Koningsdag als seculiere religie

Koninginnedag wordt Koningsdag. Het lijkt vanzelf te gaan, maar welke mechanismen gaan hierachter schuil? En heeft het volksfeest nog een historische dimensie?

Op 31 augustus 1885, op de verjaardag van de toen vijfjarige Wilhelmina, werd de eerste 'Prinsessedag' gehouden, een initiatief van J.W.R. Gerlach, hoofdredacteur van het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad. Zes jaar later, na het overlijden van koning Willem III, werd Prinsessedag tot Koninginnedag gepromoveerd. Een jaarlijks terugkerend kinderfeest, aanvankelijk.

Een ruime eeuw later weten we niet beter of Koninginnedag is de nationale feestdag. Morgen heet deze voor het eerst in de geschiedenis Koningsdag. Wat heeft deze nationale feestdag te betekenen?

Ger Groot, filosoof en bijzonder hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen: "Wat mij opvalt aan het fenomeen, is dat het aan sterke fluctuaties onderhevig is. Ik kan me nog herinneren dat Koninginnedag aan het einde van de jaren zestig op sterven na dood was. Pas in de jaren tachtig is de traditie enorm opgebloeid, en uitgegroeid tot het krankzinnige volksfeest dat het nu met name in Amsterdam is geworden. De kleur Oranje is nu zo ongeveer het eerste wat opdoemt bij nationale gevoelens, bij EK en WK voetbal verschieten hele straten van kleur. Dat was tot enkele decennia terug ook nog helemaal niet het geval.

"Zoals de meeste feesten die wij vieren, stamt het gebruik uit de negentiende eeuw, of zelfs van nog korter geleden. De eerste intocht van Sinterklaas vond plaats in 1936. Eric Hobsbawm en Terence Ranger noemden dit the invention of tradition ('het uitvinden van traditie'). In sommige Spaanse dorpjes jaagt men elk jaar stieren door Vinex-wijken, omdat dit traditie heet te zijn. Die wijken bestaan pas tien jaar. Zo'n bedachte traditie moet de wijk karakter, samenhang en cachet geven."

Frank Ankersmit, emeritus-hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen: "De Fransen konden daar ook wat van. Toen men in de negentiende eeuw voor de opgave stond om één natie te maken van de betrekkelijk onsamenhangende regio's waaruit Frankrijk bestond, creëerde men een schoolboek waarin elke dag van het jaar een historische gebeurtenis werd belicht. De vorm was een soort Tour de France: elke gebeurtenis werd gekoppeld aan een locatie, want mensen slaan herinneringen op aan de hand van plaatsen. Zo zouden alle Franse schoolkinderen bij bepaalde plaatsen aan dezelfde gebeurtenissen gaan denken.

"De Franse historicus Pierre Nora heeft dit proces beschreven in zijn monumentale serie 'Les Lieux des Mémoire'. Volgens hem leefden wij ooit organisch met ons verleden, als vissen in een zee van geschiedenis. Tegenwoordig zijn we op het droge beland, en moeten we het doen met de kleine poelen die bij eb op het strand achterblijven. De geschiedenis is teruggebracht tot kille, gekunstelde constructies. Op de nationale feestdag in Frankrijk, quatorze juillet, ziet Nora enkel een feest met veel drank en uiterlijk vertoon, terwijl de Franse Revolutie volgens hem nog in alles zou moeten resoneren.

"Ik zie het niet zo zwart in als hij. Al denk ik dat onze afstand tot het verleden wel vergroot is doordat we er minder over doorgeven aan nieuwe generaties, onze historische identiteit is daarmee nog niet verdwenen. Door de invention of tradition is de werkelijke band met het verleden niet verdwenen - dat zou niet kunnen, we zijn door het verleden gevormd - maar ze is als het ware ondergronds gegaan. Die onbewuste historische identiteit leent zich slecht voor feestdagen."

Groot: "Dat weet ik niet. De traditie van zo'n feestdag is denk ik te vergelijken met de liturgie, het geheel van rituelen, gebeden en muzikale elementen waaruit kerkdiensten bestaan. Liturgie wordt traditie doordat mensen er steeds opnieuw aan deelnemen zonder te vragen naar de oorsprong ervan. Zoals elke traditie is de liturgie ooit bedacht. Maar zo wordt ze niet ervaren, ze wordt beleefd als natuurlijk en tijdloos. Het stichtingsmoment staat de ervaring van tijdloosheid niet in de weg, maar is opgegaan in vanzelfsprekendheid. Zo ontstaat gesimuleerde eeuwigheid. En omdat iedereen erin gelooft, of er op zijn minst in participeert, is het gemeenschap-stichtend. Het gaat niet om wat een liturgie zegt, maar wat een liturgie doet. In die zin is Koningsdag een liturgie.

"Het is een seculiere religie; de staat legitimeert zich met quasireligieuze middelen. Het maakt daarbij niet zoveel uit of mensen echt geloven in de mythe van Oranje en het koningschap. Ook als mensen Koningsdag enkel zien als een vrijbrief om dronken te worden, nemen ze deel aan een collectief gebeuren dat de eenheid bewerkstelligt. Het geloofsverhaal stijgt op uit de onontkoombare daden: het feit dat bijna iedereen vrij is, het feit dat we met zovelen de straat op gaan. Het is niet zo dat we dit doen omdat we geloven dat we een natie zijn. Maar doordat we dit doen, worden we het wel."

Ankersmit: "Nora zou het daar misschien wel mee eens zijn, maar hij zou ook zeggen: pas op, hier is iets irreversibel verloren gegaan. De band met Oranje, die vroeger echt doorleefd was, is via een uitgevonden traditie kunstmatig geworden. Voor zover mensen zich door zo'n feestdag aan de natie zullen binden, zullen ze er vooral hun eigen ervaringen op projecteren. Ongeveer zoals bij een oorlogsmonument waarover iemand zegt: 'Zittend op de stenen trap van dat monument heb ik mijn eerste liefde ontmoet.'

"Met de oorlog waar dat monument aan herinnert, heeft die eerste kus niets van doen. Het monument is niet meer dan een aanleiding voor dingen die in het heden gebeuren, in plaats van onze blik op het collectieve verleden te richten. Voor iemand die werkelijk geloof hecht aan de drie-eenheid God, Nederland en Oranje, moet de hedendaagse Koningsdag een gruwel zijn."

Groot: "Of mensen werkelijk geloof hechten aan de Oranjemythe of het idee van een nationale identiteit, doet er niet zoveel toe. Misschien hechten veel mensen daar bijzonder weinig betekenis aan en kan het koningshuis ze heel weinig schelen. Van de politieke partijen is er eigenlijk niet één die zich er hard voor maakt om de monarchie af te schaffen, zelfs niet in de aanloop naar de troonswisseling. Terwijl het koningschap natuurlijk een Fremdkörper is in een parlementaire democratie. Niemand die zich daartegen verzet.

"Daar staat tegenover dat er ook weinig hartstochtelijk Oranje-nationalisme is. De enige echt nationalistische politicus, Wilders, is toevallig geen fan van het koningshuis. Ook de feestende massa loopt niet over van diep doorleefde Oranjeliefde. Maar in het simpele feit dat we zonder enig morren meegaan in dit soort dagen, en ook in deze eerste Koningsdag, bewerkstelligen we via onze daden bijna ondanks onszelf de beoogde nationale eenheid."

Koninginnedag in Amsterdam, 1926.

filosofisch elftal

Haring

Achterhuis - Roeser - Ankersmit

Van Tongeren - Spruyt - Groot

Van Brederode - Huijer - Noordegraaf-Eelens - Gescinska

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden