Koketteren met flaneren

Het slag Nederlandse schrijvers dat eropuit trekt omdat Nederland hun te beperkt voorkomt, laat zich graag verleiden tot mediterrane nonchalance. Dat komt hun schrijverschap niet altijd ten goede.

'Zoo ik íets ben, ben ik een Hagenaar', aldus Louis Couperus (1863-1923). Toch zat de Hofstad de auteur van 'Eline Vere' niet echt aan het hart gebakken. Hoewel hij er geboren en voor een deel ook getogen was, bracht hij ruim een derde van zijn leven elders door. Na zijn dertigste ontdekte hij het Middellandse Zeegebied, voor hem de ideale biotoop om verlost te worden van de grauwe luchten en het calvinistische schuldbesef. In die liefde voor het Zuiden en zijn weldadige uitwerking op een door 'noordewee' gekwelde ziel staat Couperus niet alleen. Goethe en Nietzsche gingen hem erin voor, en in Nietzsche's spoor volgde de dichter Marsman. Die bloeide al op toen hij zich aan Parijs overgaf.

Begin 1900 streken Couperus en zijn echtgenote neer in Nice. Daar waren Den Haag én de familie en kennissen ver genoeg om ook schrijvend afstand van ze te kunnen nemen. We danken er meesterwerken aan als 'De boeken der kleine zielen' en 'Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan'. Toen de C¿te d'Azur de Couperussen weer te saai werd, kozen ze domicilie in Florence, maar ook daar waren ze dikwijls meer niet dan wel.

In feite leefde Couperus permanent uit de koffer, ook wanneer hij wat langer op één plaatsbleef hangen. Alleen omdat hij vanwege de Italiaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog gedwongen werd zijn geliefde Florence te verlaten, keerde hij naar Den Haag terug. Daar kon hij het alleen maar uithouden door zich in te leven in de rol van 'een vreemdeling die verbazend goed Hollandsch spreekt'.

Het tekent hem in zijn gevoel misplaatst te zijn dat hij niet in de ik- maar in de hij-vorm schreef over zijn toeristische ervaringen in eigen land. Toen hij kort na de oorlog de kans kreeg om als goed betaalde journalist Noord-Afrika en het Verre Oosten te bereizen, liet hij niet na om de draak te steken met het gedwongen oponthoud dat wat hem betreft vijf jaar te lang had geduurd. "De vagebond, die ik ben, herkende zichzelven niet meer. Ik 'woonde'! Ik was een gezeten Haagsch burger, ik betaalde op gezette tijden huishuur en belasting - ik ben allemachtig correct in die dingen - gezellige meubels stonden om mij rond, er kwamen er zelfs uit het oude Florentijnsche paleis over; gezellige gordijnen hingen hunne stil stemmige plooien rondom mijne peinzingen en arbeid." 'Gezellig', dat uniek Nederlandse woord voor een uniek stukje cultureel erfgoed van Nederlandse origine, zal hier vast niet positief zijn bedoeld.

Couperus is representatief voor het slag Nederlandse schrijvers dat de wereld intrekt omdat het vaderland hun te benauwd is. Niet dat ze de behoefte voelen om elders wortel te schieten. Slauerhoff, cynisch en ongedurig zwerver als hij was, drukte zijn opinie daaromtrent zo kras mogelijk uit:

In Nederland wil ik niet sterven,

En in de natte grond bederven

Waarop men nimmer heeft geleefd.

Dan blijf ik liever hunkrend zwerven

En kom terecht bij de nomaden.

Voelde Slauerhoff zich een nomade, Couperus was in de wieg gelegd voor flaneur. Dat type gedijt beter in een mediterraan klimaat dan op zompige bodem. Zie hoe Couperus zich wentelt in het 'indolente genoegen' van het doel- en richtingloze slenteren over de Romeinse Corso:

"De stràat, de straat met de mooie winkels, tusschen welke mooie winkels men flâneert, op en neêr, op en neêr, zonder moê te worden, alleen, of met vrienden, flâneert met den langzamen flâneerpas, die balanceert van den eenen voet op de anderen, flâneert, 's morgens voor het lunch, 's middags voor het diner, 's avonds nog even voor men naar bed gaat..."

Passages als deze komen niet alleen voor bij Couperus, ze hebben aanstekelijk gewerkt op latere auteurs. Oek de Jong, die in het recente essay 'Wat alleen de roman kan zeggen' collega's adviseerde om hun onderwerpen niet al te ver van huis te zoeken, situeerde 'Opwaaiende zomerjurken' (1979) en 'Cirkel in het gras' (1985) nog in Rome. Nadat Edo Mesch, hoofdpersoon van de eerstgenoemde roman, in Venetië zijn Nederlandse vriendin is ontvlucht, ontdekt hij in Rome de kunst van het flaneren. "Niets doen. Stop de handen in je zakken en slenter door deze stad. De meeste schoonheid per vierkante meter vind je hier. Vergeet haast en onrust, nestel je in dit rieten stoeltje, neem kleine slokjes van de ijslimonade en kijk naar het Circo Massimo. Verlies de plattegrond. Drink iedere ochtend een halve liter wijn om in de beste stemming te raken. Neem een willekeurige bus. Vlij je in het gras van dit park, val in slaap en laat je desnoods beroven, wat kan het jou schelen. Het vluchtige is net zo werkelijk als dat wat duur heeft."

Bij sommige schrijvers gaat de onderdompeling in de Latijnse vergetelheid zo ver dat hun oude identiteit van ze afweekt. De naamloze auteur die in Nicolaas Matsiers boek 'De eeuwige stad' naar Rome is gereisd in de waan dat hij alleen daar een roman over twee door de Oriënt reizende classici kan voltooien, ziet onbewogen toe hoe hij opgaat in "het onbenoembare geheel van deze verzameling heuvels, ruïnes, gebouwen, plaveisel, fonteinen, tuinen", om vervolgens net zo laconiek te constateren dat er van hem niets meer resteert dan "een prop papier, die uit de prullenmand gehaald zou moeten worden, gladgestreken, ontdaan van enkele niet lopende zinnen, om nieuw, wit, strak te zijn, vol verwachting".

Het verlangen naar zelfverlies dat Matsier zo beeldend oproept, lijkt me karakteristiek voor die Nederlandse schrijvers die van ontworteling een programmapunt hebben gemaakt: Couperus die zijn ik in een hij verandert, Marsman die zich met overgave voelt wegzakken in het 'bodemloos aandoend souterrain' Parijs, Slauerhoff die kiest voor het nomadisch bestaan, en last but not least Cees Nooteboom wiens reputatie, vele honderden gedichten en een handvol romans ten spijt, toch vooral op het door hem geperfectioneerde genre van het reisverhaal berust. Kenmerkend voor Nooteboom is de manier waarop hij Inni Wintrop, hoofdpersoon van de roman 'Rituelen', naar zichzelf laat kijken, als "een gat, een afwezige, iemand die niet bestond". Die typering staat niet op zichzelf. De reisverhalenauteur, die er nooit een geheim van maakte dat ook hij een flinke hekel aan de Hollandse gezelligheid heeft, gaat met veel genoegen op in de multiculturele metropool New York. "Tussen Syriërs, Poolse joden, Maori's, Italianen en Vikingen ben je alleen maar een andere schaduw, een ander deeltal. Dat is iets wat veel mensen angst schijnt aan te jagen. Mij windt het op, al weet ik nog steeds niet precies waarom."

Bij de frivool ogende flaneur Couperus valt op dat hij er in zijn kwaliteit van bereisde Roel graag omheen draait, en dat niet bij gebrek aan tekst, maar eerder dankzij een teveel. Beschrijvingen volstaan niet, er moet een mooi lijstje omheen en als het kan ook nog een strikje. Het maakt Couperus' reisimpressies nagenoeg onleesbaar, al zou je zijn overladen 'woordkunst' kunnen vergoelijken door erop te wijzen dat zijn schrijvende tijdgenoten evenmin op een onsje meer of minder keken. Zelf moet ik tijdens Couperus' zwakkere momenten altijd denken aan de verzuchting van E. du Perron, die het erop hield dat de 'grote Louis' bij het produceren van zijn reisverslagen en columns de schrijfhand op de automatische piloot had staan, en met de andere hand de nodige 'brosse koekjes' naar zijn mond bracht.

Een vergelijkbare mediterrane nonchalance, maar dan licht gekruid met een snufje filosofie en afgemaakt met wat paradoxen, kom je bij Nooteboom tegen. "Wie voortdurend reist is altijd ergens anders, dat geldt voor jezelf, en dus altijd afwezig, dat geldt voor de anderen, de vrienden; want voor jezelf ben je weliswaar 'ergens anders', dus daarmee ergens niét, maar je bent ook ergens voortdurend en altijd wel, namelijk bij jezelf." In deze formulering worden zoveel kokette pirouettes gedraaid dat alle substantie eruit weglekt.

Kenmerkend voor Nooteboom is ook deze bespiegeling, in de mond gelegd van een dubbelganger die steeds de aandrang voelt zijn notitieboekje te pakken, om daar op een gegeven moment maar van af te zien: "Er was toch niet aan te beginnen. Een oceaan kun je niet opschrijven. Hij zat daar in een hoekje onder een zachtjes heen en weer deinende carbidlamp en dreef op de wereld die zich niets van hem aantrok. Onthechting, je hoefde het niet altijd zelf te doen. Je kon ook worden onthecht. Losgemaakt. Hij keek naar de Chinese tekens, concentreerde zich op één van die tekens en vroeg zich af welke weg het had afgelegd eer het van een ding de abstractie was geworden die nu dat ding benoemde. Daarna bestelde hij een ijsje."

Dat is nu de flaneur ten voeten uit. Zodra die beseft dat hij zichzelf dreigt te verliezen in al te subtiele redeneringen, wijkt hij uit naar het triviale genoegen van een ijsje, een goed glas, of een toertje langs de etalages waarin hij behalve de koopwaar ook zichzelf weerspiegeld ziet.

Jaap Goedegebuure (Sint-Annaland, 1947) is neerlandicus en emeritus hoogleraar moderne letterkunde. Hij recenseert literatuur voor Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden