Krimp is niet zo erg voor het dorp

Als het moet, komen bewoners zelf in actie om het dorpshuis of het schooltje open te houden

Huizen die een poos leegstaan, jongeren die naar de stad trekken. Het schrikbeeld van bevolkingskrimp voor een gemeente is niet nieuw. Maar is het erg? Welnee, zegt de van oorsprong Groningse onderzoekster Korrie Melis.

Een halve eeuw geleden werden in Noord-Groningen dezelfde problemen beschreven als nu. Door de schaalvergroting in de landbouw zou het gebied wegkwijnen, dorpen zouden verdwijnen. Maar ze worden nog steeds bewoond en de bewoners zijn tevreden met hun bestaan. Als er al iets moet gebeuren, dan is het dat bestuurders wat beter naar de burgers moeten luisteren, concludeert Melis, die promoveerde op het proefschrift 'Naar een leefbare regio'.

Voor haar promotie-onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen interviewde Melis ruim honderd Noord-Groningers, verdeeld over drie generaties. "De meesten zijn heel tevreden met de omgeving, rust en ruimte. Ze nemen voor lief dat er minder voorzieningen zijn, ze willen bijvoorbeeld best ergens anders boodschappen doen."

Uitgangspunt voor haar onderzoek was een rapport uit 1959: 'Bedreigd bestaan. De sociale, economische en culturele situatie in Noord-Groningen'. Ook voor dat rapport brachten onderzoekers van de Groningse universiteit in kaart welk effect de ontvolking had op het gebied. Hun opdrachtgevers waren verontruste Groningse boeren en bestuurders. Maar het rapport belandde in een la. Er veranderde immers niet zo veel, de dorpelingen bleven tevreden met wat ze hadden.

Bestuurders van krimpgemeenten richten zich meestal op behoud van voorzieningen: de dorpsschool, het buurthuis, een paar winkels, verenigingen. En dat is lang niet altijd nodig, blijkt uit Melis' onderzoek.

Heel gelukkig
Het voorbeeld Ganzendijk ligt voor de hand. Een aantal jaren geleden werd op bestuurlijk niveau geopperd dat dit leeglopende Oost-Groningse dorp beter kon verdwijnen, maar de overgebleven bewoners bleken helemaal niet van zins te vertrekken. "Als er wat gebeurt, komen mensen wel in actie", zegt Melis. "Dat gaat vanzelf in veel kleine dorpen, dat hoef je niet te sturen, maar moet je ondersteunen. In Onderdendam bijvoorbeeld, een dorpje van zo'n 600 inwoners in de gemeente Bedum, houden veertig vrijwilligers het dorpshuis overeind. En ja, in sommige dorpen lukt zoiets beter dan in andere."

Vier op de vijf dorpsbewoners noemen zichzelf heel gelukkig, ze voelen zich nog een fractie gelukkiger dan stedelingen zich voelen, blijkt uit de laatste Dorpenmonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dorpen die dichter bij de stad liggen en waar relatief veel nieuwkomers zijn neergestreken, scoren ietsje beter op leefbaarheid. Dat komt volgens Melis doordat de nieuwe bewoners vaak hoogopgeleid zijn 'en beter de weg weten om dingen te regelen'. "Dorpen die verder op het platteland liggen, zijn minder aantrekkelijk voor stedelingen om te gaan wonen omdat ze minder goed bereikbaar zijn."

Ruim vijftig jaar geleden liep Noord-Groningen leeg omdat de landbouw snel veranderde. Door de mechanisatie en de concurrentie met het buitenland ontstonden steeds grotere bedrijven. Kleine boeren stopten noodgedwongen. "Al die boerenzonen en -dochters moesten wel werken, dus kwam er een migratiestroom op gang. En dat had weer gevolgen voor de middenstand."

Aan die migratie kwam in de jaren zeventig weer een einde. "Dankzij eigen vervoer, eerst de brommer daarna de auto, werd het werk in de stad ook vanuit een dorp bereikbaar. Er kwamen zelfs mensen vanuit de steden naar de dorpen, de suburbanisatie." Pas na de eeuwwisseling ging de bevolking in sommige plattelandsgebieden weer dalen.

Het belang van internet
De rol die de auto in de jaren zeventig vervulde, kan nu zijn weggelegd voor internet of andere nieuwe ontwikkelingen, denkt Melis. Ze verwijst naar de Groningse hoogleraar plattelandsontwikkeling Dirk Strijker, die onlangs vaststelde dat een half miljoen mensen en zestigduizend bedrijven in de buitengebieden een slechte toegang hebben tot internet. Twee jaar geleden waarschuwde Strijker al dat bewoners en bedrijven wegtrekken als een investering in breedband of glasvezel uitblijft. Ook boeren kunnen tegenwoordig niet meer zonder snel internet.

Pogingen om jongeren aan de regio te binden, bijvoorbeeld door hoger onderwijs aan te bieden zoals de Achterhoek graag wil, lijken Melis weinig zinvol. "Een deel van de jongeren wil sowieso weg, een opleiding in de regio is dan niet zaligmakend. Ik denk dat je je beter kunt richten op gezinnen met kinderen of ouderen die bewust kiezen voor een terugkeer naar het dorp. Ik zie dat niet zo pessimistisch in. De scheidslijn tussen stad en platteland is al bijna weg. Er zijn genoeg dorpelingen die het geen probleem vinden om naar de stad te gaan voor de voorzieningen. Je moet rekening houden met de leefbaarheid, en dus vooral wat bewoners daaronder verstaan. En je moet krimp niet al te negatief presenteren. Een foto van dichtgespijkerde ramen, dat schrikt af."

Zelf woont Melis inmiddels in Nijmegen, waar ze een baan heeft aan de Hogeschool. Noord-Groningen voelt nog steeds als thuis, maar of ze er ooit terugkeert, is de vraag. "Er moet werk zijn. Mijn vriend en ik zijn allebei hoogopgeleid en dan zijn er buiten de stad Groningen niet veel mogelijkheden."

Van het proefschrift van Korrie Melis, 'Naar een leefbare regio', is bij de Stichting Groninger Historische Publicaties een handelseditie verschenen, die te koop is bij de Groningse boekhandel Godert Walter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden