Koolhaas maakt boosaardige grapjes in het Museumpark

ROTTERDAM - Het Museumpark in Rotterdam moet het begrip park een nieuwe inhoud geven. Tot in de natuur wordt hier het accent op cultuur gelegd. Een beekje bestaat uit keien en brokken blauw glas waarvan de meeste intussen gejat zijn. En er is een brug van glas in beton, een moderne versie van de 'follies' die in achttiende eeuwse tuinen de vorm kregen van een obeliskje, een grot, een siercascade. De brug, die een voor gehandicapte ongemakkelijk hoge rug heeft, verbindt namelijk twee parkdelen die niet door water gescheiden zijn.

De gecultiveerde natuur praalt en geurt in het rosarium dat aansluit op de eigen tuin van het Museum Boymans-Van Beuningen. Een klein deel van het oude park met bomen van een eeuw oud is gehandhaafd als 'romantische tuin'. Op enkele plekken echter zijn vloerplaten aangebracht voor een zitje en een lantaarn. De nabije bomen zijn dan weer vriendelijk in klimop gehuld. Het podium moet met betonnen banden, metalen strips en een vliegveldverlichting aan een landingsplatform doen denken. Het grenst aan een veld waar nog zeer prille appelboompjes in het gelid staan.

Een Stichting Museumpark, waarin de belendende musea vertegenwoordigd zijn, moet festivals en andere evenementen op het platform organiseren. Verwacht wordt dat Rotterdam met dit park en de aangrenzende musea in behoeften van de stadsbevolking zal voorzien en ook in programma's van touroperators zal worden opgenomen.

Voor een dagje Diergaade Blijdorp en voor grote popconcerten, voor Poetry- en Film International komt men wel van verre naar Rotterdam, maar voor een groot deel van de eigen stadsbevolking betekenen kostbare culturele instellingen zoals het Museum Boymans-Van Beuningen nog te weinig. Een ingrijpend plan om daar verandering in te brengen ontvouwde in 1977 drs. A. J. van der Staay, toendertijd directeur van de Rotterdamse Kunststichting.

Hij opperde een 'Volkspark voor de Cultuur'. Basispaviljoens met thema's waar publieke belangstelling voor bestaat en flexibele expositieruimten zouden moeten concurreren met de Keukenhof in het aantrekken van massale dagrecreatie. Dit populistische plan werd door de directies van de bestaande musea onder leiding van dr. Wim Beeren in de kiem gesmoord. In plaats daarvan is nu in een potentieel aantrekkelijk gebied een gevarieerd museaal aanbod tot stand gebracht.

Wat er wel is, mag er zijn. Het kunstmuseum is onlangs uitgebreid met een bijzonder fraai, door Hubert-Jan Henket ontworpen paviljoen dat op een gevoelige manier in de museumtuin is geschoven. Dit paviljoen dient de collectie Vormgeving, die, wat de afmetingen van objecten betreft, beperkt wordt door de in het gebouw beschikbare accommodatie. Er is dus nog alle aanleiding tot een speciaal museum voor industriele vormgeving, maar daar durft men in deze conjunctuur niet over te praten.

De Kunsthal is, zoals interim-directeur Wim van Krimpen het uitdrukt, een 'tentoonstellingsmachine'. Ze was in de eerste plaats bedoeld voor grote projecten die de Rotterdamse musea in eigen huis moeilijk kunnen bergen. In de praktijk hebben die musea geen geld om ruimte te huren. Tot nu toe moet de heel zuinigjes gesubsidieerde Kunsthal het dus van het eigen expositiebeleid hebben. Dat is bewonderenswaardig gevarieerd.

Niettemin is het bezoekcijfer tot nu toe ver beneden de verwachtingen gebleven. Dat zal mede te wijten zijn aan de omstandigheid dat de weg door het in aanleg zijde Museumpark tot kort geleden min of meer versperd was met zandhopen en bulldozers, terwijl de toegang via de Westzeedijk voor voetgangers onaantrekkelijk is. De wandeling door het park gaat nu aangenaam worden.

De Kunsthal en het Architectuurinstituut zijn ontworpen door twee zeer verschillende architecten, maar de gebouwen hebben gemeen dat men er goed ter been moet zijn. Men loopt er op hellingbanen, zodat men bij het naar beneden gaan 'op de motor' moet afremmen. Wat de Kunsthal betreft, die van het park tot de 5 meter hogere Westzeedijk reikt, lag het gebruik van hellingen voor de hand. De hal omvat onder meer drie grote expositieruimten, een smalle galerie met twee verdiepingen, een auditorium en een restaurant. Rem Koolhaas heeft het gebouw als het ware verticaal doorgesneden en de delen zo uit elkaar geschoven, dat daartussen een overdekte openbare weg is ontstaan. Boven die hellende weg zijn de bouwdelen met elkaar verbonden langs een hoekig-spiralende route.

Veelgeprezen

In en aan de in de vakpers veelgeprezen hal heeft Koolhaas voor nog enkele karakteristieke (boos)aardigheden gezorgd. Op de verdieping van de galerie in het pand kan men het zand aan zijn schoenen door de roostervloer heen kwijt op bezoekers van de parterre. Op de schuin geplaatste trap naar de vestiaire moet men goed uitkijken om niet mis te stappen, evenals op de per stuk twee passen vergende treden naar en van het bovenste niveau. De vloer van het auditorium helt ten opzichte van het openbare tussenpad in tegengestelde richting. Wie uit de hal naar het Museumpark links wil, moet toch eerst even naar rechts om geen smak tegen het beton te maken. Maar daar heeft Rotterdam dan ook weer een spraakmakend stuk architectuur voor.

Het door de Heerlense architect Jo Coenen ontworpen architectuurinstituut bestaat uit een samenstel van drie duidelijk te onderscheiden panden. Een loopbrug leidt over een nieuw aangelegde vijver naar de centrale hal met publieksvoorzieningen. Deze hal is, net als de glazen piramide van het Louvre, tevens een verdeelpunt voor bezoekstromen. Men kan zich naar het vierkante tentoonstellingsgebouw begeven of naar het lange, banaanvormige gebouw op poten waar de bibliotheek, de studiezalen en de kantoren zijn. Ook de redactie van het vakblad 'Archis' is hier ondergebracht.

Het werkgebied van het Instituut omvat architectuur, stedebouw, landschaps- en interieurarchitectuur. Van het hedendaagse bouwen zijn vlakbij in de stad velerlei vormen te vinden. Wat de stedebouw betreft is Rotterdam zeker niet voorbeeldig. Na het bombardement, in 1941 al, ontwierp de Stedebouwkundige Dienst een hecht wederopbouwplan. Daarentegen zag het basisplan van 1946 af van zo'n exact beraamde vormgeving, ten gunste van een 'vlekkenplan' dat ingevuld is naar gelang van omstandigheden. De gevolgen van dit opportunisme zijn het deerlijkst in het hart.

Midden in de stad heeft een restruimte boven een parkeergarage een rand die alleen aan de zijde van De Doelen gaaf is en verder bestaat uit bebouwing van zeer ongelijke kwaliteit. Enkele hoge woonblokken staan met hun kopse kant naar dit 'Schouwburgplein' waar de schouwburg zijn rug naartoe keert. Nadat enkele reddingsplannen voor dit gebied zijn afgeketst, zal er nu een bioscoopcomplex verrijzen.

Het Nederlands Architectuurinstituut is vooral een specialistisch congres- en studiecentrum. De openbare studiezaal is evenals het expositiegebouw toegankelijk voor alle belangstellenden. Voor specialisten die een wetenschappelijk onderzoek verrichten dat nergens beter dan daar kan plaatsvinden, zijn er bijzondere faciliteiten, waaronder zeven studiekamers. Gastonderzoekers moeten daar een of meer openbare lezingen tegenover stellen.

Als nieuwkomer op het gebied van de cultuur kiest Rotterdam inderdaad graag voor elders al gevestigde reputaties, maar de gezichtsbepalende gebouwen zijn er - anders dan in Den Haag of Groningen - aan Nederlandse architecten toevertrouwd: Weeber, Blom, Quist, Van Erk, Bonnema, Koolhaas, Coenen. Zo zullen de jonge architecten van het Delftse bureau Mecanoo het Natuurmuseum van een bescheiden uitbreiding voorzien. Dat museum is ondergebracht in de vroegere woning van de heer Van Hoboken, die eigenaar was van heel dit gebied. Hij zou het niet meer herkennen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden