Review

KOM GAUW NAOR 'T NUT, VAN VLOTEN GIEET DEBATEREN!

Johannes van Vloten was een filosoof die dorpsroddels schreef, een atheistische theoloog, een kunstcriticus, polemist en een letter- en taalkundige. Deze 'figuur' zoals de historicus Geyl hem ooit noemde, werd deze maand 175 jaar geleden geboren, een gebeurtenis die in Haarlem gevierd wordt met een herdenking. Francisca van Vloten, "Het kostelijckst van al" . Een schets van Johannes van Vloten (Uitg. Ypsefecit, Deventer 1991, ISBN 90 5119 007 7) Francisca van Vloten, "Een hartstochtelijk hemelbestormer (Deventer, 1993) Van Vlotenherdenking, zaterdag 16 januari 1993, Stadhuis te Haarlem, aanvang 14.30 uur.

Zijn kleindochter Mea Mees-Verwey inventariseerde in 1928 ruim 1500 publicaties van zijn hand. De dichters van de 'Tachtigers' hadden de veelschrijvende spinozist Van Vloten hoog in hun vaandel staan. Dat kon ook moeilijk anders, want zijn drie dochters Martha, Betsy en Kitty trouwden met respectievelijk Frederik van Eeden, Willem Witsen en Albert Verwey. De boekenkast van hun schoonvader speelde in hun leven een belangrijke rol.

Juist deze nakomelingen werden steeds weer met hun overgrootvader geconfronteerd door de talloze opmerkingen van derden die vroegen of men familie was van 'die Van Vloten'. Voor Francisca van Vloten lag dat in 1991 niet anders. In de inleiding van haar boek over hem schreef ze: "Natuurlijk ben ik, als kleindochter van zijn kleinzoon, met de wetenschap van zijn bestaan opgegroeid; toch werd mij pas naar gelang ik mij meer in hem verdiepte, steeds duidelijker hoe onuitwisbaar sommige van zijn ideeen een stempel op zijn nageslacht hebben gedrukt. Het gevoel van verwantschap met hem en enkele van zijn kinderen groeide in dezelfde mate als het verlangen afstand te nemen en hem uit de verte gade te slaan" .

De onbekendheid van Van Vloten moeten we verklaren uit het maatschappelijke en intellectuele isolement waarin hij het grootste deel van zijn leven verkeerde. Als modern theoloog had hij provocerend de kerk achter zich gelaten, zich ingezet voor de verspreiding van het vrije denken, een onverbloemd atheistisch spinozisme in Nederland geintroduceerd en het humanisme te vuur en te zwaard verdedigd. Door zijn felle stellingnames en zijn hevige kritiek op het kerkelijke karakter van de Nederlandse samenleving had hij zich zelf buitenspel gezet. Zijn leven werd dan ook geteisterd door censuur, ontslagen en heftige tegenstand. Hij bleef een onbegrepen figuur en dat stemde Van Vloten, die toch al niet soepel was in de persoonlijke omgang, bitter.

Johannes van Vloten werd in 1818 geboren te Kampen als zoon van de predikant Willem van Vloten die echter vroegtijdig kwam te overlijden. Met de inmiddels zeventienjarige Johannes vestigde het gebroken gezin zich in 1835 te Leiden waar Van Vloten zich toelegde op de studie van oude, nieuwe en oosterse talen en letteren. In 1843 promoveerde hij op een filologisch en historisch onderzoek naar een brief van Paulus. Aanvankelijk baseerde hij zich in Leiden op een oud-liberaal kerkgeloof dat de Rede het vermogen toekende de waarheid van Gods openbaring op eigen kracht te ontdekken. Van Vloten accentueerde de levenspraktijk en niet de dogmatiek in zijn religiositeit.

In de stellingen bij zijn dissertatie knoopte hij voorzichtig aan bij de denkbeelden van Spinoza, die in die dagen in Nederland nog schier taboe waren. Hij was met Spinoza in aanraking gekomen via de Duitse filosofen Strauss en Schleiermacher. Met hem meende Van Vloten dat de metafysica en de theologie op historische wijze geinterpreteerd dienen te worden. Hij bleek geobsedeerd door David Friedrich Strauss' Das Leben Jesu (1835) - een historische biografie van Jezus - waarin deze filosoof afrekende met de mythische en verdichte elementen uit het levensverhaal van Jezus.

De denkbeelden van Strauss en andere jonghegelianen kregen hier te lande veel tegenstand. Zo vertaalde de biochemicus en vrijdenker Jacob Moleschott werken van Strauss maar vond geen uitgeverij bereid de werken te publiceren omdat de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels een boycot ingesteld had. Toen Van Vloten in 1843 in het tijdschrift De Gids een verdediging van de opvattingen van Strauss schreef, betekende dat tevens een voorlopig einde van zijn loopbaan als scribent. Eindredacteur Potgieter deelde Van Vloten mede dat verdere medewerking niet langer op prijs gesteld werd.

Toch liet Spinoza Van Vloten niet meer los. Hij radicaliseerde zijn historische en antropologische kijk op de theologie en concludeerde in 1849: "Mijn kerk is de maatschappij, en mijne godsdienst vindt hare uitoefening in het leven zelf" .

Van 1842 tot 1846 werkte Van Vloten als leraar Frans en Geschiedenis aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam. Zijn leraarschap verliep weinig succesvol; hij werd na een conflict met een leerling in 1846 ontslagen "wegens volslagen gebrek aan orde" . Daarop besloot hij een lange reis te maken om zijn gedachten te ordenen en toekomstplannen te maken. Hij trok tijdens zijn Wanderschaft door het zuiden van Duitsland waar hij kopstukken van de Tubinger School bezocht en kennis maakte met David Friedrich Strauss. Vol goede moed toog hij terug naar Leiden met de bedoeling als publicist en privaat-docent zijn brood te verdienen. Hij woonde geruime tijd in het zogenaamde "professorenhuis" waar ook de historicus Fruin vertoefde. Net als Fruin was Van Vloten een overtuigde nationalist en liberaal, een radicale volgeling van Thorbecke.

Tijdens deze jaren schreef Van Vloten, voor uiteenlopende tijdschriften, over de theologie, filosofie, geschiedenis, het onderwijs, en de letter- en de zedenkunde. Hij polemiseerde met de Utrechtse 'gevoelstheoloog' C. W. Opzoomer, met de Leidse monistische theoloog J. H. Scholten en schreef over de vrijheidsstrijd en de Opstand tegen Spanje.

In 1854 werd zijn werklust bekroond: hij werd benoemd tot hoogleraar aan het Deventerse Athenaeum in de Nederlandse taal-, letter- en geschiedkunde. Tijdens zijn inaugurele rede liet Van Vloten zich kennen als een hartstochtelijke strijder voor zelfontwikkeling. Hij beschouwde de opvoeding van de Nederlanders tot mondige en zelfstandig denkende mensen als zijn roeping. Om zijn woorden kracht bij te zetten werd hij een actief lid van verschillende genootschappen, zoals de plaatselijke Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

Te Deventer baarde de polemiserende en spreekvaardige Van Vloten veel opzien en menig Deventernaar kwam naar zijn lezingen om te zien met wie hij nu de vloer weer eens aanveegde. Een tijdgenoot memoreerde dat voorafgaande aan zijn voordrachten in de straten weerklonk: "Kom gauw naor 't Nut, Van Vloten gieet debateren!"

Was Deventer aanvankelijk vereerd met de komst van Van Vloten, toch kwam er gedurende zijn ambtsperiode steeds meer kritiek op zijn persoon. Hij uitte een stevige kritiek op de gemeenteraad, de leiding van het Athenaeum en ageerde onverminderd tegen de Hervormde Kerk en de verouderde godsdienstlessen die in Deventer nog hoogtij vierden. De curatoren van het Athenaeum gaven hem een officiele berisping waarin men de hoogleraar maande niet langer de belangen van de school te schaden. Van Vloten trok zich echter niets van deze kritiek aan. Hij verweerde zich fel 'tegen het godsdienstig goochelspel' en besloot in een adres aan de heren curatoren: "Dacht men werkelijk mij daarmede het zwijgen te kunnen opleggen? Met welk armzalig slag van volk moet men toch wel gewoon zijn om te gaan, of wat voor vuige gevoelens in eigen gemoed kweeken, om te meenen, dat ik mijn onvoorwaardelijke vrijheid van denken en schrijven voor eene betrekking aan de Deventer School zou verkoopen?"

Opnieuw kreeg Van Vloten, in 1867, zijn ontslag. Hij kon er echter niet om rouwen: "Weet echter wel, dat uwe kansels er niets minder vermolmd, uwe doopkluchten niet minder onwaardig, uwe huichelarij, uw dwang, en uwe ondank niet minder snood, al uw deerniswaarde personen niets minder belachelijk om zijn" .

Het gezin Van Vloten verhuisde naar Haarlem vanwege de aanwezigheid van de eerste en enige meisjes-HBS van Nederland. Johannes van Vloten achtte een gedegen scholing voor vrouwen net zo belangrijk als voor mannen. In de jaren zestig was Van Vloten inmiddels uitgegroeid tot een van de belangrijkste spreekbuizen van het vrije denken. Hij schreef veel bijdragen voor het tijdschrift De Dageraad - dat door de gelijknamige vrijdenkersvereniging werd uitgebracht - en sprak en publiceerde onophoudelijk over Spinoza.

Tussen 1853 en 1883 wijdde hij ruim zestig verhandelingen over het leven en de filosofie van de wijsgeer. De meeste artikelen verschenen in zijn eigen tijdschrift De Levensbode (1866-1881) en haar opvolger De Humanist (1881-1882).

In 1862 publiceerde hij Baruch d'Espinoza; zijn leven en schriften. Het boek was tevens een eerbetoon aan Jacob Moleschott die zijn materialisme en naturalisme steeds verdedigd had en in 1855 op grond van zijn uitgesproken atheisme te Heidelberg als hoogleraar ontslagen werd.

Van Vloten introduceerde een spinozisme met atheistische en materialistische trekken. Guido van Suchtelen typeerde het als 'romantisch naturalisme'. Met Jezus en Socrates beschouwde Van Vloten Spinoza als een voorbeeldige mensenzoon. Hij nam Spinoza's eenheid van God en de Natuur over en beschouwde dit als een handleiding tot de "onbevooroordeelde waarheid en wetenschap op verstandelijk en zedelijk gebied" .

Tevens deed Van Vloten de grootste Spinoza-vondst van de negentiende eeuw. Bij Frederik Mullers antiquariaat doken handschriften op die Van Vloten wist te herkennen als de tot 1862 onbekend gebleven Korte Verhandeling, een tekst die een sleutel tot de filosofie van Spinoza genoemd kan worden.

Bij Spinoza vielen liberalisme en nationalisme samen, zo meende Van Vloten. Hij roemde Spinoza als de "blijde boodschapper der mondige mensheid" . Gedreven heeft hij dan ook geijverd voor het realiseren van een standbeeld dat er uiteindelijk in 1880 ook kwam en onthuld werd aan de Paviljoensgracht in Den Haag.

Er ontstond een Nederlandse spinozistische kring waar liberale en atheistische opvattingen gekoesterd werden en gestreefd werd naar een 'geloofsvrije samenleving'. We kunnen hier denken aan de kring rondom het literair-culturele tijdschrift De Nederlandsche Spectator.

Van Vloten raakte ook op andere wijze verstrengeld met de literatuur. Zo trouwde zijn dochter Martha in 1886 met Frederik van Eeden, Kitty in 1890 met Albert Verwey, en Betsy in 1893 met Willem Witsen. Overigens hield alleen Kitty's huwelijk stand. Deze persoonlijke band tussen de 'Tachtigers' en de dochters van Van Vloten moeten we als een belangrijke oorzaak beschouwen van de flirt van de dichters omstreeks de eeuwwisseling met het spinozisme.

Over Multatuli schreef hij een karakterstudie, Onkruid onder de tarwe, die de neerlandicus J. J. Oversteegen betitelde als dorpsroddel. Multatuli trok zich het geschrift zo aan dat hij overwoog van verder schrijven af te zien.

Deze 'figuur' heeft de Historische Vereniging Haarlem geinspireerd tot het organiseren van een herdenkingsbijeenkomst met een expositie en een tweetal lezingen. Nop Maas zal ingaan op Van Vlotens vaderlandsliefde en Guido van Suchtelen behandelt Van Vlotens spinozisme. Bovendien zal Francisca van Vloten haar nieuwe boek over haar over-over-grootvader presenteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden