Komrij vrat dwars door brij aan kinderpoëzie

Gerrit Komrij, de bekendste en beruchtste bloemlezer van de Nederlandse literatuur, stond voor zijn laatste project tot zijn knieën in een zee van papier. Het eindeloze schikken, schuiven en schrappen leidde tot een bloemlezing van de Nederlandse kinderpoëzie. „Ik ben peuterpoëzieprofessor geworden.”

Als jongetje was Gerrit Komrij al bloemlezer, dichter en archivaris. Vanaf het moment dat hij kon lezen, sleepte hij zoveel mogelijk boeken naar zijn zolderkamertje in de Iepenstraat 23 in Winterswijk, zette alle banden keurig in het gelid, en maakte van zijn verzameling een verbazingwekkend goed gevulde en gesorteerde kaartenbak. Op zijn twaalfde stelde hij een keurig gerubriceerde ’Keuze uit de gedichten, rijmpjes en versjes van Gerrit J. Komrij’ samen. In de afdeling ’luim en ernst’ stond de regel te lezen: ’In een vaers / is niet veel waers.’

Vijftig jaar later is er in wezen niet veel veranderd. Komrij is de bekendste en beruchtste bloemlezer van de Nederlandse literatuur geworden en nog immer is hij een verwoed verzamelaar van boeken. Zijn adembenemende bibliotheek in het grote witte huis in Vila Pouca da Beira, een niemandsdorp in een uitloper van het Portugese gebergte van de sterren, telt inmiddels 50.000 titels. „Ik ben een Hollebollegijs.”

In het voorjaar van dit jaar ontstonden in de bibliotheek stapeltjes boeken, kopieën en aantekeningen die moesten leiden tot een bloemlezing van de Nederlandse kinderpoëzie. „Ik heb”, vertelde Komrij in maart van dit jaar, „altijd al zo’n bloemlezing willen maken. Kinderpoëzie begint waar alle poëzie begint: bij het taalgevoel, de muziek, de fantasie, de onschuld – een prachtig genre.”

Tegelijk heeft Komrij er moeite mee om de kinderpoëzie een apart genre te noemen. „Het is zonderling om kindergedichten af te scheiden van de rest van de poëzie. Sommige dichters, zoals Hendrik de Vries of Jac van Hattum, hebben heel specifiek voor kinderen geschreven, maar bij veel anderen is hun werk voor kinderen nauwelijks te onderscheiden van hun werk voor volwassenen. Niet kwalitatief en niet van aard.”

Dit jaar moest de kinderpoëziebloemlezing er ineens uit, als een prop uit de proppenschieter. Komrij legde zich vast op de deadline, en ging in maart met volle kracht vooruit om de vijfhonderd beste gedichten uit de Nederlandse kinderpoëzie te zoeken en te vinden. In juni vertrok hij naar Nederland, om zich daar twee weken lang te laten opsluiten in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Op de eerste ochtend schreef hij op zijn weblog bij de aanblik van kasten vol kinderpoëzie: ’Daar staan ze dus, in alle vroegte, de eerste twaalfhonderd boeken. Kleinduimpje staat voor de Niagara.’

Twaalf uur per dag reden de KB-medewerkers van Bijzondere Collecties ’wagentjes vol stof’ zijn kamer binnen. Komrij leek wel te zijn veranderd in een papierverwerkingsmachine. Als bij een lopende band schoven stapels alfabetten, bloempjes voor de jeugd, drukvelletjes, bundels en prentenboeken in ongelooflijk tempo van links naar rechts over zijn bureau. Zijn ogen een scanapparaat. „Ik vreet me door de rijstebrijberg”, zei hij op 12 juni van dit jaar, in zijn kamer in de KB tijdens een onaangekondigd bezoekje. „Ik ben een spons, een zwart gat, een valluik, een stofzuiger dezer dagen.” Vervolgens keek hij de bezoeker uiterst vriendelijk aan. „En nu opgedonderd. Ik heb werk te doen.”

In dat stadium van het werk wist Komrij nog niet precies welke kant het opging. „Ik vreet wel, maar waar naartoe?” Hem trof vooral de diversiteit – en die wilde hij behouden. „Zodra een dichter duikt in zijn eigen kinderleven, zijn eigen jeugd beschrijft en de sensaties die daarbij horen, behoort het tot het terrein van de kinderpoëzie. Ook al is het bedoeld van volwassene tot volwassene. Dèr Mouw heeft dat gedaan, en Nijhoff. Dus die gedichten moeten erin. In zekere zin is dat problematisch omdat er ook kinderpoëzie voor drie- en vierjarigen bestaat. Peuterpoëzie. Die is natuurlijk van een totaal andere orde. Die is vaak bedoeld om wijze lessen mee te geven, of gevoel voor kadans en metrum. Springtouwliedjes, knieliedjes. Hop paardje hop.”

Toch liggen beide gebieden ook weer niet zó ver uit elkaar. „Denk maar aan Van Ostayens ’Marc groet ’s morgens de dingen’: ’Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem, ploem ploem’. Of ’Oote Boe’ van Jan Hanlo. Dat zijn toch eigenlijk bakerrijmpjes. Speelse, absurde poëzie, die kinderen van drie geen enkele moeite kost. Pas als ze schrijven voor oudere kinderen gaan dichters allerlei levensfilosofie aanbrengen. Dat is van alle tijden. In feite is er geen verschil tussen de belerende gedichten van Hieronijmus van Alphen en de politiek-correcte dichters van nu. Je mag geen pruimen plukken én Marokkaantjes zijn ook mensen.”

De opgelegde moraal die veel kindergedichten bevat, kan Komrij niet deren. „Die denk ik er maar een beetje bij weg. Vaak wordt in kindergedichten van alles beschreven wat niet mag. Alles wat lelijk is en ondeugend. Dat is natuurlijk altijd mooi. Maar of je er in de slotregels nu bij zegt: foei, dat mag je niet doen – zoals in de achttiende en negentiende eeuw – of: sla je vader maar, moet je vooral doen! – zoals in de eenentwintigste eeuw – dat blijft eigenlijk hetzelfde. Het verhaal, datgene wat niet deugt, dat staat er toch maar. Dus ik knip de moraal er in mijn hoofd altijd af. Dat is hetzelfde als bij alle James Bond films – die kijk je ook niet voor die flauwe slotzoen aan het eind. Op het moment dat James nog even met de Bondgirl in het gras ligt, loop je de bioscoop alweer uit. Je komt voor de gevaren die daaraan vooraf gaan.”

Komrij vloog eind juni weer terug naar Portugal met meer dan tweeduizend vellen met kopieën. Een extra set bleef achter in Den Haag, voor als het vliegtuig neerstort. „Ik stort dan mee, maar de kopieën zijn dan nog in leven.” Uit dat witte blok papier moest hij thuis in Portugal de bloemlezing tevoorschijn gaan toveren, zoals Michelangelo ooit zijn beelden uit het marmer bevrijdde.

De weken daarop lag door het hele huis in Vila Pouca het gruis van het hakken in het steen. De bloemlezer stond tot zijn knieën in een zee van papier en ijsbeerde er tussendoor, steeds iets onzichtbaars verschikkend, een aantekening makend, schrappend of resoluut iets terzijde schuivend. Weg met ’De wakkere jongeling’ van Jacob van Lennep. Maar ’Een aardig ventje’ mag blijven. Papieren komen, papieren gaan. Steeds opnieuw veegt Komrij zijn werktafel schoon. Tabula rasa. Hij moppert, lacht, gromt. Langzaam beginnen de contouren van het boek zich af te tekenen. „Ik kies op kwaliteit. Het moet een goed gedicht zijn. Maar ik kijk ook of het gedicht iets zegt over de tijd, of over de manier waarop kinderen dachten. Of wat men dacht dat kinderen dachten.”

In de chronologie van de bloemlezing zie je de maatschappelijke omstandigheden veranderen. „Ik vind het heel erg leuk als in de poëzie voor het eerst een luchtballon opduikt, een straatlantaarn of een stoomlocomotief. Je ziet eraan hoe verbaasd kinderen moeten hebben aangekeken tegen dingen die nu vanzelfsprekend zijn. Of allang weer vergeten. Dus, jazeker, het cultuurhistorische element heeft bij mijn keuze zeker ook een rol gespeeld. Hoe wordt de poëzie gebruikt om kinderen dingen te leren of ervaringen te verwerken? Dat is machtig interessant. Als je de kinderpoëzie van de achttiende eeuw alleen maar zou bekijken met het oog op wat er nú nog nuttig of relevant zou zijn, dan kom je niet ver. Maar de schrik of verbazing over iets nieuws blijft universeel.”

De loop van de geschiedenis valt ook te volgen via de huiselijke verhoudingen, die aan grote veranderingen onderhevig zijn geweest. „Echtscheidingen zal je in de negentiende eeuw niet veel tegenkomen. Die waren er misschien wel, maar er werd niet over geschreven. Pas toen ouders openlijk uit elkaar gingen, werd het ook een groot probleem in de kinderpoëzie.” In de moderne bundels stikt het van de echtscheidingen. „Ik kan ze niet meer zien. Willen de mensen daar mee ophouden, ook in de naam der poëzie!”

Wat altijd als onderwerp is gebleven, is de dood. „De dood van oma staat met stip op één, al nadert de dood van het hondje angstig dicht.” Komrij schuift een ander stapeltje naar zich toe. „Ik ben ook dol op gedichten die de werking en het effect van speelgoed beschrijven. Drijftollen. Het klappen van de zweep. Dat wordt dan gekoppeld aan wijze lessen over de snelheid. Dat je toch rustig en met mate moet slaan, anders blijft de tol niet overeind.” Komrij grinnikt. „Ja, ja, ik heb er verstand van. Ik ben peuterpoëzieprofessor geworden.”

Op tafel ligt nog één eenzame kopie, van een anoniem gedicht uit 1820. ’Goedhartigheid’ heet het. De eerste regels luiden: ’Gerrit was een leerzaam knaapje, / Ondeugd wierd van hem gehaat.’ Komrij snuift. „Zo zie je maar.”

Midden in augustus, het is buiten 36 graden en de deadline van de uitgever is eigenlijk al gevallen, komt het definitieve boek eindelijk in beeld. Komrij schuift dag en nacht in zijn zijden kamerjas door de donkere bibliotheek. Hij oogt moe, maar koel. Bij zijn uiteindelijke selectie heeft hij hetzelfde systeem toegepast als in zijn vorige bloemlezingen: maximaal tien gedichten per dichter, en minimaal nul. „Dat is een methode die zijn waarde bewezen heeft om de bloemlezing niet eindeloos te laten uitdijen. Je kunt niet van Annie M.G. Schmidt het hele oeuvre gaan opnemen.”

Komrij weet zo snel geen geschikter systeem, al is hij zich ervan bewust dat zo’n keuze ook vertekent. „Als ik in een oeuvre met moeite tien geschikte gedichten zou kunnen vinden, dan kies ik er liever acht of negen. Maar er zijn ook dichters van wie ik er wel honderd zou kunnen kiezen. Een dichter die zeven gedichten krijgt, is niet per definitie meer dan twee keer zo goed als een dichter die met drie gedichten is vertegenwoordigd. Het is een mix van factoren: het aantal, de lengte, dat wat de dichter totaal heeft gepubliceerd.”

Leidt die mix dan tot een wiskundige formule, de Komrij-coëfficiënt? Hij schudt het hoofd. „De selectie gaat volkomen intuïtief. Ik houd me altijd verre van dat gereken, waar men in recensies van mijn bloemlezingen zo dol op is. De keuze rolt er zo uit, ik ben er ook verbaasd over. Zo zit er nu een dichter tussen van wie ik vorig jaar nog nooit gehoord had. Nu ben ik alleen zijn naam weer kwijt... zo zie je maar, het gaat mij niet over de namen en de nummers. Alleen de gedichten tellen.”

In de inhoudsopgave – een kunstwerk op zich, tientallen bladzijden lang, vol titels, data en plaatsen van herkomst – duikt de naam op. „Ja, dat is ’m: Gerard Berends. Fantastische dichter!” De andere dichters die van Komrij een tien met een griffel kregen zijn, in alfabetische volgorde: Hieronijmus van Alphen (1746-1803), J.P. Heije (1809-1876), Sjoerd Kuyper (1952), P. Louwerse (1840-1908), Annie M.G. Schmidt (1911-1995), David Tomkins (pseudoniem J.W.N. Le Huex 1880-1952) en Willem Wilmink (1936-2003).

„Ja, nu je dit stelletje zo opnoemt, zal het kloppen. Ik heb nu eigenlijk geen idee wat ik heb gemaakt. Dat zie ik pas als ik het boek in handen heb op de presentatie. Het is nog altijd een rijstebrij. Pas als het typografisch een democratische orde wordt, in één letter, een boek waar je, rats! van links naar rechts en rechts naar links doorheen kunt bladeren, dan zie ik voor me wat ik mijn hoofd had. Maar nu is het nog een boek van 20.000 bladzijden.”

Op maandag 13 augustus, 12.00 uur precies, is het ding af. Komrij slaakt een zucht van verlichting. „Dat was dan weer een half jaar uit mijn leven.” De opluchting bleek achteraf van korte duur. Nog geen week later kwamen de drukproeven ter correctie, in portie na portie, en dat was een zenuwenwerk. Bovendien werd duidelijk dat de bloemlezing toch geen ’500 en enige’, maar ’1000 en enige gedichten’ moest gaan heten. Pas na een nieuwe slapeloze week is het dan echt gedaan. De stapel ’schone’ vellen oogt weer als een massief marmeren blok. Komrij schuift de steen naar zich toe, splijt die blind en leest hardop: ’Ja het lezen schenkt mij veel vermaak / na ik voldaan heb aan mijn taak.’

Alles staat erin.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden