Koerdische auteur Havin brak resoluut met God en Turkije

God helpt altijd de sterken, ontdekte de Koerdische schrijver Reber Havin. Daarom werd hij geen imam. In Nederland lost hij eerwraakkwesties op. Geleerd in de bergen, bij de PKK.

’Op school probeerden ze een Turk van me te maken,” zegt de kersverse Koerdisch-Nederlandse schrijver Reber Havin. „En daarom heb ik me nooit Turk gevoeld. Hier dwingt niemand me Nederlander te worden en juist daarom voel ik me wel Nederlander.”

Een paar jaar geleden belde hij op, hij wilde een boek schrijven over zijn jeugd in het oosten van Turkije. Hoe pak je zoiets aan? Het antwoord gaf hij een paar jaar later zelf, opnieuw belde hij, het boek lag in de winkel.

Havin heeft een sobere recht-toe-recht-aan stijl. De niet-talige kant van het boek is ijzersterk. Aan de eis dat je een verhaal moet horen, zien, ruiken, voelen en proeven voldoet hij uitstekend. De lezer glijdt zelf uit in de modder van Havins gehucht en ruikt de scheten, die de familie in het gezamenlijke slaapvertrek laat waaien.

Havins boek lijkt op een filmscript. De kracht ligt in de beelden. Politieke conflicten, zoals tussen Turken en Koerden, worden gewoonlijk uitgelegd in analyses. Maar de betrokkenen zelf denken vooral in beelden. Zoals van de Turkse politie-officier, die als gast binnenkomt bij Koerdische dorpelingen en als dank hen uitkaffert omdat hun liefde voor Ataturk tekortschiet.

Na die donderpreek voegde Havin zich bij de Koerdische guerrillastrijders in de bergen. Er speelde nog iets anders. Hij wilde bewijzen dat hij voor meer deugde dan het eindeloze hoeden van schapen, die hem in zijn paar uren slaap bleven vergezellen, in nachtmerries.

Verder was zijn relatie met het opperwezen bekoeld. Ook dat was reden voor een nieuwe invulling van zijn leven. Vanwege zijn mooie stem zou hij zijn vader opvolgen als dorpsimam. Van religieuze ontroering kon hij huilen en hij geloofde zijn ogen niet toen hij rijke vrouwen zag zonder hoofddoek.

Maar God is onrechtvaardig, steunt altijd de sterken, ontdekte hij. God helpt Turken tegen Koerden en ook vijanden op straat tegen hem en zijn makker, als ze verliezen tegen een overmacht. Dat laatste ligt niet alleen aan God maar ook aan familieleden die het hazenpad kiezen.

Havins vader accepteert, zij het met verdriet, het atheïsme van zijn zoon.

Bladzijde één beschrijft het Koerdische boerenland treffend: „De dichtstbijzijnde stad is Mermer. Daar hebben ze een miniziekenhuis waar maar een of twee verpleegsters werken en één arts. Het politiebureau is in elk geval groter en moderner dan het ziekenhuis.”

Het gebrek aan medische zorg lossen de dorpelingen zelf op. Arm gebroken? Eieren op de de breuk, spalken met latjes, lappen erom en afwachten. Een zere kies is voor de nijptang, waarbij het voelt alsof je lever via je mond naar buiten wordt getrokken.

Wat maakt een Koerdisch jongetje tot guerrillastrijder? De Turkse schoolmeester leverde een bijdrage. De Koerdische taal is taboe op school. Havin en zijn broer, nog kleine kinderen, baggeren op een ijskoude winterochtend door sneeuwduinen naar school. Ze zijn een kwartier te laat waarna de meester hun hoofden tegen de muur knalt want het is Ataturks verjaardag.

Uit wraak laat Havin later een slang los in het huis van de meester, waar diens vrouw bijna een hartaanval krijgt. Hij heeft de tanden van het beest gebroken maar dat weten ze niet. Ze smeken hem het serpent te vangen, hij eist kwijtschelding van straf maar het woeste pakslaag ontloopt hij natuurlijk niet.

„Het is een samenleving van geweld,” zegt Havin. „De Turkse politie slaat iedereen. Mannen slaan hun vrouwen en kinderen. Oudere kinderen slaan hun jongere broertjes en zusjes.”

Bij de guerrillastrijders leert hij ’s nachts patrouille lopen met één meter zicht. Bijna maakt hij een doodsmak in een ravijn. Wassen doen ze zich soms weken niet. Onder de strijders zijn behalve boerenjongens ook intellectuelen.

Allen kwelt de vraag waarom hun land eist dat alle Koerden Turk moeten worden en niet omgekeerd.

Havin overleeft een veldslag met het Turkse leger maar de meeste tijd gaat heen met patrouilles, discussies, toneel en zangwedstrijden. Havin: „We hielden een soort idolswedstrijden.”

Ook verzoenen ze dorpsclans met bloedvetes en voorkomen ze eerwraak. Bij zijn werk in Nederland benut Havin tegenwoordig die ervaringen. Als jongen werd hij, jaren eerder, bijna zelf een moordenaar als familieleden hem een bloedwraakkwestie willen laten regelen. Zelfs de Turkse politie benut de vrederechtspraak van de guerrillastrijders. Agenten verwijzen twistende families door naar de strijders: „Laat die het maar oplossen.”

In hun discussies snijden de strijders onderwerpen aan waarover Koerdistan al eeuwen had gezwegen, zoals emancipatie en seksualiteit. Met de emancipatie gaat het goed in die bergen. Er zijn vrouwelijke commandanten. Mannen en vrouwen slapen door elkaar in dezelfde grotten. Maar het leven van de guerrillastrijders is seksloos.

Havin verliest zijn onschuld pas in een sjofel bordeel in Istanbul. Hij staat dan aan het begin van zijn reis naar de vreemdelingenpolitie in de Amsterdamse Bijlmermeer, waar een nationalistische Turkse asieltolk hem even bars toespreekt als destijds de politie-officier bij de theevisite in het dorp.

Havin besluit het gesprek met een les die hij leerde in Koerdistan: „Ik ben Nederland dankbaar. Maar probeer niet mensen te assimileren. Daarmee kweek je radicalisme.” Onder zijn echte naam durft hij, hoewel levend in een vrij land, nog steeds niet te publiceren en dat ergert hem mateloos.

Reber Havin: ’Het dorp van de zeven broers. Uit het leven van een Nederlandse Koerd’, ISBN 9789025363345. Atheneum & van Gennep.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden