van Dublin. Ik zie daar de humor wel van in. Ik heb het hier naar mijn zin; deze omgeving bruist van de intellectuele energie.” Kennelly groet mensen en ratelt ondertussen onverstoorbaar door. “Ken je dat verhaal over die Dubliner die zijn kinderen weigerde te zien?” Hij staat midden op het plein en vertelt met veel armgezwaai de anekdote. Het is geen verrassing dat de studenten hem tot de beste lector van de universiteit hebben verkozen.

Kennelly spreekt vanmiddag om 13.45 uur op de Vrije Universiteit in Amsterdam. 's Avonds (20.00 uur) houdt hij een lezing over Samuel Beckett bij de Amsterdamse stichting Perdu, Kerkstraat 31. Morgenavond is Kennelly te zien in de Haagse kunstkring, Denneweg 64 en vrijdag zal hij spreken in het LAK-gebouw van de Rijksuniversiteit in Leiden, aanvang 15.00 uur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden