Koude Hollandse idylle

Het verlangen naar 'echte winters' is niet nieuw, ook in de negentiende eeuw keken mensen graag naar een idyllisch winterlandschap. In Haarlem zijn die landschappen bij elkaar gebracht.

Vanuit een druilerige herfst is het makkelijk verlangen naar een stevige winter. Zo'n échte, met stevige vorst, lange schaatstochten in knerpende stilte, slechts verstoord door het ratelende geluid van ijzers op het diepzwarte ijs. Prachtige vergezichten bij een laagstaande winterzon, boterhammen met pindakaas. En daarna de verkleumde ledematen ontdooien bij de open haard.

Wie dat verlangen nog wat wil versterken, kan de komende maanden terecht in Teylers Museum in Haarlem. 'Echte winters' is de eerste tentoonstelling over de Nederlandse winterlandschappen van de negentiende eeuw. Begrijpelijk dat 't even duurde, het kitschgehalte bij veel van die schilderijtjes is tot de intrede van het Impressionisme, rond 1870, nogal hoog. Door ook de schaduwzijde van de vorstperiode te belichten, én de negentiende eeuw door te trekken tot 1913, krijgt de Haarlemse tentoonstelling toch nog een redelijke diepgang. Redelijk: het 'wintergevoel' blijft een sentimenteel onderwerp.

Sentiment dat ook in de negentiende eeuw al razend populair was. Andreas Schelfhout (1787-1870), een Haagse landschapsschilder, verkocht zijn winterlandschapjes in zó'n hoge oplage dat ze een spotnaam kregen, 'Schelfhoutjes'. De kunstenaar was erg bedreven in het weergeven van de donker-glimmende ijsvlaktes, bevroren luchten en een enkele, altijd goedgemutste voorbijganger - hij schilderde ze het hele jaar door.

Natuurlijk had Schelfhout, net als veel van zijn tijdgenoten, goed gekeken naar de winterscènes uit de Gouden Eeuw: de volle ijspret-schilderijen van bijvoorbeeld Hendrick Avercamp, waar altijd wel iemand onderuitgaat, in een wak valt of een andere vermakelijke pose aanneemt. Vergeleken met hun zeventiende-eeuwse collega's zijn de negentiende-eeuwers veel ingetogener: hooguit een paar figuren bevolken de scènes, de kleur in het lege landschap en de wolkenlucht bepalen de sfeer, als een goedgelukte Polaroid.

In Haarlem zijn een paar prachtige 'Schelfhoutjes' verzameld. Dankzij de aanwezige voorstudies en tekeningen ontdek je dat Schelfhout talent had voor het hergebruiken en arrangeren van dezelfde molens, bosjes en vastgevroren zeilboten. Schelfhouts leerlingen, zoals Wijnand Nuijen en Barthold Jongkind, begonnen met het navolgen van zijn succesvolle stijl. Niet voor altijd. Op een 'wintergezicht' uit 1864 lijkt Jongkind, die vanaf 1846 in Frankrijk woonde, bijna opstandig de gepolijste ijsvloeren te hebben dichtgesmeerd met dikke klodders witte en bruine verf.

''t Is geen ijs of 't kost menschevleys' was een gangbare uitdrukking in de negentiende eeuw. Dat de winterkou niet altijd alleen maar vreugde en verbroedering veroorzaakte, maar ook honger en ellende, wordt duidelijk in een apart onderdeel van de tentoonstelling. Door het dichtvriezen van de kanalen kwamen veel mensen zonder werk en eten te zitten, en thuis was het ook niet eenvoudig warm te krijgen. De winters wáren ook echt kouder: tussen 1430 en 1850 was er in Nederland de zogeheten Kleine IJstijd, met gemiddeld meer en heftiger extremen.

Die 'ijsellende' kwam in eerste instantie vooral in prenten en werk van zondagsschilders in beeld. Zo werd het verhaal van een visser die in 1849 met zijn zoons twee weken lang op een ijsschots op de Zuiderzee dobberde, in boekvorm verspreid, geïllustreerd met prenten. Bij de watersnood van 1855, toen als gevolg van een plotseling ingevallen dooi de hele Gelderse Vallei onder water kwam te staan, kwamen serieuze kunstenaars al even in actie. Met de verkoop van etsen van de situatie in het rampgebied zamelden de leden van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti & Amicitiae geld in voor de getroffenen, maar grote historiestukken kwamen er niet van. Kruiend ijs (ijsbergen in Holland!) was dan misschien wel indrukwekkend, de Nederlander wilde toch liever een gladde ijsvloer aan zijn muur.

Pas met de schilders van de Haagse School en Breitner verandert het gepolijste beeld echt. Het is een welkome afwisseling op de mierzoete en, vergeleken met de Avercamps, nogal humorloze decorstukken. Louis Apol (1850-1836) legt de nadruk op het licht en de atmosfeer van het winterse land: hij gebruikte roze, vegerig licht en verder vrijwel alleen maar bruin en wit. Hij schetste de scènes buiten, en werkte die 'thuis liefst zoo gauw mogelijk uit, als de indruk nog niet verslapt is', aldus de schilder. George Breitner was dol op de besneeuwde daken en straten en bevroren grachten: dankzij z'n grove streken en viezige grijstinten sta je bij zijn 'Sneeuwgezicht over het Damrak' samen met de andere voorbijgangers midden in de sneeuwprut. De tentoonstelling sluit af met een prachtig breekbaar landschap van Jan Mankes, uit 1913. In geometrisch lichtblauw, grijs en wit zie je de nevel en de kou heersen over de weilanden. Het gevoel mag de kijker er zelf bij verzinnen.

HHHHH

'Echte winters' tot 6 maart in Teylers Museum in Haarlem, catalogus euro 17,50, teylersmuseum.nl

Jan Mankes, 'Sneeuwlandschap met sloot' (1913).

Andreas Schelfhout, 'Houtsprokkelende mannen bij duwslede op een bevroren poldervaart' (1826).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden