... kreeg Juliana een ere-doctoraat

De Belgische kroonprins Filip wordt op 4 februari verblijd met een ere-doctoraat van de universiteit van Leuven. Dat is op zichzelf niets bijzonders, want dat schijnt bij de Leuvense traditie te horen om op die manier de glans van prinsen en prelaten ook op zichzelf te laten afstralen.

Het bijzondere dit keer is de motivering voor dit besluit van de senaat: 'inzet voor de wereldvrede, de solidariteit en het gezin'. Dat is zo'n 150 Belgische geleerden in het verkeerde keelgat geschoten omdat niemand zich enige voorstelling kan maken wat de prins op deze terreinen heeft gepresteerd, behalve dat hij onlangs voor nageslacht heeft gezorgd. Verdienstelijk, maar toch hoogst ongebruikelijk iemand daarvoor te diplomeren.

In 1930 beleefde Nederland een vergelijkbare gebeurtenis toen de senaat van de universiteit van Leiden een ere-doctoraat in de letteren toekende aan de toen twintigjarige prinses Juliana als afsluiting van een tweejarige, speciaal op de prinses afgestemde cursus aan die universiteit. Ook toen werd er in wetenschappelijk kring gemonkeld en het hoofd geschud, maar naar de zeden van die tijd kwam daar niets van naar buiten - op één uitzondering na. De Utrechtse hoogleraar in de oude geschiedenis H. Bolkestein (een geleerde van internationale faam, een strijdbaar sociaal-democraat en oud-oom van een toekomstig Europees commissaris) schreef in de 'Socialistische Gids' van maart 1930 een snijdende kritiek op het besluit van de Leidse senaat en de motivering daarvan.

'Er is geen koningspad naar de wetenschap', citeerde hij het antwoord dat de Griekse wiskundige Euclides driehonderd jaar voor Christus aan de Griekse koning Ptolomeus had gegeven op diens vraag 'of er niet ten aanzien van de geometrie een kortere weg bestond dan gezette studie der grondslagen'. Bolke stein, die wist dat hij met zijn kritiek 'op deze vertoning' niet alleen stond in wetenschappelijke kring, bleek niet overtuigd van de 'zeer uitstekende verdiensten' die de wet op het hoger onderwijs als voorwaarde voor een ere-doctoraat stelt. 'Het zou ook wel bedroevend zijn als uitnemende ijver, lust tot onderzoek, helder begrip en zelfs oorspronkelijkheid van geest zoo uitzonderlijk schaarsche verschijnselen onder onze studeerenden waren dat zij alleen reeds het toekennen der hoogste belooning zouden wettigen', tekende hij aan bij de motivering van de Leidse universiteit.

En over de band van de Leidse universiteit met de Oranjes, waarnaar de promotor, de eminente historicus Johan Huizinga in zijn toespraak had verwezen, merkte Bolkestein op: 'De verleening van den hoogsten wetenschappelijke graad, dien een universiteit te vergeven heeft, aan een twintigjarige studente, om geen andere duidelijk reden dan dat zij afstamt van den stichter der instelling, getuigt van een gebrek aan eerbied voor de wetenschap waarover velen onder haar dienaren zich diep beschaamd moeten gevoelen. Het eere-doctoraat is hierdoor verlaagd tot een huldiging van zoo mogelijk nog geringer beteekenis dan een ridderode, die immers nog op grond van persoonlijke verdienste, niet om verrichtingen van voorvaderen, wordt uitgereikt'.

De kritiek kwam hard aan. Drees gebruikte in 1969 Bolkesteins beschouwing, samen met Troelstra's euveldaden uit 1918, nog als illustratie voor de soms wat ongemakkelijke verhouding van de socialisten tot de monarchie. Ook Huizinga, die waarschijnlijk in de senaat het initiatief had genomen, zat er kennelijk mee, want in 1937 schreef hij in een gedenkboek bij Juliana's huwelijk een beschouwing over de studie van de prinses in Leiden - een stuk dat merkwaardig genoeg niet in Huizinga's verzamelde werk is opgenomen.

'Byzantinisme en laffe vorstenvleierij, de Leidse universiteit onwaardig' had Huizinga gehoord, maar dat zag hij toch anders. In de Republiek was nooit een ere-promotie aan een Oranje gegund (met uitzondering van koning-stadhouder Willem III, die daarvoor naar Oxford moest). Maar toen in 1864 Groningen begonnen was ook voor verdiensten op het gebied van handel, industrie en kunsten ere-doctoraten te geven, had Leiden die gewoonte bij zijn derde eeuwfeest in 1875 overgenomen - na in 1874 een voorschot te hebben genomen (een precedent!) met een ere-promotie van prins Alexander ('die een paar jaar in Leiden ingeschreven had gestaan', zoals Fasseur in zijn Wilhelmina-biografie de feiten weergeeft).

Uit Huizinga's verhaal leren we verder dat 'het onderricht van de prinses gericht was op eenige algemeene ontwikkeling' en dat zij daarom kennis had genomen van Nederlandse, Franse en Slavische letterkunde, godsdienst-, algemene en vaderlandse geschiedenis, ad atrecht, volkenrecht, staatsrecht en oud-vaderlands recht, de Zuiderzee, Germaanse mythologie, het hedendaagse China en de islam. Huizinga's biograaf Anton van der Lem heeft bovendien ontdekt dat de prinses voor Huizinga een werkstuk schreef over de deugden en gebreken van de Nederlandse natie, maar helaas - dat stuk (en Huizinga's oordeel daarover) is niet terug gevonden...

In Wilhelmina's optiek zou één jaar oponthoud in Leiden voldoende zijn om 'eenige algemeene ontwikkeling' te vergaren, maar Juliana - die zich enthousiast in het studentenleven had gestort - wist bij haar moeder er nog één jaar bij te praten. In dat jaar moest er geoogst worden in de vorm van tentamens, maar na het derde tentamen vond Wilhelmina het verder welletjes. Op 30 december 1929 ondervroeg de hoogleraar volkenrecht, jhr. mr. W. J. M. van Eysinga haar in zijn studeerkamer en toen dat naar tevredenheid was verlopen, kwam rector-magnificus Van Wijk binnen om te vertellen dat de prinses een maand later een ere-doctoraat in ontvangst mocht nemen. 'Veeleer verlegen dan verheugd', omschrijft Huizinga haar reactie.

Hoe Wilhelmina tegen dit wetenschappelijk cadeautje aan haar dochter heeft aangekeken, moeten we raden, maar dat de gedachte aan een voorkeursbehandeling door haar hoofd heeft gespeeld, ligt voor de hand. Want toen een jaar eerder Juliana's (anoniem ingezonden) jaarlied voor de Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden uit 117 inzendingen als prijswinnaar was gekozen, vroeg zij zich in een brief aan haar moeder, koningin Emma, af of het er wel eerlijk aan toegegaan zou zijn bij de keuze. (Emma deelde die twijfel niet. 'Dat is volkomen eerlijk toegegaan, het kind is er bescheiden bij gebleven, gelukkig', liet zij haar dochter weten.)

Zelf had Wilhelmina in 1925 bij de 350ste jaardag van de Leidse universiteit een ere-doctoraat gekregen, maar dat had haar nog niet tot een enthousiast supporter van de wetenschap gemaakt. In 1937 in elk geval beklaagde Huizinga als voorzitter van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen zich dat de koninklijke familie best wat meer belangstelling voor de wetenschappen (en de Koninklijke Akademie in het bijzonder) mocht tonen.

De plechtigheid van Juliana's promotie speelde zich op 31 januari 1930 in de beslotenheid van de senaatskamer en niet, als gebruikelijk, in de openbaarheid van de aula of (niet zo gek voor zo'n groots gebeuren) in de Pieterskerk. In Leuven zal het op 4 februari wel anders gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden