Kroon, De Boer en mijn vader: welk een tragische, paradoxale vriendschap tot het einde

“Wanneer ik het onderwerp van het joods-christelijke gesprek overzie, de meer dan 200 leerhuizen, de debatten over Ter Lindens hervertelling, de erkenning van Israël, dan denk ik met weemoed terug aan de sprankelende en weerbarstige dagen in de huiskamer van mijn jeugd.” Awraham Soetendorp is rabbijn van de liberaal-joodse gemeente in Den Haag.

RABBIJN JACOB SOETENDORP

Er waren gelukkig meer die ijverden voor het gesprek in die pioniersdagen, Kees Rijk, Jan van Goudoever, H. J. Kater, ds. Buskes, maar de kern vormden deze 'Titaantjes van de ontmoeting', die praatten, lachten, dronken tot diep in de nacht, de vaste gasten aan onze tafel op sjabbat en feestdagen. Piet de Boer, de lange professor, die vol scherpe humor de Barchem-weken leidde in het Woodbrookershuis. Tom Ramselaar, de monseigneur die nooit bisschop is geworden, omdat hij 'te joods' was. De gulle verteller, mijn latere makker in de strijd voor joden in de Sovjet-Unie. Maar het meest lief had ik Kleis Kroon. Zijn lange, slordige gestalte, zijn schokkende lach, zijn overweldigende hartelijkheid. Als ik hem hoorde spreken, dacht ik aan Mozes. Van Mosje wordt gezegd dat hij 'zwaar van mond en tong' was, en Kleis worstelde letterlijk met woorden. In het vuur van zijn betoog bleven lettergrepen steken in zijn keel, kon hij de bewegingen van zijn hoofd niet controleren. Daarin was hij zo tegengesteld aan mijn vader, de man van het woord met profetische retorische gaven.

Ik las van tijd tot tijd het blad bekirbenoe, in ons midden. Wat een titel! De meest intieme vraag die het joodse volk aan de Allerhoogste stelde bij de 'wateren van ruzie' was: “is G'd bekirbenoe, in ons midden of niet. Het gaat niet om de G'd van abstractie, van de filosofen, maar of de Altijd Zijnde, de G'd van de ervaring merkbaar is in ons midden, placht mijn vader steeds te zeggen. En elke keer als wij aan het eind van het bensjen, het gebed na de maaltijd, in ons gezin andere dan de gebruikelijke zinnen zongen, voelde ik de spanning van G'd die er altijd is, maar toen niet was. Wij zongen niet meer: “Ik ben jong geweest en ben oud geworden, maar heb nooit gezien dat een rechtvaardige in de steek is gelaten wiens kinderen moesten bedelen om brood.”

Bekirbenoe, daar gaat het in essentie om. Het kwam mij niet vreemd voor dat Kleis Kroon juist dit G'dswoord in de mond had genomen. Hij was onze joodse dominee. Ach, wat verlang ik terug naar die uren, doorgebracht in de soeka, gebogen over de teksten van Job, met de traditionele drank sjlibowitsj in de hand. Kleis Kroon, professor David Flusser, en mijn vader.

Hoe je met zoveel vrolijkheid over Job kan discussiëren, ontging mij, maar het gaf mij een heerlijk gevoel. In die dagen leerde ik dat G'd gelukkig humor heeft, hoe zou Hij het anders met ons kunnen uithouden! Het verbod om G'ds naam niet zomaar voor je eigen doeleinden te gebruiken hield niet in dat je niet vrijmoedig over Hem kan spreken. Bij nader inzien was de basis voor deze intieme vertrouwelijkheid zo kort na de oorlog tussen de rabbijn, de dominee en de priester, de houding in de oorlog. Er was een vraag, die wij joden bij een eerste ontmoeting onwillekeurig in stilte stelden en in wezen nog steeds stellen: zouden wij bij hem of haar hebben kunnen onderduiken?

En er gaapte een diepe scheidingslijn tussen hen die goed geweest of fout geweest waren. Kleis Kroon en Pieter de Boer hadden getoond met gevaar voor eigen leven, dat wij bij hen onvoorwaardelijk veilig waren. En het was deze veilige vriendschap die mijn vader bemoedigde om keer op keer over de door historische misverstanden en liefdeloosheid wel vervaarlijk hoog gestegen drempel te stappen.

En wanneer hij dat gedaan had leek hij zich wonderlijk thuis te voelen. Met verbazing sloeg ik hem gade wanneer hij bulderend luid de psalmen meezong. Eens in de hongerwinter even opgedoken had hij een enkele zondagsdienst van ds. Buskes als een oase van solidariteit ervaren. En dat was hij nooit vergeten. Hij werd daarin niet gevolgd door orthodoxe collega's. Integendeel. Hem werd een grenzeloze naïviteit verweten. Op enkele moedige uitzonderingen na, had de kerk zich trouweloos en laf getoond. Toenadering had geen zin, de adder van zending lag nauwelijks verborgen onder het gras.

Mijn vader werd op zijn tocht begeleid door een andere aartsoptimist: Henry van Praag, die begiftigd met encyclopedische kennis voortdurend verbindingen legde tussen de joodse traditie en de andere wereldgodsdiensten. Het leren verstaan van elkaars erfgoed was een voorwaarde voor het realiseren van een wereldorde, verschoond van antisemitisme en rassenwaan. Vanuit deze overtuiging nam hij het initiatief tot het meest ambitieuze project in de geschiedenis van joods-christelijke ontmoetingen, de publicatie van de Phoenix bijbelpockets 'Zoals er gezegd is over.'

Wat het wonderbaarlijke uitgevers-avontuur van De Haan kenmerkte was de snelheid en de intensiteit. De redactie, bestaande uit De Boer, Rijk, Soetendorp en Van Praag legde op indrukwekkende wijze getuigenis af van zijn hooggestelde doel door in 1962 drie delen in één (de schepping, het paradijs, de vloed en de toren) aan het Nederlandse publiek ter lezing aan te bieden, met de belofte gedurende de eerstkomende jaren 18 delen oud testament en 12 delen nieuw testament in een verwoestend tempo van 3 boeken per half jaar te doen verschijnen. De vriendschap, het vertrouwen, de huiselijke omgang in al die jaren hadden vrucht gedragen.

In de verantwoording schrijven zij: “men zou kunnen stellen dat deze uitgave een uiting is van die theoretische naastenliefde (Franz Rosenzweig) die er op uit is om de ander zo goed mogelijk te zien en te begrijpen”. Het joodse element had de voorrang. “De redactie heeft als methodisch uitgangspunt de joodse commentaren gekozen, omdat deze in ons land te weinig bekend zijn en zij historisch de oudste rechten hebben. Meer en meer wordt ook in de christelijke wereld ingezien dat bijbellezing en bijbelverkondiging een dialoog met Israël vooronderstelt. De rooms-katholieke en protestantse redacteuren hebben hun taak dan ook in eerste instantie dialogisch opgevat door aan te knopen bij het joodse getuigenis dat in deze serie vooropgaat.” Deze opvatting betekende een breuk in de lange traditie van het lezen van de bijbel vanuit christelijk perspectief.

Ik heb mijn vader met bewondering aan het werk gezien bij het vertalen. “We mogen nooit vergeten dat de woorden uit tenach het eerst geklonken hebben op het marktplein, ze zijn gericht op het oor,” placht hij te zeggen. Om zo dicht mogelijk bij deze dynamiek te blijven, liep hij urenlang heen en weer door zijn werkkamer terwijl hij de woorden rechtstreeks uit de Hebreeuwse tekst vertaalde, met hard overslaande stem, dan weer zacht gefluister, een oudtestamentische volksmenner.

Hij was Jeremia. “Ge hebt mij verleid, Heer en ik liet mij verleiden. Ge hebt mij aangerand en mij overmeesterd... vervloekt zij de dag waarop ik werd geboren, de dag waarop mijn moeder mij baarde, laat hij niet worden geprezen.”

Er volgde een periode van koortsachtige activiteit, redactieleden liepen in en uit het rabbinaat boven de synagoge aan de Lairessestraat. Nachten werd er doorgewerkt, en de deadlines werden wonder boven wonder gehaald. En alles ging goed, in harmonische samenwerking tot de voorbereiding van deel 7 “zoals er gezegd is over de intocht”, het boek Jozua.

Op een dag kwam mijn vader volledig van slag thuis. Hij had kort tevoren zijn manuscript ingeleverd. Hij was er zelf heel ingenomen mee geweest. In zijn commentaar had hij zich voornamelijk gebaseerd op een net verschenen boek van de Israëlische geleerde professor Kaufmann, 'Gesprekken over het boek Jozua', dat de neerslag vormde van de discussies in een bijbelkring die eenmaal in de twee weken in het huis van minister-president David Ben Goerion bijeen was gekomen. Hij was door het boek verrukt, dit was het ware gezicht van Israël, de politieke leider in filosofisch gesprek met geleerden, archeologen, het permanent leren van dit volk.

Piet de Boer had mijn vader ontboden, er was een razende ruzie uitgebroken. De Boer beschuldigde mijn vader onder de invloed te zijn geraakt van doorzichtige pogingen vanuit Israël om de geschiedenis van Jozua zo te herschrijven dat het paste in de nationalistische, imperialistische doeleinden van de moderne staat Israël. Mijn vader op zijn beurt gaf uiting aan zijn groeiende irritatie over de wijze waarop De Boer Israël bejegende en steeds sterker de kant van de Palestijnen koos. Het leek een definitieve breuk, de voortzetting van het project hing aan een zijden draad. Na tussenkomst van de andere redactieleden, en weken van onderhandelen werd een compromis bereikt. Al in de verantwoording had men geschreven: “De leden der redactie verhelen niet dat zij dikwijls moeite hadden om aan elkaars visie en interpretatie te wennen. Toch bleken er telkens weer voldoende punten van overeenstemming aanwezig te zijn om gezamenlijk verder te gaan.” Mijn vader en De Boer herschreven hun commentaren gedeeltelijk meer naar elkaar toe, maar de stekels bleven.

Hoe sterk moet de genegenheid voor elkaar niet geweest zijn, dat het dit conflict heeft weten te doorstaan. Maar er bleven wel littekens. Kroon nam een verzoenende tussenpositie in. Het project ging verder, maar met minder hartstocht. In het tweede jaar van mijn rabbinale studie ontving ik een depressieve brief van mijn vader waarin hij mij vertelde dat zijn proefschrift 'De binding van Isaac' door een commissie in Leiden was geweigerd. In woedende teleurstelling had hij zijn manuscript blad na blad verscheurd en in het haardvuur geworpen (vele jaren na zijn dood in juli 1976, heb ik nog resten hiervan gevonden). Hij vermoedde dat de weigering werd ingegeven door de onwil van de Leidse professoren bij wie hij wel jaren daarvoor het doctoraal theologie had behaald, om de Israëlische commentaren als wetenschappelijk gefundeerd te beschouwen.

De Boer was niet verantwoordelijk maar had hij wel genoeg gedaan om deze beschamende weigering tegen te gaan? De Boer en Kroon woonden wel onze choepah (huwelijksinzegening) in 1965 bij en waren van tijd tot tijd onze disgenoten. Maar er was wel een verwijdering ingetreden. Israël werd zoveel mogelijk in de schaarser wordende gesprekken vermeden. Omstreeks het uitbreken van de zesdaagse oorlog in juni 1967 kwam de uiteindelijke uitbarsting.

Mijn vader had 'op de stoel bij Mies', een populair tv- programma, het Nederlandse volk opgeroepen om met Piet Nak en hem die een verbond gesloten hadden van de 'slapelozen' te demonstreren tegen de Amerikaanse bombardementen op Vietnam.

Het bestuur van zijn gemeente nam een motie van wantrouwen aan tegen dit eigengereid optreden van hun rabbijn. Dit was niet de reden dat mijn vader daags voor de demonstratie besloot niet mee te doen. Hij was met pijn in het hart tot deze beslissing gekomen, waarvan hij wist dat die door velen niet begrepen zou worden, omdat in die dagen VN-secretarisgeneraal Oe Thant besloten had de VN-troepen uit het grensgebied van Israël en Egypte terug te trekken. Israël werd in haar bestaan bedreigd.

En mijn vader kon zich niet keren tegen de enige bondgenoot die bereid was Israël te verdedigen. Kleis Kroon die zelf tot in zijn vezels met Israël verbonden was - zijn dochter was overgegaan tot het jodendom, was getrouwd en had zich in Israël gevestigd - bleef schrijven over het onrecht Palestijnen aangedaan. Mijn vader en Kroon besloten hun existentiële meningsverschil uit te praten. In het rabbinaat van de nieuwe synagoge aan de Europaboulevard konden de twee kameraden hun emoties niet bedwingen. Zij gingen elkaar bijna letterlijk te lijf met de rauwe verscheurdheid van standpunten. De angst om het voortbestaan van Israël, het trauma van onveiligheid en het principe van rechtvaardigheid, de keuze voor Palestijnen, de manipulatie van de geschiedenis.

Het conflict tussen recht en recht, verpersoonlijkt in de twee bouwers van de toenadering tussen joden en christenen. Juist omdat zij zo intens veel van elkaar hielden, konden zij niet langer het conflict in hun midden aan. De breuk was definitief. Zij spraken elkaar nooit meer. Ook tussen Piet de Boer en mijn vader viel kort daarna het zware zwijgen.

Toen ik omstreeks 1975 op uitnodiging van de studenten van de theologische faculteit in Leiden een lustrum lezing gaf over 'de verhouding tussen Jodendom en christendom' was ook Piet de Boer, inmiddels emeritus hoogleraar aanwezig. Na mijn betoog waarin ik de nadruk legde op de noodzaak om in de theologische studie aandacht te besteden aan de traumata van de overlevenden van de Sjoa, gaf De Boer een reactie.

Hij sprak over de diepe teleurstelling dat mijn vader met wie hij gehoopt had mede vorm te geven aan een universele religie, een inclusief 'unitarianism' toch gekozen had voor het vasthouden aan het oude stamverbond, het particularisme van het jodendom. Hij begreep nu, dat ook ik het particularisme boven het universalisme verkozen had. En hij eindigde met de waarschuwing dat de droom van Zion de nachtmerrie van de Palestijnen zou worden.

Enige weken later bezocht hij plotseling mijn zieke moeder en vertrouwde haar toe dat ik 'zo mooi' gesproken had. Welk een tragische paradoxale vriendschap tot het einde.

In 1969 werd het Phoenix pocketboekproject afgesloten met de publicatie van het dertigste deel. “De redactie verklaart met voldoening dat uit dit initiatief nieuwe initiatieven zijn voortgekomen, het ontstaan van leerhuizen, waar joden en christenen samen met lernen zijn begonnen, de voorbereiding van een grote Engels- en Duitstalige uitgave over de joodse achtergrond van het nieuwe testament.”

Wanneer ik het onderwerp van het joods-christelijke gesprek, waarbij zich gelukkig moslims hebben gevoegd, overzie, de meer dan 200 leerhuizen, de debatten over Ter Linden's hervertelling, de samenkomsten op Jom Hasjoa in kerken, de erkenning van Israël, de iure en de facto en de medeschuld aan het antisemitisme door het Vaticaan, denk ik met weemoed terug aan de morsige, sprankelende, weerbarstige dagen in de huiskamer van mijn jeugd.

Wanneer wellicht spoediger dan wij nu denken in het opengestelde grensgebied van Israël en Palestina door joden en moslims over de teksten van tenach (het boek Jozua) en de koran gelernd zal worden, zal de nagedachtenis van Kroon, De Boer en Soetendorp in het verbond van eeuwigheid worden geheiligd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden