Komen katten altijd op hun pootjes terecht?

Sander Becker

Katten hebben negen levens, luidt een bekende spreuk. Deze is gebaseerd op het mysterie dat katten, als ze ondersteboven uit een boom storten, meestal toch netjes op hun poten landen. Hun wendbare lichaam en sterk ontwikkelde evenwichtsorgaan staan garant voor die prettige landing.

Toch verloopt het niet altijd naar wens. In 1998 beschreef een Milanese biologe in het Annals of Improbable Research een proef waarbij ze een geleende poes, Esther, ondersteboven liet vallen vanaf steeds geringere hoogtes. Eerst probeerde ze het vanaf 180 centimeter van de grond: Esther landde keurig op haar pootjes, alle honderd pogingen. Op 150, 120, 90 en 60 centimeter ging het al even voorbeeldig. Maar op 30 centimeter ging het mis; vanaf die hoogte landde de arme poes telkens op haar rug of zij. Bij te lage valpartijen komen katten kennelijk níet op hun pootjes terecht.

De Amerikaanse wiskundige Joseph Mahaffy heeft dit fenomeen in het jaar 2000 theoretisch onderbouwd. In de literatuur had hij gevonden dat een vallende kat ongeveer 0,3 seconden nodig heeft om zijn lijf ’overeind’ te draaien. In die korte tijd, rekent Mahaffy voor, zorgt de zwaartekracht ervoor dat het dier ongeveer 45 centimeter aflegt. Kortom: een kat moet van minstens 45 centimeter vallen, anders is hij te vroeg beneden om zich nog te kunnen omdraaien.

Er is ook een máximale valhoogte waarop een kat nog op zijn pootjes landt, schreef de Amerikaanse fysioloog Jared Diamond in 1988 in het vakblad Nature. Hij kwam daar achter toen hij een bizarre ongevallenstatistiek uit New York bestudeerde. Dierenartsen uit die stad hadden 132 meldingen geturfd van katten die ten minste vanaf de tweede verdieping van een gebouw waren gevallen.

Gemiddeld hadden de dieren 5,5 etages langs zien schieten, één dier zelfs 32. Ongeveer 90 procent overleefde de val, waaronder ook de kat die was neergestort vanaf de 32ste. Vreemd genoeg deden de ernstigste verwondingen en de hoogste sterfte zich voor bij valpartijen vanaf de zevende verdieping; hogere tuimelarijen leverden juist minder schade op. En dat heeft iets met die pootjes te maken, meent Diamond.

Als katten van grote hoogte vallen, becijfert hij, bereiken ze na zo’n 30 meter hun maximale snelheid: zwaartekracht en wrijvingskracht zijn dan aan elkaar gelijk. Tot dat moment houden de dieren hun poten reflexmatig omlaag gericht. Merken ze dat ze met een constante vaart omlaag beginnen te zoeven (zo’n 97 km/ uur), dan spreiden ze hun poten. Daarmee slaan ze twee vliegen in één klap: hun weerstand neemt toe (en de valsnelheid dus af), én ze vangen de dreun niet meer alleen met hun pootjes op, maar met heel hun veerkrachtige lichaam, wat de schade beperkt. Daarom is het voor een kat minder erg om van de achtste verdieping te vallen dan van de zevende – die laatste komt grofweg overeen met de ’pootjesgrens’ van 30 meter.

Om kort te gaan: katten komen altijd op hun pootjes terecht, behalve als ze van een te hoog of te laag plekje tuimelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden