Koele schoonheid

¿Halfnaakt¿, 1929. Coll. Von der Heydt-Museum, Wuppertal. (Trouw) Beeld
¿Halfnaakt¿, 1929. Coll. Von der Heydt-Museum, Wuppertal. (Trouw)

De vrouwen die Christian Schad in de jaren ’20 schilderde, waren geëmancipeerd. Zakelijk, met een onderlaag van erotiek.

De talloze vrouwen die de Duitse schilder Christian Schad in de jaren ’20 van de vorige eeuw portretteerde, staren je aan met wijd geopende ogen. Ze zijn recht van voren afgebeeld, waardoor ze niets te verbergen lijken te hebben. Toch krijgt de kijker er geen werkelijk contact mee.

Schad hield, en dat was middenin de tijd van de Roaring Twenties, van geëmancipeerde vrouwen. Met een paar schildertrucjes wist hij hen een onderlaag van erotiek mee te geven. Echt verleidelijk zijn ze daardoor niet. Schads erotiek staat bekend als ’onderkoeld’, maar het oogt sensueel, deze schoonheid op ijs. Je moet als kijker moeite doen om door de hard-zakelijke bovenlaag door te dringen. Christian Schad (1894-1982), aan wie nu voor het eerst in Nederland een grote retrospectieve in het Haags Gemeentemuseum wordt gewijd, was niet voor niets een prominent lid van de Nieuwe Zakelijkheid.

De schilders van deze stroming hebben een duidelijk stempel gezet op de kunst in Duitsland van de jaren tussen de twee wereldoorlogen, het interbellum. Deze stijl kreeg een uitstraling naar andere landen. Charley Toorop, ten onrechte vaak bij het magisch realisme van Willink, Koch en Schumacher ingedeeld, was een representant van de Nieuwe Zakelijkheid in Nederland.

In Duitsland werd de beweging breed gedragen door schilders als Otto Dix, Rudolf Schlichter, Karl Günther, Hans Grundig, Karl Völker en natuurlijk Georg Grosz, de bekendste van de Duitse schilders uit de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Zij hadden met Schad gemeen dat ze nagenoeg iedereen die ze portretteerden van donkere, starende ogen voorzagen, met wie het niet gemakkelijk was te communiceren.

Het werk van Schad onderscheidt zich van dat van zijn collega’s doordat het op het hoogtepunt van de Nieuwe Zakelijkheid glad en levensecht, als betrof het reële fotografie, werd neergezet. Het ’halfnaakt’ dat het Haagse Gemeentemuseum op de retrospectieve heeft opgehangen, is er een mooi voorbeeld van.

De tijd van het interbellum en met name die van de Nieuwe Zakelijkheid vormt veruit de meest interessante periode in het werk van Schad. Hij leidde al met al een lang en productief leven dat zich ook tot enkele decennia na de Tweede Wereldoorlog uitstrekte. Maar vaak denk je dat hij in de jaren ’50 en ’60 het spoor in de hedendaagse kunst van dat moment bijster raakte. Schad ging driftig mee in de talloze vernieuwingsbewegingen, waarbij hij soms zelfs experimenten die hij een halve eeuw daarvoor was begonnen, weer oppikte.

De afloop van de Tweede Wereldoorlog (hij schilderde in de nazitijd onopvallend door en werd niet geconfronteerd met een schildersverbod) moet hem slecht zijn bevallen. Het lijkt er op alsof hij in de jaren ’50 uiteenlopende schildersproblemen van begin af aan te lijf wil gaan. Op de vrouwen met hun hoekige art deco kapsels en verholen erotiek komt hij slechts zijdelings terug. Realisme, naturalisme en allerlei vormen van surrealisme waren in het naoorlogse Duitsland uit de gratie geraakt. Hij was in deze jaren vooral vatbaar voor externe invloeden (Picasso, Picabia) die hem naar het leek haast decreteerden hoe hij vorm, lijn en kleur moest gebruiken.

Een vleugje van de vooroorlogse Nieuwe Zakelijkheid is nog te bespeuren in die schilderijen die hij zelf onder het kopje ’magisch realisme’ rangschikte, maar die tegenwoordig voor fantastisch-realisme zullen doorgaan. In het magisch realisme gaat het immers om waarheidsgetrouwe voorstellingen die in werkelijkheid niet snel zullen plaatshebben (Willink bijvoorbeeld plaatste een kameel in de tuinen van het kasteel van Versailles of een koppel neushoorns in het Parc des Sceaux). Schad voegde wonderlijke gebeurtenissen in een collage-achtige techniek samen, zonder dat het daarbij om een reële situatie hoeft te gaan.

In diezelfde tijd werkte hij ook weer aan zijn ’Schadofografie’, een techniek die alleen in de donkere kamer maar zonder gebruik van een camera kan worden gehanteerd. In feite is het een primitieve vorm van fotografie: Schad legde al rond 1918-’19 voorwerpen of andere vormen (vaak grillig, verknipt) op een vel fotopapier en begon dat te belichten.

Fotografie zonder gebruik te maken van een camera, het is na Schad door fotokunstenaars als Man Ray, El Lissitzky en Moholo-Nagy gebruikt. Voor Schad die in de naam van de nieuwe techniek zijn eigen achternaam verwerkte, moet het een speeltje zijn geweest dat hij als een verveeld kind, na er uitgebreid mee te hebben gespeeld, van zich af moet hebben geworpen. Pas in de jaren ’70 keerde hij terug naar deze vorm van cameraloos fotograferen. Schad was toen allang in de vergetelheid geraakt, ook de mensen die hem voor de oorlog beroemd hadden gemaakt, zagen hem niet meer staan.

Door de fotogrammen pas op het einde van de presentatie als een wat afwijkend fenomeen te tonen, lijkt het er op dat ze een geïsoleerde plaats in zijn oeuvre innemen. Dat geldt evengoed voor alle andere uitstapjes, die als jeugdzonde begonnen met het flirten met DaDa en het kubo-futurisme, met zijn spel met de abstractie, de fotocollages en soms de wezenloze vermenging van al deze technieken. Wil de ware Schad nu eens opstaan, denk je dan. Of is het alleen dat realisme waarin hij werkelijk grote kunst heeft gemaakt, waarmee Schad de tijd heeft getrotseerd. Voor een leven dat het grootste deel van de 20ste eeuw besloeg, is dat genoeg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden