Kroatische kosmopoliet

(Trouw) Beeld
(Trouw)

De portretten van Vlaho Bukovac (1855-1922) zijn lichtvoetig maar wijs. Als zeeman leerde hij hoe de mens in elkaar steekt. Te zien in het Gemeentemuseum in Den Haag.

Cees Straus

Ligt het misschien aan zijn lastig leesbare naam dat zijn roem nooit de voormalige Joegoslavische en nu Kroatische staatsgrens heeft weten te passeren? Aan het werk van Vlaho Bukovac kan het immers niet liggen. Dat blijkt een pure verrassing te zijn, ten onrechte veel te bescheiden en met weinig ruchtbaarheid gepresenteerd in het Haags Gemeentemuseum.

De benedenzalen van het museum, waar helaas weinig daglicht doordringt, zijn omgetoverd in ware schatkamers met ontroerende en intieme portretten van zowel jongeren als mensen op gevorderde leeftijd. Met de levenslust die de Franse impressionisten zo eigen was, koos Bukovac er voor de onbekommerde schoonheid van de jonge vrouw te tonen. Tegelijk realiseerde hij zich dat leven en dood dicht naast elkaar liggen met het proces van ouder worden als trait-d’union.

Vlaho Bukovac werd als Vlaho Faggioni in 1855 in het Kroatische Cavtat geboren, een dorp tientallen kilometers ten zuiden van Dubrovnik met tegenwoordig amper 2000 inwoners. Zijn achternaam Bukovac nam hij pas op latere leeftijd aan. Bukovac is de Servo-Kroatische vertaling van het Italiaanse woord faggioni, wat zoveel als ’beukenboom’ betekent. Hij stierf in 1922 in het Tsjechische Praag dat in het interbellum een geduchte concurrent was van het kunstleven in Parijs.

De Franse hoofdstad had Bukovac goed leren kennen toen hij op 22-jarige leeftijd in 1877 werd toegelaten op de ücole des Beaux-Arts, waar hij terecht kwam in de klas van Alexandre Cabanel, destijds een veel geroemd salonschilder. Tot die tijd was zijn enorme talent alleen mensen in zijn eigen omgeving duidelijk geworden.

Bukovac zwierf na de lagere school als zeeman over de Zwarte Zee en de Atlantische Oceaan, woonde enige tijd in San Francisco en kwam uiteindelijk in New York waar hij in 1876 besloot naar Europa terug te keren. Nog maar net volwassen had hij dus al veel in de wereld gezien en een inzicht in de mens opgebouwd dat hem later als portrettist goed van pas zou komen.

Bukovac mocht in Parijs danig van het impressionisme onder de indruk zijn gekomen, hij zou het ietwat oppervlakkige karakter van het Franse impressionisme altijd verwerpen. Veel van zijn portretten, of ze nu in de intieme sfeer van een huiskamer of salon of buiten door de zon worden belicht, stralen een en al lichtvoetigheid uit. Dat gaat echter niet ten koste van zijn wijze inzicht.

Waarschijnlijk heeft hij zichzelf ook niet als een impressionist pur sang beschouwd. Je kunt dat afleiden aan zijn flirt met het symbolisme, een zijtak van het realisme dat voorkeur betoonde voor heldere, lucide kleuren. Echt symbolistisch is Bukovac zelden geweest, al heeft hij meer dan eens religieus getinte voorstellingen gemaakt die door hedendaagse ogen bekeken onveranderlijk pathetisch over komen. Zo legde hij rond 1906 Christus op een baar (veel meer een doodsbed dat geflankeerd wordt met witte lelies), terwijl een aartsengel de wacht houdt. De hele voorstelling is in een baaierd van prachtig blauw-wit licht gehuld, waarvoor Bukovac de stijl van het post-impressionisme hanteerde. In zijn techniek is de invloed van Van Gogh onmiskenbaar: de kleuren vermengen zich door optische waarneming van snel genoteerde streepjes.

Dezelfde positie van een opgebaarde man herhaalde de schilder datzelfde jaar in het portret van de schilder Mirko Racki, die zich naakt uitstrekt over een bestorven paarse wade, met slechts de bebaarde kop daar boven uitstekend, alsof het hoofd gelijk dat van Johannes de Doper elk moment van het lichaam kan worden gescheiden.

Ook hier geldt dat alleen al de kleurstelling het schilderij puur symbolistisch maakt. Het kon nog veel morbider toen Bukovac nog steeds in 1906 een portret van zijn gezin maakte. De hoofden van het ouderlijk echtpaar liggen op een schaal, hun beider blikken richten zich op de vier kinderen wier hoofden met hun lange haar aan een langwerpige muurdoek zijn geknoopt. Met levendige blikken kijken ze de beschouwer aan.

Je moet trouwens bij het begrip symbolisme in het geval van Bukovac meer denken aan wat op dit terrein in Brussel en in Scandinavië werd gepresteerd. Het Franse symbolisme van Gustave Moreau en Pierre Puvis de Chavannes met zijn dubbelzinnige betekenis van perversiteit en classicisme wordt door Bukovac ingewisseld voor het minder beladen naakt van George Minne uit België en de superelegante vrouwen van de Deen P.S.Krüyer. Bukovac’s vrouwen zijn weliswaar bekoorlijk en hoogst charmant, maar ze zijn geen Medea’s, geen slangen die klaarliggen om de man een dodelijk gif toe te dienen.

Dat hij toch in de mythologie thuis was, bewijst het onverbiddelijke topstuk dat een allegorie op de schilderkunst voorstelt. De schilder die we schuin van onderen op de rug zien, is gehuld in een prachtig roodpaarse toga, de blik richtend op drie gratiën die postvatten op de treden van wat een Egyptische tempel is, te zien aan de stenen sfinks. Een plotseling opgestoken wind laat het haar van twee van de drie vrouwen in een brede golf stromen en probeert, alsof het een aanranding betreft, hun half doorzichtige kleed weg te rukken. Bukovac schilderde hier nog nauwelijks met de oplichtende streepjes, maar toonde zich al een echte meester in de lichtval zoals die in een prachtige stof- en huidbeheersing tot uitdrukking komt. Toen Bukovac deze Allegorie schilderde, was hij al een paar jaar eerder naar Kroatië teruggekeerd. Daar werd hij als een topper beschouwd en opdrachten van de Kroatische elite wist hij moeiteloos binnen te halen.

Het siert hem dat hij zich in Zagreb inzette voor een betere positie van de Kroatische kunstenaars. Bukovac vestigde zich aan het hoofd van een groep jonge schilders en nam hun werk op in wat de eerste nationale kunsttentoonstelling in de Kroatische hoofdstad zou worden. Het aankomend talent kreeg mede door Bukovac ook emplooi in het buitenland. Maar naijver leidde tot roddels waarop Bukovac besloot zich weer op zijn geboortestad Cavtat te richten, om tenslotte hoogleraar te worden in Praag.

Zagreb bleef voor altijd de stad waar zijn werk zou worden verzameld en van waaruit ook pogingen werden ondernomen om het een bredere verspreiding te geven. De musea voor moderne kunsten in deze stad zijn, samen met de particuliere verzamelaars en de musea van Cavtat, Dubrovnik en Split de belangrijkste leveranciers voor deze expositie in Den Haag.

Nu de Balkan weer tot rust is gekomen, is het tijd geworden om haar culturele identiteit aan de rest van Europa kenbaar te maken. De keus voor Bukovac, die in kwaliteit vergelijkbaar is met het beste wat in ons land de Haagse School van Anton Mauve, Jozef Israëls, Jacob Maris en Jan Toorop heeft voortgebracht, is wat dat betreft een hoogst gelukkige. Hopelijk een voorbode van meer parels uit de oesterbaai van het Limfjord.

(Trouw) Beeld
(Trouw)
Uiterst links 'Zelfportret met sportpet', olieverf/karton, 1914. links 'Adio!', olieverf/doek, 1903 en onder 'Portret van Gustav Pongratz', olieverf/doek 1893. (Trouw) Beeld
Uiterst links 'Zelfportret met sportpet', olieverf/karton, 1914. links 'Adio!', olieverf/doek, 1903 en onder 'Portret van Gustav Pongratz', olieverf/doek 1893. (Trouw)
(Trouw) Beeld
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden