Kom me niet vertellen dat de doop onschuldig is

Doop | Stephan Sanders ging een beetje proefgeloven. 'Ik neem het woord God in de mond, om te zien of ik het kan uitspreken zonder te giechelen', zei hij in Trouw. Op deze plek doet hij maandelijks verslag van zijn vorderingen.

Hij wordt nu gedoopt, en niet zo lang geleden zat ik nog met hem in het café vele glazen wijn te drinken en te proosten op de aanstaande plechtigheid. De dopeling is een kind van God, zo is het, maar blijft ook gewoon een volwassen man van zevenentwintig.

Hij staat daar midden in de kerk, geëscorteerd door zijn Meter, met het doopkleed omgeslagen. Grote man, zwart haar, zwarte baard. Een oudtestamentische gestalte in de rooms-katholieke kerk, de rabbi van nog vóór het christendom. In één keer door de mangel, én gedoopt, én de heilige communie én het vormsel. Het klinkt Las-Vegas-achtig - get married in 5 minutes - maar alles gebeurt toegewijd, met een instemmende, toeziende parochie. Die ineens applaudisseert, om de lidmaat welkom te heten. Dat applaus is hartverwarmend, en toch ook bijna een stijlbreuk, want het koor zingt in het Latijn en verder zijn de tamboerijn en de gitaar afwezig.

Hij was 'niks', de dopeling, geen religieuze opvoeding gehad, en sprak mij maanden geleden aan na afloop van de mis. "Jij bent toch ook een filosoof?"

Ja, dat deelden we in ieder geval. Maar dat iemand vanuit het Niets rooms-katholiek wilde worden. En bij zijn volle verstand, hè. Modieus, in een scherp gesneden pak, en ook op de hoogte van Nietzsche en zijn melancholische 'Gott ist tot'. De ergste clichés zijn je eigen clichés.

Nachtmerrie

Ik ben gedoopt in een kindertehuis, een paar weken oud misschien, en kreeg de namen Clement Maria. Dat heeft geen brandend gat in mijn geheugen achtergelaten. Maar deze volwassen doop, zo helemaal bewust en zelfgekozen... Je zou er bijna Doopsgezind van worden.

Doopplechtigheden zijn dun gezaaid in mijn vriendenkring. Beter gezegd: niet-bestaand. Een jaar geleden was ik naar een 'samenkomst' gegaan - er werd wel brood gedeeld, maar dat was niet gezegend - en daar werd ineens, tot mijn ontzetting, een kindje ten doop gehouden, een weerloos klein wezen, dat liefdevol aan de 'ecclesia' werd getoond, maar toch hartstochtelijk huilde. Ik vond dat beeld onverdraaglijk, ik vond dat mijn ogen dit niet hadden mogen zien, ik was aanwezig bij de bevalling van een vrouw die ik niet kende, en haar vrucht werd spartelend in het openbaar getoond. Mijn blik, vond ik toen, was een voyeuristische. Ik keek iets heiligs kapot.

Nu naar een scène waar ik alleen maar van kan dromen. Een nachtmerrie. Die uit Genesis 22 vers 1-24, het offer van Abraham. Isaak als lam, de meest ondoorgrondelijke passage van alle bijbelteksten. De vader zal zijn enig geboren zoon offeren, zoals God hem bevolen heeft, en terwijl hij het mes al heft, verschijnt er een Engel, en blijkt het om een gehoorzaamheidstest te gaan. Of: blijkt de God die om het vlees van een menskind vraagt in luttele seconden een Andere geworden, een God die juist een einde wil maken aan alle mensoffers. Of: blijkt de ware, wreedaardige aard van God, waarna verstandige mensen zich een hele tijd later Vrijdenkers gaan noemen en atheïsten.

In ieder geval moet de weerzin die ik voelde bij de doopscène van de baby in het niet vallen bij de gruwel van dat kindoffer. En intuïtief denk ik dat die twee iets met elkaar te maken hebben: dat de babydoop de bijgeschaafde, niet bloederige variant is van die oerversie, en dat de huiver die ik voel terecht is, en ouder dan het christelijke. Het kindoffer is nog navoelbaar in de doop van de allerkleinsten.

Maar ook: het kind/mensoffer is overwonnen. Door de Abraham-Isaak-scène. Door het te beschrijven. En meer nog door het mensoffer van Christus, die zich als volwassen man bij volle bewustzijn liet sterven, om duidelijk te maken dat hij het laatste mensenoffer moest zijn, volgens de christelijke leer. (Wat niet heeft verhinderd dat uit zijn naam legers, plunderaars en kruisvaarders huishielden, enz.)

Mes, keel, bloed

Het verhaal van de Bijbel is het verhaal van de uitdrijving van het Mensoffer. De Phoeniciërs, de Maya's, de Inca's - ze deden het. De jonge veelbelovende maagd van Stravinsky wordt in 'Le sacre du printemps' geofferd. Het ritueel is zolang wisselgeld geweest voor onbegrijpelijke rampspoed, de afkoopsom die nu eenmaal stond voor het vleien van de goden.

En dan breekt plotseling het idee door: dit kan niet, dit mag niet, dit is niet de goddelijke wil. Er zijn mensen die lyrisch worden van het vuur, het wiel, Galileo, de eerste stoommachine, de mobiele telefoon, Grindr, maar is er in dat rijtje misschien nog plaats voor deze ontdekking? Gij zult niet offeren een mensenkind. Dat is namelijk al gebeurd, om er voorgoed een einde aan te maken.

De babydoop heeft nog steeds dat archaïsche in zich, om ons te herinneren aan dat wat overwonnen is. Het mes, het bloed, de doorgesneden keel. Nu: een beetje water, gekrijs, de hand op het hoofd. Klaar.

Maar kom me niet vertellen dat de doop onschuldig is of ongecompliceerd.

Je reist per express naar Abraham.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden