Kröller, de onzichtbare crisiskoning

De Eerste Wereldoorlog maakte sommige Nederlanders steenrijk. Zakenman Anton Kröller voorop. Zijn Park de Hoge Veluwe herinnert aan jaren waarin geld geen rol speelde.

De jachtvelden van Anton Kröller (1862-1941) liggen aan het voeteneinde van zijn stille graf op de Franse Berg. Hier op Park de Hoge Veluwe, ooit zijn privédomein, mocht de zakenman graag jagen met vrienden en bekenden uit de hoogste kringen. Kröller was al rijk toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Maar aan het einde ervan was hij puissant rijk. De 'crisiskoning' werd hij smalend genoemd. Hij had de regering in zijn zak en gaf bovendien geld uit alsof het strooigoed was.

Rijk worden van de oorlog: de krant stond er destijds vol van. De oorlogswinstmakers, vaak O.W.'ers genoemd, waren een favoriet onderwerp voor tekenaars van spotprenten. Ze beeldden graag uit hoe boeren, bankiers en havenbaronnen profiteerden van de nieuwe economische realiteit. De strijdende partijen wilden blijven handeldrijven met het neutrale Nederland, Duitsland voorop. Maar Nederland mocht de andere partij niet bevoordelen. Dat nooit. De bezettingsdreiging bleef.

De Nederlandse zakenelite kreeg tussen 1914 en 1918 de vrije hand van de regering om hiervoor een oplossing te vinden. De publiciteitsschuwe Anton Kröller, een mijnbouwman, grondstoffenhandelaar en reder ineen, speelde hierin de hoofdrol. Tijdens de oorlog zouden hij en zijn vrouw Hélène Kröller-Müller (1869-1939) handelswinsten steken in peperdure nieuwbouw in binnen- en buitenland en de aankoop van enorme stukken Veluwe. Leefden zij niet als koningen?

undefined

Luchtpijp voor Duitsland

Na het uitbreken van de oorlog eind juli 1914 zag de Nederlandse regering zakenmannen als Kröller als een zegen voor het land. Zij hadden de contacten. De Noordzee was oorlogsgebied. Duitsland zag Nederland als 'de luchtpijp' voor in- en uitvoer. De Rotterdamse haven was in de voorafgaande jaren getransformeerd in de hoofdentree voor de Duitse industrie. Handels- en scheepvaartconcern Wm H. Müller & Co., gesticht door Hélènes vader, was het boegbeeld van die ontwikkeling.

Van een vrije doorvoer kon geen sprake meer zijn. De Britten controleerden alle vrachtschepen die naar Nederland voeren. In augustus 1914 stuurde de Nederlandse regering Kröller naar Londen om daar de graanimport te regelen. Kröller was met Hélène eigenaar van Müller & Co, hoofdrolspeler in de wereldhandel in graan, erts en zoveel meer. Bij de Nederlandse regering, destijds nog geen grote bureaucratie, ontbrak het aan diepgaande kennis van de handelswereld.

Het oorlogskabinet-Cort van der Linden moest schipperen om de neutraliteit strikt te handhaven. De geallieerden, vooral Groot-Brittannië, wilden geen doorvoer naar Duitsland. Maar de centralen, met name Duitsland, eisten een 'Luftröhre'. In het innige contact tussen het oorlogskabinet en zakenlieden groeide het plan om handelsmaatschappijen, reders en bankiers zelf exportgaranties te laten verstrekken. Op 23 november 1914 ontstond daartoe de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij (NOT).

Nederland leerde vanaf begin 1915 de 'NOT-goederen' kennen. De aandeelhouders van de NOT, veel Amsterdamse en Rotterdamse havenbaronnen en bankiers, onderhandelden met de Britse regering over de invoer van goederen. 'NOT-goederen' mochten niet naar Duitsland; vrije goederen wel. Op zee werd hierop door de Britten gecontroleerd. In de beslotenheid van de havenvemen kon niemand echter zien of die goederen van merk werden veranderd en werden doorverkocht.

De Nederlandse regering kon officieel de handen vrij houden. De NOT vestigde zich tijdelijk aan de Lange Voorhout in Den Haag in een kantoor van Kröller, waar ook de fameuze schilderijencollectie van Hélène hing. Kröller was wel NOT-aandeelhouder, maar geen bestuurslid. Dat kwam door het Duitse aura om zijn bedrijf. Ook klikte het niet met NOT-voorzitter Karel van Aalst, een dominante zakenman uit Amsterdam. Kröller was sfinxachtig. Zelfs zijn personeel herkende hem amper.

undefined

Gouden jaren

De Nederlandse oorlogseconomie beleefde ondanks voortdurende spanningen en kwesties, gouden jaren. Groot-Brittannië was weggevallen als afzetmarkt voor landbouwproducten. Maar daar waren de beter betalende Duitsers voor in de plaats gekomen. Veel boeren verdienden bakken geld, vooral aan smokkel. Bedrijven in de Amsterdamse haven, die was gespecialiseerd in de Nederlands-Indische import, verdienden nog lang geld aan de koffie-, thee- en tabaksdoorvoer naar Duitsland.

De NOT ontwikkelde zich tot een spin in het web van de Nederlandse economie, stelde historicus Jan Luiten van Zanden. De nationale bankensector kon enorm groeien vanwege de bankgaranties die de NOT eiste van ondernemers die goederen wilden invoeren. Reders verhuurden de schaars wordende scheepsruimte voor steeds meer geld. Door het wegvallen van de buitenlandse concurrentie bloeide de Nederlandse industrie op. Er ontstond schaarste. Prijzen stegen. Kröller ontwikkelde zich tot een soort economisch diplomaat. Private en landsbelangen grepen aan alle kanten in elkaar, schreef Johan den Hertog, Cort van der Lindens biograaf over de NOT-werkzaamheden. Directe zelfverrijking werd nooit aangetoond. NOT-winst ging naar het Koninklijk Nationaal Steuncomité dat armoede en werkloosheid bestreed. Maar Sam van Deventer, de vertrouweling van Anton en Hélène Kröller en hun bedrijfsdirecteur, schreef in 1958, terugblikkend, dat er fors werd verdiend.

In de eerste oorlogsmaanden waren er nog verliezen geweest bij de firma Wm. H. Müller en Co. "Na die periode van stagnatie en verlamming", schreef Van Deventer, "volgden de oorlogswinstjaren en veranderde de toestand radicaal. Ertsen, granen en scheepvaart werden goudmijnen en de firma was daarin gespecialiseerd. Zeker, er werden ook kapitaalverliezen geleden als gevolg van de oorlog, maar het dagelijks bedrijf bracht grote winsten."

Hélène Kröller-Müller, geboren in Duitsland, liet de oorlog in 1914 niet koud. Ze kon slecht tegen het anti-Duitse sentiment dat in Nederland groeide, aldus Van Deventer. Ze werkte tussen oktober 1914 en maart 1915 als vrijwilliger in een ziekenhuis in Luik. Daarna slokte haar project op de Hoge Veluwe de aandacht steeds meer op. Het echtpaar Kröller was al bezig met de aanschaf van percelen. In 1916 kon een groot stuk Hoge Veluwe worden aangekocht van de familie Van Pallandt.

undefined

Jachthuis Sint Hubertus

Tientallen miljoenen guldens stak Kröller op kosten van de zaak in het opkopen en herinrichten van de Hoge Veluwe als jachtdomein. In 1913 nam het echtpaar de vermaarde architect H.P. Berlage in loondienst voor het ontwerpen van het Jachthuis Sint Hubertus, de dienstgebouwen en ook voor het ontwerpen van onder meer het Holland House in Londen. De bouw van het jachtslot begon in 1914, maar duurde door de oorlogsverwikkelingen zes jaar. Geld speelde geen rol.

Terwijl Hélène Kröller-Müller in de oorlogsjaren haar idealen ontvouwde voor een kunstmuseum dat voor iedereen te bezoeken zou zijn, pendelde haar man voor de regering door Europa. Hij moest de belangen van de Nederlandse economie veiligstellen en tegelijk de neutraliteit bewaken. Hij werkte vanuit een eigen commissie. De NOT richtte zich op handelsovereenkomsten met de Britten. Kröller beheerde de profijtelijke relatie met Duitsland en zorgde dat Nederland steenkool kreeg.

De Britten wantrouwden de Duitsgezinde Kröller, maar wisten ook wel dat hij met zijn Batavierlijn de diensten tussen Rotterdam en Londen had onderhouden. Kröllers belangen in mijnen tot in Algerije en Rusland en in de graanhandel in Noord- en Zuid-Amerika zorgden dat hij niet in een Duits hokje te stoppen was. Zijn connecties waren invloedrijk. Kröller was bevriend met prins Hendrik, een jachtliefhebber, en koningin Wilhelmina.

De Duitse duikbotenoorlog ruïneerde in 1917 de scheepvaart op de Noordzee. De NOT kon zonder de steun van de Nederlandse regering, die publiekelijk strikt neutraal wilde blijven, niet langer een vuist maken tegen de inmiddels wurgende Britse exportrestricties. Het kabinet besloot de NOT te passeren en een eigen exportorganisatie te stichten, de Nederlandsche Uitvoer Maatschappij (NUM). Kröller leidde een distributiecommissie en werd ingezet als internationaal onderhandelaar.

In Nederland ontstond voedselschaarste. Het waren de jaren van het aardappeloproer in Amsterdam en de komst van de eenheidsworst. Voeding ging op de bon. Het verschil tussen rijk en arm groeide. De Veluwse weelde van de Kröllers werd steeds opzichtiger. In 1918 nam Müller & Co zelfs afstand van de winstgeruchten. In de Tweede Kamer noemde de liberaal Boudewijn Nierstrasz, een collega-reder, hem 'crisiskoning'. Niet de ministers regeerden, maar die onzichtbare koning: Kröller.

undefined

Nationalisatie

Na de oorlog bleef de Nederlandse economie nog enkele jaren pieken. Diverse bedrijven waren door de oorlog en de naoorlogse vraag naar Nederlandse goederen en scheepvaartdiensten tot grote bloei gekomen. Daniël van Beuningen, die ooit bij Kröller werkervaring opdeed, wist dat te bereiken met de Steenkolenhandelsvereeniging (SHV). Hij zou net als de Kröllers aan Nederland een kunstcollectie nalaten. Maar waar SHV nog steeds bestaat, verdween Kröllers wereldbedrijf.

Wm H. Müller & Co kwam in de financiële problemen. De kunstcollectie werd nog snel in een aparte stichting ondergebracht. Maar de Hoge Veluwe stond voor één gulden op de balans. Bij de inrichting van de Hoge Veluwe waren geld noch moeite gespaard. Allemaal voor rekening van de zaak. Müller & Co zou begin jaren dertig omvallen als er niet snel een koper kwam. Wie wilde? Het lukte Hélène Kröller-Müller de liberale minister Marchant in een privégesprek te vermurwen.

Marchant wist in de lastige crisisjaren toch een potje geld te vinden: de oorlogswinsten van het Rijk uit de Eerste Wereldoorlog, gemaakt door de Nederlandsche Uitvoer Maatschappij. Veel NUM-geld was al belegd in de Chinese staatsspoorwegen. Met een NUM-lening van ruim 800.000 gulden werd Kröllers Veluwse privéjachtdomein in 1935 genationaliseerd, inclusief gebouwen en inventaris. Het parlement had dat maar te slikken. Marchant redde het park.

Anton en Hélène Kröller-Müller bleven er wonen tot hun dood, nabij hun museum. Ze werden er ook begraven. Hun park leeft voort als een Nederlandse herinnering aan de Eerste Wereldoorlog, een verhaal van oorlogswinst, neutraliteit en twee welhaast koninklijke levens.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden