Koos van Zomeren

Koos van Zomeren (Arnhem, 1946) is schrijver en journalist. Hij debuteerde in 1965 met de dichtbundel ’De wielerkoers van Hank’. In de jaren zeventig was hij actief in de maoïstisch georiënteerde Socialistiese Partij. Hij schreef thrillers. In zijn latere boeken speelde vooral de psychologische tekening van de personages en de natuur een grote rol. Onlangs verscheen bij de Arbeiderspers ’Nog in morgens gemeten’.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Wij kerkten bij de Vrije Evangelische Gemeente in Velp, dat was een soort – ja, hoe zal ik het noemen? – een soort evangeliserende sekte, een kleine bond van kerkgenootschappen, verspreid door heel Nederland. Het was een blijmoedig geloof, niet geënt op ’de mens is zondig’. Ja, dat wáren we wel, maar als we ons op zondag bekeerden, was alles in ieder geval tot maandagochtend weer in orde. En dat iedere zondag weer. Een eindeloze cirkelgang van in zonde vervallen en weer om vergeving vragen. Je kwam er dus geen stap mee verder. Rond mijn zestiende – dan is de mens misschien wel op zijn scherpzinnigst – kreeg ik oog voor dat soort ongerijmdheden. Zo viel mij ook op dat die blijmoedigheid, het gemak, nee, ik moet zeggen: het gebrek aan diepgang - want dát was het eigenlijk – van de kerk in Velp een grote aantrekkingskracht had op mensen die het slecht getroffen hadden en wilden geloven in de belofte van het paradijs, van een beter leven na dit leven. Dat ondermijnt die boodschap in wezen niet, maar het stemt je wel wantrouwig ten opzichte van de pretenties van absolute waarheid. Ook de combinatie van grootsheid en benepenheid begon mij te bevreemden: hoe kon de Schepper van hemel en aarde – en al wat daar in is – dezelfde zijn als de man die controleert of je fietst op zondag?

Zeker, ik heb in Hem geloofd. Ik vind het concept van God nog steeds fantastisch. Het idee dat de mens, komend uit het dierenrijk, op een goed moment om zich heen is gaan kijken en heeft gedacht: dit moet toch een oorsprong, een bedoeling hebben? Hij bezag zijn leven, het leven van zijn ouders en dat van zijn kinderen en kwam uit bij het idee dat er iemand moest zijn die dat allemaal mogelijk had gemaakt. Dat is toch een fantastische vondst? En het bleef niet bij die ontdekking: ze zijn het er nog met elkaar over eens geworden ook! Ja, je hebt gelijk, God bestaat. Dát vind ik zo ontroerend: niet hun schepping, hun God, maar de mens die dat bedenkt, die worstelt, die naar een bestemming verlangt, die, zo doende, vorm heeft weten te geven aan zijn gevoel van hopeloosheid.”

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ja, ik was een maoïst, maar ik moet je zeggen dat de ideologie bij mij voorop stond. Ik ben nooit een Mao-vereerder geweest. Wat zal ik erover zeggen? Wij zaten niet in China, maar riepen vanuit Nederland allerlei dingen over Mao Zedong. Ik zal niet beweren dat het moreel geen enkele betekenis had, maar de praktische betekenis was gering. Wij hebben geen invloed gehad op de gebeurtenissen in China en zeker niet op de omvang van die gebeurtenissen. Er kleeft dus geen bloed van Chinezen aan mijn handen. Maar goed, het was achteraf bezien een angstwekkend gedachtegoed dat uiteindelijk zelfs in onze eigen kring zijn uitwerking had. Ik schaam me voor de dingen die wij sommige kameraden uit de partij hebben aangedaan. Het was een collectivistisch gebeuren, maar ik heb er van harte persoonlijk aan meegedaan.

Er zat in mijn omhelzing van die politieke ideologie een element van terugkeer naar een betekenisvol leven dat we in de Vrije Evangelische Gemeente kenden. Het was verbijsterend om rond mijn veertigste te ontdekken dat ik weer was uitgekomen bij zaken die ik op mijn achttiende ook al begreep, maar kennelijk op een of andere manier bevestigd had willen zien. Dus die hele omzwerving - het maoïsme, mijn SP-tijd – zou je achteraf kunnen zien als een soort toets: klopt het nou wat ik op mijn achttiende al dacht? Dat vond ik een weinig opwekkende gedachte: dat ik alles al wist en toch dezelfde fouten maakte. In de constatering dat ik die fouten nu echt nooit meer zal maken, klinkt iets van spijt door, want het was ook mooi om onbezonnen te zijn, om toe te geven aan mijn heethoofdigheid, aan een verlangen naar iets mooiers. Om te geloven in een betere wereld.”

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Gelovigen willen het liefst dat je toegeeft dat je God niet mag beledigen. Ze stellen zich God als een persoon voor – zoiets als de president van de Verenigde Staten – en zeggen: je kunt dan wel roepen dat je niet in Hem gelooft, maar je zult toch moeten erkennen dat Hij er is en je dient je aan onze God te onderwerpen* Ik begrijp het wel: je gelooft toch in de beste God die er is – het zou raar zijn als je die pretentie niet zou hebben – en eenieder die Hem afwijst is daarmee beklagenswaardig. En vanuit mijn standpunt bestaat echte gelijkwaardigheid ook niet, want je kunt niet niet geloven zonder daar, op een of andere manier, op neer te zien. Dus, ja, dat wringt en het enige wat je kunt doen is elkaar met humor en zelfspot benaderen. Dan lukt het wel.”

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik blijf op zondag bij voorkeur thuis. Wandelen, de hond uitlaten: dat kan elke dag, als er niet zoveel mensen op de been zijn. Ik ben liever alleen. Ik voel me ongemakkelijk in de omgang met mensen, ben niet tevreden over de manier waarop ik dat doe, dus als ik nou niet met anderen omga, hoef ik ook niet ontevreden over mezelf te zijn.

Het heeft me tientallen jaren gekost, maar ik ben wel meer en meer in overeenstemming met mijn karakter gaan leven. Van alle manieren waarop ik mij kan uiten – hoe ik mij beweeg, de dingen die ik zeg, de mensen onder wie ik mij begeef – ben ik eigenlijk alleen tevreden met wat ik schrijf. De capaciteit om dáár tevreden over te zijn, is enorm gegroeid.

Er zat vroeger een groot gat tussen wat ik ambieerde te schrijven en wat ik werkelijk schreef. De spanning tussen wat ik wil schrijven en wat ik schrijf, is in feite de spanning tussen dingen die van buiten op mij afkomen, de indrukken ik opdoe; de gedachten die ik daaraan koppel en de manier waarop ik die gedachten vervolgens verwerk tot zinnen die ongeveer aangeven wat ik wil zeggen.

Dat proces beheers ik nu* ik zou bijna zeggen ’tot in perfectie’, maar dat komt doordat die zin haast zo móet lopen* Wat zeg je? Punt? Ja, zo is het. Dat beheers ik, punt.”

Eer uw vader en uw moeder

„In mijn puberteit heb ik mij, het gezin vooral als een enorme kwelling ervarend, afgevraagd waar God zich mee bemoeide, want wat is er eigenlijk zo vanzelfsprekend aan het eren van je ouders? Het kan nodig zijn je niets van dit gebod aan te trekken, om jezelf te redden. Waarom het voor mij een kwelling was? Eh* kijk, het gezin heeft in de naoorlogse tijd bij veel mensen in een kwade reuk gestaan omdat het een instrument was waarmee alle heersende, gevestigde belangen werden beschermd en instandgehouden, dus – Nee, hebt gelijk: ik zou met dat ’instrument’ minder moeite hebben gehad als alles bij ons thuis koek en ei was*

Laat ik het zo eens proberen: in die tijd werd de maatschappij opengegooid naar de toekomst en kregen kinderen uit allerlei milieus de kans om te gaan leren. Ze kwamen daardoor op plekken waar ze anders nooit gekomen waren, ze kwamen in aanraking met een levensgevoel, met gedachtewerelden die thuis vreemd waren. Mijn zus op de kunstacademie, ik op het christelijk lyceum – dat ’christelijk’ was wel goed, maar het bleef toch een lyceum – mijn vader beroepsmilitair, mijn moeder huisvrouw: dan krijg je botsende opvattingen en niet elk gezin heeft de structuur en de cultuur waarin dingen gewoon kunnen worden uitgediscussieerd. Een klein voorbeeld: in conflicten met mijn moeder, die in een groot aantal opzichten een doodgoed, zichzelf opofferend mens was, beriep zij zich herhaaldelijk op haar autoriteit als moeder - ’Ik ben nog altijd je moeder!’ – terwijl ze aan haar eigen moeder een uitgesproken hekel had. Zoiets valt je als kind wel op. Dat soort tegenstrijdigheden brachten spanning en onzekerheid met zich mee. Ik zal het gezin geen broedplaats van huiselijk geweld of ongewenste intimiteiten noemen, maar het was wel een dwangbuis. Het ligt niet alleen aan de botsende karakters, maar vooral aan de tijd waarin die karakters moesten proberen met elkaar om te gaan. Het is geen vrije keuze. Je moet het er maar mee doen. Dat is tegelijkertijd ook het mooie van familie: je krijgt langdurig de tijd om dingen die eventueel zijn misgegaan te herstellen, om eigenschappen in elkaar te onderkennen. Dat is met mijn ouders uiteindelijk ook zo gegaan. Mijn moeder is 85 geworden. Ze is op eerste paasdag overleden. Het wonderlijke deed zich voor dat in de confrontatie met haar ziekte, met haar naderende dood, het gezin – zonder de spanning van toen – min of meer werd hersteld. Het was een gruwelijk afgedwongen reünie, waar we – ondanks de betrokkenheid van echtgenoten en kinderen – toch vooral in de oude personele samenstelling mee om moesten gaan. Het is nu nog te veel een gebeurtenis; ik kan niet zeggen wat de impact van haar dood op mijn leven zal zijn. Mijn vader is er nog. Dat is meer dan de helft, want hij kan ook voor mijn moeder spreken. Dus, die generatie – het schild tussen mij en de dood – is nog niet weg.”

Gij zult niet doodslaan

„Ik ben eens, toen ik voor de NRC mijn rubriek ’De levende have’ schreef, naar een slachterij geweest. Het merkwaardige is: dode dieren zijn niet erg. Dode dieren zijn alleen erg als er nog iets zichtbaar is van het lijden dat aan hun dood vooraf is gegaan, en dat is in een slachthuis al snel niet meer het geval. Het gebeurt allemaal zo efficiënt, zo bedrijfsmatig; binnen enkele minuten is er al sprake van een industrieel product.

Het moment vlak voor de dood heeft de grootste lading. Ik begon mijn rondgang bij het eindproduct – anders neem je het vuil mee – en eindigde dus bij een groepje kalveren dat klaarstond om te worden geslacht. Jonge dieren, die in hun leven nog helemaal niets hadden meegemaakt. Onzeker, beetje bangig natuurlijk. Ze kennen de plaats niet, ze kennen de situatie niet.

Ze kennen ook elkaar vaak niet en leken bezig zich af te vragen of ze elkaar wel moesten kennen. Dat het geen zin heeft om daar nog in te investeren, wisten ze natuurlijk niet. Ze werden via allerlei hekken een kant op gestuurd, sloegen een pad in en kwamen dan, via een plank, boven bij de slachter uit die ze een pen in het voorhoofd zou slaan. Toen ik daar aankwam met mijn secondant – iemand van het bedrijf – bleek dat de mannen net pauze hadden en ik zag hoe het voorste kalfje weer van de plank kwam en terugliep naar het groepje. Hij werd besnuffeld, zo van: waar kom jij vandaan? Wat is daar te beleven?

Het was een tragisch moment, maar in zijn tragiek was het toch ook weer mooi want, hoe dan ook: toen ik het slachthuis verliet, leefden ze allemaal nog en waren ze, op een of andere manier aan het dealen met de situatie waarin ze terecht waren gekomen.

Theoretisch gesproken liet ik kalveren achter die allemaal nog prachtige melkkoeien konden worden. Dit vind ik een wonderlijke en hoopvolle gedachte: dat er behalve onbarmhartigheid en meedogenloosheid een wijdverbreid vermogen bestaat om tragiek te ervaren; dat we getroffen kunnen worden door het onheil dat andere levende wezens overkomt.”

Gij zult niet echtbreken

„Dat had onze lieve heer goed gezien, want daar komt een boel ellende van. Maar dat wist hij natuurlijk, net als ik, alleen van horen zeggen.”

Gij zult niet stelen

„Volgens mij is diefstal van stilte de meestvoorkomende vorm van kleine criminaliteit.”

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Dit klinkt haast als een rechtbankartikel, maar als we aannemen dat hiermee ook wordt bedoeld dat je geen onwaarheid mag spreken, wil ik wel bekennen dat ik daar erg rooms in ben. Kijk, je stelt een norm: we liegen niet. Maar de praktijk is: tenzij je belangrijke redenen hebt om dat wél te doen. Het mooie van deze regel is dat je voor jezelf, voor je omgeving – en desnoods voor de Hoge Raad – moet beargumenteren waarom je ervan afwijkt. Het is prima om te proberen je aan bepaalde voorschriften te houden, maar als het je niet lukt, ben je nog niet verloren. Soms is het beter niet te doen wat je je eerder heilig had voorgenomen.”

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik kan niet ontkennen dat ik wel eens met begeerte kijk naar het succes van andere schrijvers, maar nooit, bijna nooit, naar het werk dat anderen doen. Ik zou inmiddels de weelde van het succes ook wel kunnen dragen. Als het op mijn veertigste was gebeurd, zou ik een vervelende man zijn geworden. Ik heb heel lang een hoge dunk van mezelf gehad. Het was een haast religieuze overtuiging; dat ik de gezalfde was die, al schrijvend, duidelijkheid zou brengen op deze wereld. Dat ik degene was die echt alles begreep, maar vooral: dat alle dingen die ik niet begreep ook niet de moeite van het begrijpen waard waren. Ik zou door mijn succes nog vervelender zijn geworden dan Mulisch. Ja, ik ben ergens voor behoed. En de wereld ook.

Maar jaloezie* Ja, ik ben lange tijd jaloers geweest op mensen die in grote, luxueuze landhuizen woonden. Wij waren in de SP ook van plan om al die huizen te confisqueren en aan betere leden van deze samenleving toe te wijzen. Die afgunst is verdwenen omdat ik niet geloof dat mijn leven er wezenlijk op vooruit zou gaan als ik zo’n huis bezat.

Hetzelfde geldt voor een geloof in God. Voor anderen kan het een houvast zijn op een moment van wanhoop of angst. Voor mij niet. Dus hoef ik ook niet jaloers te zijn. En volgens mij maakt God geen enkel verschil. Sommige mensen die in God geloven zijn beter dan mensen die niet in God geloven, maar andersom komt ook voor. Ik zie wel dat het geloof in God verschil maakt voor degene die gelooft – en het zal in sociologische zin ook verschil maken voor de maatschappij waarin we leven–- maar ik zie niet in wat God voor verschil maakt in de grote levensvragen. Ik ben, kortom, zeer ongelovig. Ik heb wel eens geschreven: als God helpt, helpt een lange wandeling ook. Mij helpt die lange wandeling. Om tot rust te komen, om vrede te vinden. En het helpt bij het schrijven, wat toch mijn belangrijkste bezigheid in dit leven is. Buiten zijn, contact met het weer, met de bomen, de dieren – als ik nu zeg dat het voor mij een religieuze bezigheid is, zie ik sommige mensen zich al in de handen wrijven: aha, dus Koos van Zomeren kan ook niet zonder! Maar het vervult voor mij niet meer dan die ene functie. Het is ook niet wat ik bedenk, het is wat ik doe. Uit het doen ontstaat het denken. Dát is de volgorde. Ik voel een zekere onrust – laten we het zo maar noemen – roep de hond, ga naar buiten, begin te lopen en langzaam maar zeker valt alles op zijn plaats. Dat wil zeggen: als ik op pad ben gegaan met de gedachte ’Ik ben nu zestig en ik word geconfronteerd met de volledige mislukking van alles wat ik gewild en gedaan heb’, dan is mijn leven, na die boswandeling, nog steeds mislukt, maar het kan me niets meer schelen. Met andere woorden: ik heb de gemoedsrust en de energie gevonden om, ondanks de mislukking, door te gaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden