Koos Janssen was een lieve en een wijze man

Onlangs overleed mijn leraar Nederlands, hij was vierentachtig jaar oud geworden. Ik had les van hem in de vierde en vijfde van de HBS.

In de eerste klas hadden we een leraar die ons in alle ernst met 'u' aansprak. De middelbare school was voor hem te klein en hij zweefde weg naar hogere academische sferen (de universiteit in Utrecht) nog lang nagestaard door zijn bedremmeld achterblijvende leerlingen.

In het tweede jaar hadden we een buitengewoon aantrekkelijke juffrouw. Stel u voor, een jongensschool in 1962 (HBS en gymnasium) gerund door paters kruisheren, een slordige zevenhonderd mannen en jongens, waarvan naar mijn toenmalige inschatting, 98 procent zijn zaad via ongemakkelijke, om niet te zeggen onnatuurlijke weg, naar buiten moest zien te persen, en temidden van al dit gebarricadeerde erotische tumult trippelde deze mooie vrouw door de gangen. Het was om gek van te worden.

In de derde klas kregen we een leraar die HBS'ers met nauw verholen minachting tegemoet trad. Hij vond het een betreurenswaardig misverstand dat dit klompendansend gepeupel, dat bij Ajax en Heracles alleen maar aan voetbal dacht, zich in de buurt van de Nederlandse literatuur mocht wagen. Zijn minachting werd terugbetaald. Onze afkeer werd bevestigd door zijn keuze van sigaret, de laffe Miss Blanche. Hij was een onhandige roker wiens vlezige lippen altijd aan zijn Miss Blanche bleven plakken, zodat er meestal een stukje vloei op zijn onderlip achterbleef. Wij dachten: stik in Homerus en verdwijn.

En toen kwam Koos Janssen. Die rookte een echte sigaret: Caballero. Wij keken zeer kritisch naar het roken van onze leraren, nee niet uit gezondheidsoverwegingen, maar om na te gaan of ze wel op de juiste wijze genoten van hun rookwaar. Pater Draper, die biologie gaf, was in dit opzicht een gourmet. Hij inhaleerde zijn Panter sigaren zo diep dat er nog minutenlang rook meekwam als hij sprak. Janssen was nogal slordig met zijn Caballero. Als hij voor de klas stond legde hij soms zijn sigaret even weg in de asbak op de lessenaar, die dan ongenoten opbrandde terwijl hij maar doorging met tegen ons te praten. Zonde, dacht je dan.

Janssen was een leraar die praatte met de klas. Ik weet niet hoe hij het voor elkaar kreeg om dertig jongens van zestien of zeventien jaar oud in alle rust bij zich te houden als hij wegdreef van algemeenheden of literaire weetjes naar zijn eigen leven. Het ging heel gewoon.

Hij woonde in een deftig stukje Amersfoort, de BW-laan, en vertelde hoe schandelijk men in die keurige buurt omging met een ouder echtpaar dat lid was van de NSB in de oorlog. Hij nam ons geestelijk mee naar de schouwburg, waar hij 'Wie is bang voor Virginia Woolf' had gezien met Ellen Vogel. Of op bezoek bij vrienden, waar hij een vrouw tegenkwam die met hem sprak over Tolkiens 'In de ban van de ring'. Ze had het almaar over Dodo dit en Dodo dat, en Janssen dacht 'Waar heeft ze het over?' toen bleek dat ze Frodo bedoelde. Zijn commentaar: iemand die Frodo Dodo noemt, die kan geen letter van het verhaal hebben begrepen.

Hij had lang op het seminarie gezeten. Uit die tijd kende hij Fons Jansen en Michel van der Plas. Zo was hij deel van een generatie insiders, die het katholicisme liefst zo zachtjes en attent mogelijk in een fraai graf wilden laten zakken. Hij vertelde hoe ze film kregen op het seminarie en dat Pater Projector bij een naderende kus de film versnelde om de jongens te behoeden voor het vleselijke, waarna hij weer moest vertragen om te zien of het al voorbij was, o jee, nee, dan weer versnellen enzovoort en hoe de jongens daar juist helemaal gek van werden, want niets is immers zo aanmoedigend als een halve onthulling als het over seks gaat.

Er was daar ook een pater die op warme zomerse zondagen de hele dag in de kapel zat te bidden om Gods vergeving af te smeken voor alle zonden die nu ongetwijfeld bedreven zouden worden in park en bos.

Janssen vertelde dit soort dingen met een lichte ironie, soms met medelijden, maar hij was nooit cynisch over het katholicisme. Wij hadden nog nooit iemand zo verstandig en tegelijk zo liefdevol horen spreken over het geloof dat hem ontvallen was. Hij vertelde ons één keer over de dood van zijn kind en hoe hij dat niet kon rijmen met Gods goedheid. Terwijl hij een stap terugdeed naar zijn vergeten sigaret, zei hij tegen een doodstille klas: "Dat iemand je zoiets kan geven - en het je dan weer afneemt ...' hij maakte de zin niet af. De zachtmoedige ernst waarmee hij in zo'n bekentenis de bijl zette in het onzalige idee van Gods bemoeienis met de mens zond een huiver door de klas. Ik weet niet wat we verschrikkelijker vonden, Gods geklungel of zijn verdriet, maar het wonder was dat je precies begreep wat hij zo weifelend aan het zeggen was. Koos Janssen was een lieve en een wijze man.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden