Kruipen naar de afgrond

Waar een mens al niet bang voor kan zijn: voor boeken (bibliofobie), voor blijdschap (cherofobie) of voor preken (homilofobie). Zulke fobieën laten ons doorgaans met rust, maar veel angsten van dichter bij huis gaan zelfs mee op vakantie. Een serie over zomerangsten die u dit jaar weer om het hart zullen slaan. Aflevering 6: de afgrond.

Het went, bovenop een driedelige uitschuifladder. Je kunt je gaan verbeelden dat diepte je niet raakt. Maar fiets dan eens naar Cardo, een kuuroord op negenhonderd meter hoogte boven de rivier de Ebro. Daar gunde ik mezelf een te goed uitzicht op de dood. De laatste paar honderd meter van de weg ernaartoe liggen tegen de bergwand geplakt, rechts gaapt de afgrond. Het afschermende randje was weggeslagen -een ongeluk?-, waardoor de scheiding tussen leven en dood er het wiskundige ideaal benaderde van de lijn zonder dikte. Nooit meer!

Nooit zal ik meer dagdromen: ,,Zonder bungee jump ben ik niet op vakantie geweest.' Ik zou commentaar verdienen uit de dierenhoek: ,,Hoor hem, nog in Cardo geweest onlangs? Geeft niet, wij weten dat ook de grootste durfals het genot van die waaghalzerij putten uit hun aangeboren angst ervoor.'

Hier spreken een geit, hond, rat, schildpad, kuiken, lam, varken en eend. Ze waren er allen bij, evenals een aantal mensenkinderen, toen in 1960 de psychologen Gibson en Walk een experiment met hoogtevrees deden.

De deelnemende kinderen en dieren waren in de fase waarin ze amper konden lopen, maar dat was de bedoeling, om vast te stellen wanneer de angst voor diepte ontwaakt. Dat weten dieren zo wel: wie naar een afgrond kan kruipen, kan naar beneden kieperen, dus vanaf het moment dat je vooruit kunt komen, wordt hoogtevrees je redding.

Zo'n twaalf procent van de mensheid huivert dagelijks om hoogtes, zeker sinds we de hemel in bouwen. Gnuif daar niet om, zo stoer deden we het niet in het experiment van Gibson en Walk. Zij gebruikten een bak bedekt met een stevige glazen deksel, en daar weer overheen in het midden een plank. De bodem van de bak, een halve meter diep, was beplakt met ondoorzichtig blokjespapier, de plank ook, én één helft van de glasplaat, zodat de bak van bovenaf gezien ogenschijnlijk een veilige en een onveilige, diepe kant had. Een voor een werden de deelnemers op de plank gezet.

Eerst was het de beurt aan peuters van zes tot veertien maanden om vanaf de plank naar hun moeder te kruipen, die soms hier, soms daar stond te wenken. 27 kinderen durfden wel over de 'veilige' kant naar hun moeder gaan, maar slechts drie van hen waagden zich over het niet-beplakte glas als moeders van over de 'afgrond' riep. De rest sloeg met de handjes op het glas om te ontdekken of het sterk genoeg was, maar durfde niet. Dikke tranen, maar moeder bleef buiten bereik. Ook de kleinsten, die amper konden kruipen, toonden zich angstig. Hoogtevrees is er bij ons op tijd bij.

Bij kuikens ook. Binnen een dag aarzelden ze geen moment en sprongen steevast van de plank op de behangen helft van het glas. Ze moeten wel, want kuikens scharrelen al heel vroeg op zichzelf. Hetzelfde gold voor geitje en lam, die zich binnen een dag niet meer vergisten. Als ze expres op het open glas werden gezet, verstijfden ze, voorpootjes gestrekt, achterpootjes gekromd. Zo kon je ze over het glas voorduwen tot hun kopje boven de plank kwam en ze de kuil niet meer zagen: dan gingen ze zelf.

In een verbeterde versie van de bak konden Gibson en Walk de vloer omhoog en omlaag bewegen: het geitje, lam en een jonge poes konden ze zo laten verstijven of weer door laten huppelen, al naar gelang de vloer naar beneden of omhoog kwam. Een ratje trok zich van diepte niets aan zolang het vanaf de plank met de snorharen het glas kon raken. Een rat is een nachtdier, die voelt de diepte. Minder duidelijk waren de verrichtingen van de schildpadden. Drie op de vier gingen op veilig, de vierde maakte het niet uit. Het eendekuiken daarentegen haalde de vleugels op en waggelde net zo makkelijk over glas als papier heen.

Om diepte waar te nemen moet je eerst leren zien, toonden Gibson en Walk aan bij dieren die in het donker opgroeiden. We zien diepte trouwens niet alleen aan het gapende gat beneden, maar ook aan de snelheid waarmee dingen om ons heen bewegen. Dieper maakt trager: bij goed zicht vanuit een vliegtuig lijkt Frankrijk onder je nauwelijks op te willen schieten.

Angst voor hoogte is aangeboren, dat kun je bij peuters van 7,5 maand al aan de hartslag meten. Hippocrates schreef er reeds over: we kijken allemaal schijterig over de rand. Maar waarom schuifelen erge lijders aan acrophobia in een oplopende collegezaal al schoorvoetend naar beneden? Geen idee, concludeert psycholoog Ross Menzies in Phobias (ed. Graham Davey) na ondervraging van 148 acrofobici, voor wie alles in het leven te hoog was. Nooit was hun iets engs op dat gebied overkomen, hun leven lang al waren ze als de dood voor de diepte geweest. Van 'direct associatief leren', zoals de psycholoog dat noemt, was dus geen sprake. En ze hadden zich de angst niet laten aanpraten, wisten ze zeker.

Wat helpt er dan nog tegen? De hoogte overdrijven, ontdekte een behandelaar: hij liet zijn cliënten door een omgekeerde verrekijker naar beneden turen om de vrees verder uit te diepen. Het hielp; zonder kijker viel het daarna alles mee. 'Verkleinen' of juist 'uitvergroten' is hier het probleem, schrijft de psycholoog S. Rachman in Anxiety: angst is de uitkomst van een aftreksom, 'gevaar min veiligheid'. Fobici neigen daarbij het gevaar te overschatten en hun veiligheid te onderschatten. Klopt, beaamt Menzies. Bij zijn proeven met een ladder dachten acrofobici niet alleen veel hoger te staan dan ze stonden, ze schatten de kans om te vallen absurd in, om over hun beschrijvingen van de bloederige gevolgen maar niet te spreken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden