Kootwijkerbroek / Baas op eigen erf

De boeren in Kootwijkerbroek zijn van oudsher gewend hun zaakjes zelf te regelen. Het verklaart ten dele hun verzet. De rellen doen ruraal-socioloog Henk de Haan denken aan de commotie rond de ruilverkaveling op de Veluwe in 1958.

Voor de Nederlands-hervormde kerk aan de Veluwseweg staan vier tractoren geparkeerd. Machtige machines, gevreesd als actiemiddel, maar niet in staat om de overmacht aan politie tegen te houden. Even verderop, bij Broekhuizen aan de Kootwijkerdijk, is -met een vertraging van uren- het ruimen van kalveren en varkens begonnen.

Boven de kerk cirkelt een politiehelikopter. Dominee W. Meijer kijkt er niet meer van op. Zaterdagavond voltrok zich voor zijn deur een veldslag tussen politie en relbeluste jongeren. De medewerkers van de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (RVV) stonden tussen de twee vuren. Meijer: ,,Die mensen zaten in doodsangst. Er werd met ijzeren staven en stenen naar de RVV-busjes gegooid. Een schande.''

Voor zijn preek nam hij zondag Romeinen 12 als thema: je moet geen kwaad met kwaad vergelden. ,,Het ene kwaad is het afmaken en vernietigen van gezonde beesten. Het andere is dat mensen zich met geweld gaan verzetten. Dat kan absoluut niet.'' Voor de orthodox-protestanten in Kootwijkerbroek is het een dilemma: moeten ze de overheid gehoorzamen, zoals in Romeinen 13 staat, of ,,Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen'', omdat het beleid van de overheid indruist tegen evangelische waarden en normen. Meijer: ,,Bij de bevolking roept het mkz-beleid van de overheid grote weerstand op. Dieren zijn schepselen Gods en gezonde beesten kun je niet zomaar afmaken.''

De emoties lopen vooral zo hoog op omdat veel mensen twijfelen of er op de kalvermesterij aan de Kerkweg wel echt mond- en klauwzeer is uitgebroken. In ruim twee weken tijd hebben zich op de 220 bedrijven in en rond Kootwijkerbroek geen nieuwe gevallen voorgedaan, terwijl rond de 'brandhaard' Oene het mkz-virus nog steeds bij andere bedrijven opduikt. Al wekenlang doen complottheorieën de ronde: met mkz als alibi zou de overheid de intensieve veehouderij versneld kunnen inkrimpen. Het kan nog wilder: het ministerie van landbouw heeft in Kootwijkerbroek gruwelijk misgekleund, maar kan om hogere politieke en economische belangen niet meer op haar schreden terugkeren.

Roel Batterink, veehouder in Voorthuizen én leraar aan de middelbare landbouwschool in Barneveld, voegt daar nog een verhaal aan toe, dat moet illustreren hoe de overheid zelf de twijfel voedt: ,,Twee delegaties boeren uit Kootwijkerbroek zouden op het Instituut voor dierhouderij en diergezondheid in Lelystad worden ontvangen om met eigen ogen de testresultaten te zien. Vervolgens werden ze afgebeld met de mededeling dat de betreffende monsters al vernietigd waren. Dat is toch niet te geloven?''

De overheid is heel slordig omgesprongen met de Kootwijkerbroekers, meent Batterink. Ze had er meer rekening mee moeten houden dat het hier gaat om boeren die van oudsher gewend zijn om hun zaken zelf te regelen. Ze zijn baas op eigen erf. Ze weten wel dat er regels nodig zijn, maar kom niet aan hun grond. Bijvoorbeeld als het over milieu- of bouwvergunningen gaat zijn ze er meestal met moeite toe te bewegen zich aan de voorschriften te houden.

Jaren geleden deed Batterink als consulent voor het Nederlands agrarisch jongen kontakt (NAJK) onderzoek onder ongeorganiseerde jonge boeren en daaruit bleek behalve een sterke wil om zichzelf te redden ook een diep wantrouwen tegen de overheid. Toen de RVV'ers met veel machtsvertoon hun dorp binnenkwamen -,,en dat op zaterdag, toen iedereen thuis was''- sloegen de stoppen door.

De boeren zijn ,,koningen in hun koninkrijkjes en dan komt ineens de overheid het overnemen. Dat roept verzet op'', zegt ook dominee Meijer. Hij ziet het heftige protest als de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen. Boeren hebben naar hun gevoel alleen maar last van de wetten en regels uit Den Haag en Brussel. ,,Nu komt de minister en die pakt ons bedrijf af.''

Kootwijkerbroek is een door en door orthodox-protestants dorp. Meer dan de helft van de inwoners stemde bij de gemeenteraadsverkiezingen op de SGP. De gereformeerde gemeente en de (behoudende) hervormde kerk, die ook een streeffunctie hebben, tellen samen meer dan 3500 leden. De boeren uit deze kerken zijn meestal niet bij landbouworganisaties aangesloten. Merkwaardig genoeg waren het volgens waarnemers vooral jongeren uit deze hoek die zaterdag het hardst te keer gingen. Terwijl je juist van hen zou verwachten dat zij weten dat gehoorzaamheid aan de overheid een gebod van God is. Deze bevolkingsgroep staat immers ook bekend om zijn lijdzaamheid. In dit geval zijn er waarschijnlijk andere elementen in het spel, veronderstelt Batterink: ,,Ze voelen zich in een hoek gedreven. Onbegrepen door de paarse regering die ook op allerlei andere terreinen beslissingen neemt die met hun waarden en normen volkomen in strijd zijn. Als Brinkhorst dan zegt dat hij juist van deze gelovige boeren een andere houding verwacht, dan accepteren ze dat niet. Daar komt dan bij dat de jongeren uit deze hoek niet erg best bekend staan. Ze worden op school, thuis en in de kerk aan alle kanten beknot, maar ze kunnen niet met die beklemming omgaan. Als ze dan hun frustratie kwijt moeten, gaan alle remmen los.''

Batterink constateert bij deze 'zware' boeren bovendien een enorme gehechtheid aan aards bezit: ,,Hoe zwarter de kous, des te aardser ze zijn, zeggen wij vaak. Toch vind ik het verschrikkelijk dat deze ramp juist deze mensen treft. Want ze worden ook in hun geloof behoorlijk aangevochten. Want waarop stel je je vertrouwen nu eigenlijk? Op je vee en je stallen, of zoek je het hoger? Dat veroorzaakt een diepe crisis.''

Bij de bouwmarkt aan de Veluweweg stapt een welgedane boer in een splinternieuwe Mercedes. Aan de rand van het dorp liggen kapitale bungalows met strakgeschoren coniferen en gras van Wimbledon-kwaliteit. De landbouw heeft Kootwijkerbroek welvaart gebracht en dus staan de inwoners ,,als één man achter de boeren''. Het is een hechte, gesloten gemeenschap met een bloeiend verenigingsleven ,,waar mensen nog voor elkaar opkomen''. Hard werken staat hoog in het vaandel, maar zelfstandigheid nog meer.

Giralda Broekhuizen, onderwijzeres aan basisschool de Lichtboei én echtgenote van een boer buiten het getroffen gebied, kan de gebeurtenissen nauwelijks plaatsen. ,,Ik woon hier achttien jaar, maar dit had ik niet voor mogelijk gehouden. Kennelijk zijn we inderdaad die hechte gemeenschap waarvoor de buitenwereld ons houdt. Iedereen heeft wel een broer of een neef met een bedrijf dat getroffen is. Of wat dacht je van de loonwerkers? Reken erop dat die ook geen goede zomer tegemoet gaan.''

Zelf had ze eventueel ook best actie willen voeren, maar niet zó. ,,Het is best dat je je tanden laat zien, maar je moet niet bijten. Zo voed ik de hond ook op.'' Zij meent dat de rellen zijn aangesticht door een minderheid van de getroffen boeren. De meesten willen, als het dan toch moet gebeuren, liefst zo snel mogelijk ruimen. Want dan kunnen ze weer gaan denken aan de toekomst. Zo zitten de Kootwijkerbroekers in elkaar. Ook Giralda Broekhuizen meent dat de overheid grove steken heeft laten vallen. Het is bekend dat het met een deel van de agrariërs lastig communiceren is, omdat ze geen televisie hebben en ook verder nergens zijn aangesloten. ,,Als je dan op een informatiebijeenkomst nog geen antwoord kunt geven op de meest voor de hand liggende vragen: wanneer worden we geruimd?, wanneer kunnen we opnieuw beginnen? en op welke vergoeding kunnen we rekenen?', dan is dat vragen om moeilijkheden.''

Het is een combinatie van wanhoop en onmacht geweest die tot de escalatie heeft geleid, denkt zij. Ze wijst erop dat het vooral jongeren waren die door het dolle heen waren van woede. ,,Het zijn de zonen die hun vaders jankend aan tafel zien zitten. Daar kunnen ze geen kant mee uit.''

Veluwse volksaard

Modernisering van de landbouw en een gericht industrialiseringsbeleid waren de pijlers waarop het herstel in de na-oorlogse periode waren gebaseerd. Ondanks de grote deskundigheid van politici en ambtenaren en de inspanningen van de mensen in de praktijk, vielen de beoogde resultaten van het beleid echter niet altijd mee. Landbouwvoorlichters en andere ambtenaren werden op de Veluwe bijvoorbeeld vaak geconfronteerd met traditionalisme, wantrouwen en verzet tegen vernieuwingen. Pessimisten zagen in de vernieuwingsdrang een bedreiging voor de traditionele, door familie en kerk gedomineerde orde. Anderen zagen in het toenemende staatstoezicht op de landbouw een aanslag op het leven van de zelfstandige boer.

Een groot deel van de na-oorlogse Veluwse bevolking was afkomstig uit de, vaak illegale, huttenkolonies van armen die halverwege de negentiende eeuw langs de Zuiderzee waren ontstaan. Het was er hard werken, maar groot was de drang naar een 'klein plekje van deze aarden voor zich zelven', constateerde Sloet tot Oldhuis in 1853. Landarbeiders kwamen er op de naoorlogse Veluwe amper voor, omdat iedereen uit de huttenkolonies, op wat voor manier dan ook, kans had gezien zich op te werken tot kleine boer. Het schrapen en sloven, en de bereidheid alles aan te pakken om uiteindelijk een eigen bedrijf te hebben en te houden, heeft het karakter van de Veluwse boer gevormd.

J. Gazenbeek, de grote Veluwe-kenner, spreekt over de 'onbuigzame, taaie Veluwsche boer'. 'Deze boer, stroef, stug en hard als het donkerroode hout van den eenzamen jeneverbes, die aan den rand van het barre stuifzand een moeilijk bestaan voert, geteisterd door de elementen, maar nochtans onverzettelijk en grimmig standhoudend op de plaats hem door het lot toegewezen.'

Die sterke drang naar zelfstandigheid -een eigen huis en erf- werd in de jaren vijftig en zestig gezien als een zeer belangrijk obstakel voor de economische ontwikkeling. Bedrijfsontwikkelingen in de landbouw, redeneerde men, berustten immers op afvloeiing van boerenzoons en kleine boeren naar andere sectoren van de economie. Zo kon er in de landbouw grond vrij komen voor bedrijfsvergroting, en kreeg de industrie de beschikking over de hoognodige arbeidskrachten. Weliswaar meldden de kleine Veluwse boeren die het hoofd niet boven water konden houden zich bij het arbeidsbureau aan voor een baan in de industrie, maar het eigen bedrijf gaf men niet op. Er was altijd nog de hoop ooit 'zuiver' boer te worden.

Dit vrijheidsstreven kwam ook sterk tot uiting in de houding ten aanzien van de overheid. Inmenging in de bedrijfsvoering werd nauwelijks geduld. Juist dit aspect heeft het beeld van de Veluwse boer voor de buitenwereld sterk bepaald.

Het verband met de Boerenpartij, de SGP en de bevindelijk gereformeerden, ook wel de aanhangers van de zwartekousen-kerk genoemd, wordt soms wat al te gemakkelijk gelegd. Inderdaad leven er op de Veluwe veel mensen die gewetensbezwaren hebben tegen inenting van dieren of tegen kunstmatige inseminatie. Dit betreft echter een kleine groep. Veel groter is de sympathie voor politieke partijen of belangengroeperingen die zich afzetten tegen overheidsbemoeienis met de landbouw. Wat dat laatste betreft bestaat er op de Veluwe een lange geschiedenis van verzet. Dit is grotendeels verantwoordelijk voor het betrekkelijk negatieve imago van de Veluwse boer in de publieke opinie.

Het thema van de bedrijfsvrijheid is niet meer weg te denken uit de naoorlogse geschiedenis van het Veluwse boerenleven. Illustratief is de ruilverkaveling van de West-Veluwe die in 1948 was aangevraagd en na tien jaar van voorbereidingen in 1958 ter stemming aan de betrokkenen werd voorgelegd. Slechts vier procent van de uitgebrachte stemmen bleek vóór ruilverkaveling te zijn, en 37 procent van de stemgerechtigden kwam niet opdraven. Het ongelooflijke was gebeurd.

Uitgaande van de landbouwkundige en cultuurtechnische toestand van het West-Veluwse landbouwbedrijf leek ruilverkaveling hard nodig. De boeren waren uren kwijt de melk binnen te halen. Waarom wilden de boeren hun grond niet dichter bij huis, waarom wilde ze geen wegenaanleg, en betere ontwatering? Desgevraagd antwoordden de boeren dat het veel te duur was en te perfectionistisch. 'Geef ons het beschikbare geld, dan lossen we het zelf wel op', was de teneur.

De werkelijke achtergronden van het verzet lagen echter dieper. Het ging in de praktijk helemaal niet om concrete zaken als ontwatering, kavelgrootte en bedrijfsvoering. Het ging om met elkaar botsende principes. De overheid zag ruilverkaveling als een onderdeel van een ruimer, rationeel planningsconcept. De overheid had de taak om in het belang van de gehele bevolking de verdeling en inrichting van de steeds beperkter wordende ruimte zoveel mogelijk af te stemmen op de behoefte aan welvaartsverhoging. De Nederlandse samenleving werd bovendien steeds meer gezien in termen van maakbaarheid, beheersing en sturing. Als instrument van ruimtelijke ordening was ruilverkaveling in de eerste plaats een middel om economische groei te sturen en te stimuleren.

Bij de West-Veluwse boeren ontbraken een visie op het nationale belang en de kijk op lange termijnontwikkelingen vanuit een breed perspectief geheel. Men was primair gericht op het eigen bedrijf en, in mindere mate, op de eigen lokale samenleving. Planning, het algemeen belang en welvaartsbevordering waren begrippen die niet pasten in de individualistische levenshouding, waarin voor jezelf opkomen centraal stond. Wat dat betreft was er door de jaren heen niets veranderd.

Ook tussen de aard en de betekenis van het boerenbedrijf bestond een wereld van verschil. De ruilverkavelingsgedachte was gebaseerd op het idee dat de boer onophoudelijk inkomensverhoging nastreeft en uiteindelijk de levensstandaard en levenswijze van de burgerlijke middenklasse ambieert. Voor de Veluwse boer stond het behoud van zelfstandigheid echter voorop, het liefst met een onbezwaard bedrijf.

Ruilverkaveling werd gezien als een bedreiging van deze levenswijze en als een ongewenste bemoeienis van de overheid met hun bestaan. Veel boeren hadden het gevoel slachtoffer te zijn van een stortvloed aan regels en maatregelen. Onzekerheid over de eigen toekomst en wellicht een gevoel dat de verandering op den duur toch niet te keren was, vertaalden zich in een anti-overheidsgevoel. De ruilverkaveling symboliseerde als het ware de bedreiging van het oude.

Dit is een bekorte en bewerkte versie van 'De Veluwse boer en de moderne landbouw', die Henk de Haan van de Wageningen Universiteit publiceerde in de bundel 'Anderhalve eeuw Gelderse landbouw', uitg. Regio-Project Groningen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden