Koude kunst

We moeten, zegt Susan Sontag, in haar beroemd geworden essay 'Against interpretation' uit 1964 (ik vat samen), eens ophouden met kunst te willen interpreteren en er weer onbevangen met ons hart van genieten: 'We hebben geen behoefte aan ene hermeneutiek, maar aan ene rotiek van de kunst.' Tjonge, ik stond er nogal van te kijken toen ik het voor het eerst las: doe niet zo intellectueel en analytisch, zegt de intellectueel; luister, kijk ernaar, lees het en probeer er achter te komen wat je voelt. Ik had de neiging om de Albert Cuyp op te rennen en het nieuwe evangelie te verkondigen: beste mensen, hou op met dat eindeloze geïnterpreteer, geniet maar gewoon weer van kunst, vindt het mooi of lelijk. Het zou water naar de zee gedragen zijn, want Sontag had het denk ik helemaal niet tegen de marktbezoekers maar tegen haar mede-intellectuelen, kunstkritici, filosofen, kunstenaars die haars inziens doorgedraaid waren door de hebbelijkheid om alle kunst onder een vergrootglas te leggen en te duiden wat ze precies zagen. De man in de straat is helemaal niet bezig met kunstinterpretatie, die hangt zijn betraande jongetje op zonder te denken: dit is camp, doelbewuste kitsch, eigenlijk bespot ik hiermee de hogere kunst. Hij vindt het mooi, hij kijkt er graag naar, klaar!

Susan Sontag schreef haar essay in 1964; Beatles, ontzuiling, emancipatie, een tijd dat oude waarden op losse schroeven werden gezet, en dit was er ook eentje die moest sneuvelen: kunst is iets hogers dat je alleen kunt begrijpen als je er met een verfijnd oog naar kijkt. Of haar essay ook werkelijk onze blik op kunst heeft veranderd, weet ik niet. Op eindexamens wordt nog steeds gevraagd wat de schrijver eigenlijk bedoelt en welke zinnen er niet lopen, ook in kunstrecensies wordt graag opgemerkt dat het werk een verwijzing naar dit of dat is, of dat de Schreeuw van Munch niet een schreeuwende figuur uitbeeldt maar iemand die wegloopt voor de schreeuw. En wát als ik er al die jaren wel een schreeuwende persoon in zag? Doe maar, zegt Susan Sontag, bevrijd je van die ballast van de uitleg.

Oke, daar gaat-ie vijftig jaar na dato: Ik vind er niks aan. Aan Marten en Oopjen. Ze doen me niks. Ook al heeft de baas van het Rijks me uitgelegd dat het heel bijzonder is dat ze zo voluit zijn weergegeven, net als vorsten, en dat die pompon op zijn schoen heel mooi en apart is.

Het tweeluik doet geloof ik inmiddels dienst als een soort nationaal monument dat na jarenlange ballingschap weer thuis is, de Ark des Verbonds, de Verloren Zoon. Het zou me wellicht sieren als ik ernaar ging kijken in het Rijksmuseum. Maar ik doe het niet. Ik laat me niet koeioneren door de kunstpausen. Toen Karel van het Reve in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur een grote antipathie van hem, Dostojevski, moest behandelen, schrijver van in zijn ogen keukenmeidenromans en banale ideeënromans, deed hij er twintig pagina's over om zijn afkeer te verbloemen.

Met Susan Sontag in de hand had het een stuk korter gekund: Dostojevski laat me koud. Marten en Oopjen laten mij koud.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden