KOSTAS TACHTSIS, 'HET DERDE HUWELIJK' EN ZIJN ONORTHODOXE SEKSUALITEIT

'Het derde huwelijk', 'Het wisselgeld' en 'De vreselijke rechterstoel' verschenen alle drie bij Uitgeverij Bert Bakker in Amsterdam, in de vertaling van Hero Hokwerda. De zomerserie 'VERZONKEN LIEFDES' is gewijd aan auteurs of boeken die buiten de actualiteit een profiel verdienen. Vandaag verschijnt de laatste aflevering. Eerdere bijdragen gingen over:J.M. Coetzee (door Antoine Verbij); John Berryman (door Rob Schouten); Erich Maria Remarque: Im westen nichts neues (door Hans Ester); Gérard de Nerval (door Liesbeth Korthals Altes); Eça de Queiroz (door Ilse Logie); Eduard Mörike (door C.O. Jellema).

De moord is onopgelost en ook het veronderstelde motief van de dader - roof - is aan twijfel onderhevig. Wie het dagboek van Tachtsís leest uit het begin van 1981, toen hij in een nachtmerrieachtige strijd gewikkeld was met een groep andere zich prostituerende travestieten onder aanvoering van een zekere Aloma, krijgt de indruk dat de dader eerder in dat wereldje gezocht moet worden. Een vergelijking met de dood van Pasolini dringt zich natuurlijk op: beide kunstenaars leefden moedwillig op de rand van het bestaan, en daagden zo doende de dood uit.

Tachtsís' dubbelleven was overigens niet geheim, iedereen wist van zijn 'onorthodoxe seksualiteit', zoals hij het zelf noemde. Het boek dat hij de laatste tien, vijftien jaar van zijn leven aan het schrijven was, en dat maar niet afkwam, perfectionist als hij was, zou voornamelijk handelen over zijn seksuele ontwikkeling, èn over de ontwikkeling van zijn schrijverschap. Vijftienhonderd dichtbetikte velletjes werden er in zijn nalatenschap aangetroffen, met van alle hoofdstukken verschillende versies. In 1989, opmerkelijk snel dus na zijn dood, is het boek verschenen, 'De vreselijke rechterstoel', onvoltooid en zeer onevenwichtig van vorm, maar desondanks een imposant autobiografisch geschrift, dat de waarheid bewijst van Tachtsís' uitspraak: “In mijn leven heb ik mij twee dingen voorgenomen: zoveel mogelijk de liefde bedrijven en een stuk of wat goede boeken schrijven.”

Tachtsís werd een oligográfos, een weinigschrijver genoemd en niet zonder reden. Na enkele verwaarloosbare dichtbundeltjes in de jaren vijftig te hebben gepubliceerd, deels in eigen beheer, kwam hij in 1962 met een kloeke roman: 'Het derde huwelijk'. Die werd geen succes, integendeel, na jaren waren er van de twaalfhonderd gedrukte exemplaren nog duizend over. In zijn autobiografie schrijft Tachtsís: “Mijn moeder klaagde dat ze haar halve bergzolder in beslag namen. Ik heb met je te doen, stakker, zei ze, ik heb met je te doen. Al die onzin op gaan zitten schrijven en je goeie geld eraan spenderen om het te laten drukken. Terwijl je, als je het papiertje van de universiteit had gehaald, nu advocaat was geweest en iets had voorgesteld. Je zou geld verdienen en de mensen zouden respect voor je hebben. Ook al wisten ze wat je in je andere leven allemaal uithaalt, ze zouden het niet wagen er tegen je over te beginnen. Je bent heus niet de enige. Maar de anderen zorgen tenminste dat het niet opvalt. Terwijl jij...”

Pas in 1970, toen er bij een grote uitgever een tweede druk verscheen, kreeg 'Het derde huwelijk' de aandacht die het verdient. Sindsdien zijn er meer dan honderdduizend exemplaren van verkocht. Het boek is vertaald in het Engels, Frans, Duits en Nederlands. Onze vertaler, Hero Hokwerda, heeft vrijwel alles van Tachtsís vertaald en van informatieve nawoorden voorzien. Over de roman schrijft hij het volgende:

“Met alle overdrijving die men in het boek kan zien, is het voor veel Grieken op den duur een symbooltekst geworden; zij herkennen er een waarheidsgetrouwe weergave in van hun psychische wereld, van hun gemeenschappelijk onderbewustzijn, een 'mentale studie' waarin de essentie van het Griekse leven van deze eeuw gevangen is - 'allemaal hebben we wel een Ekavi, een Nina, een tante Katingo' -, met alle tegenspraken die bij het Nieuwgriekse leven horen en die een wankel evenwicht van uitersten opleveren. Een Griekenland dat, zoals over Tachtsís zelf is gezegd (en door hem met instemming aangehaald), steeds weer uit de afgrond opstuitert. Of, zoals in het boek over de hoofdpersoon Ekavi gezegd wordt: “Jij bent net als Griekenland: een beetje getikt, maar met een hart van goud.”

Ik kan me inderdaad geen Griekser boek voorstellen dan 'Het derde huwelijk'. Het is een praatboek, het praat aan een stuk door in een geestige, levendige spreektaal die het gevoel geeft bij de spreekster, Nina, op bezoek te zitten. Zij vertelt de geschiedenis van haar familie in de eerste helft van de eeuw. Het is vooral de geschiedenis van een sterke Griekse vrouw, Ekavi, gemodelleerd naar Tachtsís' grootmoeder, en wat zij allemaal te stellen heeft gehad met mannen, kinderen, aanverwanten, dit alles tegen de maatschappelijk-politieke achtergrond van die jaren. Hokwerda geeft heel terecht in zijn nawoord een kort overzicht van de Griekse geschiedenis van deze eeuw, zodat verschillende voorvallen in de roman beter begrepen kunnen worden. Toch zit de kracht van het verhaal niet in de vaak zijdelingse verwerking van de historische omstandigheden, maar in het onstuitbaar en overrompelend vertellen van wat er in het persoonlijke leven, tussen mensen onderling, voorvalt.

Hoe Nina denkt over haar dochter, 'de freule', die maar niet aan de man komt en haar het bloed onder de nagels vandaan haalt. Hoe Ekavi hemel en aarde beweegt als haar niet deugende zoon Dimitris weer eens een keertje in de gevangenis dreigt te raken. Hoe haar man Fotis het aanlegt met een andere vrouw en plotseling naar Athene vertrekt (het eerste deel speelt in Thessaloníki). De wereld van 'Het derde huwelijk' zindert van de ruzies, scheidingen, streken en wrijvingen. Nina is drie keer getrouwd, vandaar de titel van het boek.

Vrouwen spelen de hoofdrol in deze roman. Zij delen de lakens uit in een formeel wel patriarchale, maar in feite matriarchale wereld. Mannen, zo schrijft hij in een van zijn verhalen, zijn “stuk voor stuk figuranten, in de tragische klucht die vrijwel elk Grieks gezin is: willoze, tragikomische slachtoffers van de kannibalistische liefde der vrouwen, of van hun verterende haat.” De mannen zijn er om het geld te verdienen en meestal geven ze er teveel van uit aan kaartspel of drank, of aan de hoeren. In zijn autobiografie 'De vreselijke rechterstoel' geeft Tachtsís geregeld commentaar op zijn roman en zegt hij dat het boek voor een groot deel autobiografisch is. Hij komt er zelf, onder de naam Akis, ook een paar keer in voor als jongetje dat bij zijn moeder in Thessaloníki weggaat en onder de hoede wordt gebracht van zijn grootmoeder in Athene. In het verhaal, 'Mijn grootmoeder Athene', opgenomen in de verhalenbundel 'Het wisselgeld', spreekt Tachtsís zijn liefde uit voor de stad Athene, een liefde die gelijkstaat aan die voor zijn grootmoeder:

“Dank zij haar heb ik Athene lief. Sommigen zeggen dat het, zoals het er nu aan toe is, de lelijkste hoofdstad van de wereld is. Ik weet het niet, en het kan me ook niet schelen. Mooi of lelijk, voor mij is het de enige. Het is de stad waarin mijn grootmoeder is geboren, heeft geleefd en ten slotte is gestorven. Ik moet er natuurlijk wel bij zeggen dat zij in een aantal opzichten - net als Athene - een monster was en mij in mijn kinder- en later puberteitsjaren het leven behoorlijk zuur heeft gemaakt, maar, kan ik het helpen, het is de enige vrouw die ik in mijn leven heb liefgehad.”

Tachtsís heeft over de hele wereld gezworven en allerlei baantjes gehad. In Australië heeft hij zelfs een keer op het punt gestaan te trouwen, maar daags voor het zover zou komen, vluchtte hij het land uit. Een zo gebonden leven en dan ook nog voor de homoseksueel die hij was, was natuurlijk ook niet zo'n goed idee. Weliswaar gewaagt hij in zijn autobiografie ook van enkele heteroseksuele contacten, maar van jongsaf aan domineert toch de homoseksuele belangstelling. “Je moet een man worden, beloof me dat je een man wordt!” dat zeggen zijn moeder en grootmoeder eindeloos vaak tegen de mooie, maar in hun ogen verdorven jongen.

Tachtsís benadrukt geregeld zijn sterke mannelijkheid. Anderzijds wilde hij in zijn dubbelleven een vrouw zijn en niet alleen maar, zoals hij de zich opzichtig kledende en gedragende travestieten kwalijk nam, een vrouw schijnen. De mannen die hij meenam naar het hotel of naar zijn huis verkeerden in de veronderstelling met een vrouwelijke hoer van doen te hebben en hij was blijkbaar uitstekend in staat hen die illusie niet af te nemen. Omdat hij niet erg gesteld was op het travestietenmilieu ging zijn voorkeur ook uit naar straatprostitutie temidden van vrouwelijke prostituées. Toen de Atheense travestieten hem wilden inschakelen bij een protestmanifestatie, weigerde hij zijn medewerking: hem stond iets veel breders voor ogen dan het belang van de travestiet, namelijk “bevrijding van elk soort seksueel verlangen”, een vrijheid die hij zichzelf in zijn leven in hoge mate heeft gegund.

Niet bekend

Toch, hoezeer Tachtsís ook het leven en de mannen zag door de ogen van een vrouw, hij bleef een man. Dat bracht een tweedeling in hem teweeg “met verderfelijke en in zulke gevallen onvermijdelijke gevolgen”. Twee tegengestelde krachten in hem bonden de strijd met elkaar aan. “Hoe sterker het in mij geënte vrouwelijke element zich ontwikkelde, des te sterker moest ook het mannelijke zich ontwikkelen. En omdat het mannelijke in mij van nature en door mijn aard zeer sterk was, moest mijn vervrouwelijking wel des te dieper gaan. Ten slotte heeft geen van beide tegenstanders gewonnen.” Vandaar dat Tachtsís twee levens leidde, één overdag en één 's nachts, één als man en één als vrouw. Het mannelijke in hem ontwikkelde een zin voor avontuur en creativiteit, het vrouwelijke leidde tot “ziekelijke gevoeligheid, haarscherpe intuïtie, hang naar het 'andere' geslacht, dat in dit geval natuurlijk het mannelijke is.”

In zijn autobiografie zijn het, op een enkele mislukte omgang met een vrouw na, ook altijd jongens of mannen met wie hij seksuele ervaringen heeft. Ook in de verhalenbundel 'Het wisselgeld', dat eigenlijk een verkapte autobiografie in episoden is, blijkt de ontwikkeling van zijn homoseksualiteit een belangrijk, zij het soms wat ondergronds gebleven thema. In 'Het derde huwelijk' is het vanzelfsprekend niet aan de orde, want daar staat de grootmoeder centraal en is Tachtsís' tante - ik ga nu maar even voorbij aan alle vervormingen van de werkelijkheid - de vertelster van het verhaal.

De grootste kwaliteit van Tachtsís' manier van vertellen, in fictie zowel als in het autobiografische, ligt misschien wel in zijn onmoraliserende, de wereld niet mooier of slechter makende laconiekheid. Bovendien kan hij ongelooflijk goed registreren. Hokwerda's vertalingen geven mij de indruk Nieuwgrieks in het Nederlands te lezen, ze lijken mij perfect getroffen. Tachtsís noemde zijn postuum verschenen autobiografie 'De vreselijke rechterstoel', een titel afkomstig uit de orthodoxe liturgie en verwijzend naar het Laatste Oordeel. Zijn boek kan worden opgevat als een goede verdediging van zijn handelen op aarde, een verdediging met allure, waar God onmogelijk doof voor kan zijn geweest.

Kostas Tachtsís is vijftig jaar geworden. Hem is nog geen postume wereldroem ten deel gevallen. Zeer ten onrechte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden