Krakend dennenhout verraadt contente mens

Op het Marktplein van Eersel staat het beeld van de Contente Mens: een rond boertje met een pet op, de handen op de rug, de blik niet fier voorwaarts gericht, maar eerder kalmpjes ondergedompeld in een soort oneindig niets. Van deze contente mens bestaan kleine replica's voor op de schoorsteen, die bij feestelijke gelegenheden in het Brabantse land met name aan bezoekers van boven de grote rivieren worden geschonken.

Het menneke staat namelijk symbool voor de beroemde gemoedelijkheid van de Brabander: een tevreden mens, die blij is met wat hij heeft, en dat hoeft in materieel opzicht niet veel te zijn. Want de Brabander, en zeker de Kempenaar, was van oudsher gewend aan armoede. Niet zomaar armoede, maar bittere armoede: handelsbelemmeringen, kleine boerenbedrijfjes, uiterst schrale zandgrond, gebrek aan mest door gebrek aan vee.

Die onverstoorbaarheid van dat mannetje, dat zich zomaar lijkt te schikken in zijn schamele lot, heeft tegelijkertijd ook iets stuitends. Was er geen woede, geen verzet, geen strijd om een beter bestaan? Was die mens, braaf gehouden door meneer pastoor, wel zo content? ,,Hier in de Kempen was iedereen arm, daarom verdroeg men de armoede hier beter dan bijvoorbeeld in de Meierij bij Den Bosch', zegt Albert van der Aalst, directeur en conservator van Streekmuseum De Acht Zaligheden in Eersel, niet ver van de Belgische grens. Daar, in de Meierij, was het contrast tussen de rijkdom van de vele landgoedeigenaren en de landarbeiders groot en schrijnend. Die had je in de Kempen, het huidige Zuidoost-Brabant, eigenlijk niet of nauwelijks.

Pas na 1900, na de komst van de kunstmest, kon er in deze streek begonnen worden met grootschalige ontginning van de heidegronden. Wie anno 1999 in het museum de kaart bekijkt van Eersel en omgeving rond 1840 krijgt het even koud om het hart. Een en al uitgestrekt paars, heidegebied dus, waar nu nog een schaars plukje van over is. Weliswaar zijn er - naast landbouwgrond - gedeeltelijk bossen voor in de plaats gekomen - dennenhout, oorspronkelijk bedoeld voor de mijnen in Limburg, want dennenhout kraakt, het waarschuwt voor instortingsgevaar - maar het verlangen om één keer midden op die verdwenen grote hei te kunnen staan slaat onverhoopt toe.

De Acht Zaligheden is een cultuur-historisch museum, gevestigd in een zogenoemde Kempische langgevelboerderij uit 1890. Agrarische musea waren er al genoeg in de regio, zegt Van der Aalst, die sinds 1980, toen de Stichting Acht Zaligheden werd opgericht, bij het museum betrokken is. Van der Aalst (74), die tegenover het museum woont, was vroeger zelf boer. Het museumvak hebben hij en de vele vrijwilligers met wie hij werkt zich in de loop der jaren door cursussen eigen gemaakt, maar de materie is hem natuurlijk zeer vertrouwd. Een vriendelijke, bescheiden man, in stilte trots op wat hij in de loop der jaren heeft opgebouwd. Ruim 21 000 bezoekers telde het museum vorig jaar, 120 toeroperators weten de weg naar het museum inmiddels te vinden.

'De Acht Zaligheden' wil een breder beeld geven van de Kempische mens zoals die tussen 1850 en 1940 geleefd heeft. Het woongedeelte van de boerderij - de keuken, de goeie kamer en het opkamertje - is ingericht met meubels en voorwerpen uit de jaren dertig. Eenvoudige stoelen, een tafel, een sobere kast, een beschuitbus van Verkade, plavuizen vloer, een bedstee, aan de muur een trouwportret en een foto van vermoedelijk een heeroom. Hoofdzakelijk schenkingen, vertelt Van der Aalst, en dat geldt ook voor de indrukwekkende verzameling gereedschap in de grote buitenschuur, waar ook een wagenmakerswerkplaats uit 1930 is ingericht. Op een paal hangt een lijstje met ontluisterende tarieven. Voor het vervaardigen van een complete paardenkar met twee wielen kreeg de timmerman in die tijd 90 gulden uitbetaald.

Toch zocht ook de Kempenaar zijn uitweg uit de armoede, zo blijkt uit een rondgang door het museum. Zo staat de streek natuurlijk bekend om zijn vele smokkelaarsverhalen. Het streekmuseum organiseert hiervoor zelfs speciale bustochten door het Nederlands-Belgische grensgebied, waarbij een gids smakelijke smokkelanecdotes vertelt. Ook trokken er al sinds de middeleeuwen vele handelaren, zogenaamde 'Teuten' door het gebied, dat het kruispunt vormde tussen Antwerpen en het Roergebied, tussen Leuven en Den Bosch: ketellappers, (koperteuten), haarsnijders (haarteuten), textiel(taft)teuten. ,,Die teuten, dat waren eigenlijk een soort voorlopers van de vrachtwagenchauffeurs', legt Van der Aalst uit. Ze beperkten zich niet tot de regio, maar trokken naar Duitsland, Denemarken, Engeland en sommigen zelfs naar Perzië. In de voormalige koeienstal van het museum staat een met koperen potten en pannen aangeklede koperteut. Daarnaast kende de regio een omvangrijke sigarenindustrie. ,,Nog steeds kent Eersel de grootste concentratie sigarenfabrieken ter wereld', weet Van der Aalst. Vroeger waren het er een stuk of vijftien, nu zorgen de fabrieken van Agio en Henri Wintermans voor een productie van 13 miljard sigaren per jaar.

Buiten heeft een groep Amsterdamse scholieren zich op de verzameling oude volksspelen gestort. Op een grindbaan met regenplassen proberen ze een stenen bal door een ijzeren ring te gooien. Niet goed, weet een bezoekster, en laat zien dat ze voor die bal een houten schep moeten gebruiken, en dat dit spel 'beugelen' heet.

De grote tuin met een prachtige oude boomgaard en een heemtuin vormt het pronkstuk van het museum. Dat de heemtuin in 1997 helemaal nieuw kon worden aangelegd is eigenlijk te danken aan de malaise bij Daf en Philips, vertelt Van der Aalst. Met stimulus-geld van de EU, bedoeld om de werkgelegenheid in de regio te bevorderen, is er nu een fraaie bloemenhof, een kruidentuin een oud-Brabantse moestuin.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden