Knutselen aan 'misdadige meisjes'

Rijksopvoedingsgesticht | Losbandige meiden werden in de vorige eeuw onderworpen aan allerlei psychologische onderzoeksmethoden. Helaas niet met het doel hun problemen op te lossen, ontdekte onderzoeker Saskia Bultman.

Meiden die losbandig en misdadig waren moesten naar Montfoort, begin vorige eeuw. In het kasteel aldaar was het 'Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes' gevestigd. En wie er binnenging werd heel duidelijk gemaakt dat ze de grote wereld verliet en onder een nieuw regime kwam. Na het passeren van de ophaalbrug moesten de meiden hun kleren inwisselen voor schone, in bad, werden ze kaal geschoren en daarna medisch gekeurd.

Vervolgens werden ze aan een tafel gezet met de opdracht hun levensverhaal te schrijven. Met een welbepaald doel, zegt historica Saskia Bultman: "Die autobiografische opdracht was er helemaal op gericht dat de meisjes zich schuldig zouden gaan voelen over hun verleden en hun gedrag. Schrijven moesten ze doen in afzondering, in een afgesloten kamer. En daar werden ze eerst door de directrice toegesproken, die hen op het hart drukte dat ze hun best moesten doen op hun verhaal."

Deze autobiografie was niet de enige test die in de instelling werd gebruikt; meiden werden ook psychologisch onderzocht en onderworpen aan de Rorschachtest, de psychologische test waarbij je moet vertellen wat je ziet in een inktvlek. Onderzoekster Bultman promoveerde onlangs aan de Nijmeegse Radboud Universiteit op een onderzoek naar die 'assessment-technieken' die werden toegepast in het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes, dat midden negentiende eeuw in Montfoort begon en later verhuisde, eerst naar Zeist (in 1909) en toen naar Nijmegen (in 1950).

Voor dat onderzoek heeft ze tientallen levensverhalen van meisjes gelezen, geschreven tussen 1905 en 1970. En ze heeft het gebruik van de autobiografie door het opvoedingsgesticht in die periode zien veranderen.

De autobiografie moest in de eerste helft van de vorige eeuw vooral een spijtbetuiging worden. Meiden kwamen in de regel in het opvoedingsgesticht terecht omdat ze zich 'losbandig' hadden gedragen, met bezoek aan danszalen, omgang met jongens laat op straat, en soms winkeldiefstal.

Als zo'n meisje na binnenkomst in het Rijksopvoedingsgesticht haar levensverhaal moesten optekenen, kreeg ze een lijst met onderwerpen waarover ze moesten verhalen. Die onderwerpen, zegt Bultman, hielden allemaal verband met wat toen werd gezien als losbandig seksueel gedrag. Voor onderwerpen als 'de bioscoop', 'de danszaal' en 'jongens' was dat duidelijk. Maar ook 'spelen op straat' stond op de lijst, in de veronderstelling dat veel en laat spelen op straat zou eindigen in prostitutie. En ze moesten iets schrijven over hun snoepgedrag, "want veel snoepen zou erop wijzen dat je je niet kunt beheersen, ook seksueel niet".

De techniek werkte, zegt Bultman; in hun teksten voldeden de meeste meiden aan de verwachtingen, ze kwamen tot spijtbetuigingen en beloften van beterschap. Zelfs Teuntje D. uiteindelijk, toen ze voor de derde keer in het Rijksopvoedingsgesticht belandde:

"En toen heb ik gelogen en gezegt als dat ik niet bij soldaten geslapen had maar dat is wel waar hoor dirichtreise nu daar had ik u ook maar wat voorgelogen en gehuigelt dat voelt ik nu in mijn Hart. dat doet me nog erg verdriet an nu direchtrize ik moet en ik zal verandere want anders kom er niets van mijn terecht want ik wil nu ook graag in de goede ricthing komen."

Verzet

Zo'n inkeer lukte overigens niet in álle gevallen; er waren meiden die zich verzetten tegen de al te bekrompen normen van het Rijksopvoedingsgesticht. Zoals Heiltje M., die in 1926 in haar autobiografische oefening over een bezoek aan de bioscoop opmerkte:

"Om eerlijk de waarheid te zeggen zie ik dit niet zozeer als een kwaad. Het is een plezier, maar men moet ervan houden. Ik ken wel mensen die blij zijn dat zij er nooit geweest zijn. Er werd een film afgedraaid van het 40 jarig Jubileum. Die dames zouden hem dolgraag gezien hebben. Maar omdat hij in een bioscoop teather afgedraaid werd gingen ze niet. Dit vind ik bespottelijk. Een mens moet toch niet al te bekrompen wezen."

Doel van de autobiografie, het psychologisch onderzoek en de Rorschachtest zou moeten zijn om de meiden in te delen in verschillende psychologische categorieën. Maar dat gebeurde helemaal niet, ontdekte Bultman. Het gesticht had drie afdelingen: een voor meisjes met een 'normale aanleg', een voor meisjes die al eerder met kinderbescherming in aanraking waren geweest en een voor meisjes met een 'onzedelijk' verleden.

Maar die indeling kwam helemaal niet overeen met de categorieën in de assessment-technieken. Waarom werden die bewerkelijke tests dan wel gedaan?

Bultman: "Eerste doel was de meisjes voor zich te krijgen, letterlijk; hen te kunnen bekijken en een inschatting te maken van hun heropvoedbaarheid. Door te zien hoe een meisje reageerde op fysiek onderzoek of een psychologische test, kreeg de arts een indruk of heropvoeden moeilijk of makkelijk zou worden."

"Tweede doel was het creëren van een machtsverhouding. Door obscure praktijken, zoals het opmeten van de schedel en het tonen van inktvlekken, werd de indruk gewekt dat de expert in het innerlijk kon kijken, dat hij iets waarnam wat het meisje zelf niet kon zien. Dat gaf de arts macht over haar."

In 1950 werd door de directie van het Rijksopvoedingsgesticht een nieuwe koers ingezet. De dieptepsychologie deed zijn intrede. Het ging er niet meer om meisjes de onzedelijkheid van hun gedrag te laten inzien en daarover schuld te laten bekennen. Het ging nu om hun 'ware' innerlijk.

De psychologen van de instelling wekten nog steeds de indruk dat zij, de experts, zicht hadden op dat innerlijk en meer konden zien dan de meiden zelf, dat veranderde niet. Maar ze kwamen met wat Bultman 'façade-retoriek' noemt. Onwenselijk en afwijkend gedrag werd beschreven als een façade waarachter het echte meisje schuilging.

Bultman: "Paradoxaal genoeg konden de meisjes nu dus 'zichzelf' worden door zich te conformeren aan de normen van de psychologen en psychiaters die hen onderzochten." In de autobiografische oefeningen, die ook in deze periode worden toegepast, zie je dat de meiden daarin meegaan, zegt Bultman: "Hun omgang met jongens verklaren ze uit hun eenzaamheid. Drinken deden ze, naar eigen zeggen, om problemen thuis te vergeten. Enzovoort. Schuldgevoelens komen in de teksten die de meiden schrijven niet meer voor. In plaats van seks te presenteren als iets waar zij zich schuldig over voelen, verklaren zij nu hun seksuele gedrag als iets dat is voortgekomen uit eenzaamheid, of uit een gebrek aan liefde."

Afwijking

Het seksueel gedrag was daarmee nog steeds geen deel van de persoonlijkheid; het bleef een afwijking die moest worden gecorrigeerd. En de nieuwe psychologische techniek was daarin veel effectiever dan de methoden van vóór 1950, zegt Bultman: "Toen konden meiden zich nog aan disciplinering onttrekken door gewoon hun gedrag niet te kwalificeren, door er geen oordeel over te geven. Met de technieken van na 1950 kon dat niet meer. Want wat iemand ook deed of zei, het was altijd grond voor een diagnose. Ook een weigering om één letter op papier te zetten."

In haar proefschrift behandelt Bultman het voorbeeld van Neeltje P., die in 1954 in het gesticht komt en weigert haar levensverhaal te schrijven. In het rapport van de staf wordt deze weigering niet geaccepteerd, maar geïnterpreteerd:

"Met een onverschillige bravourehouding speelde deze vijftienjarige de verbitterde, wereldwijze vrouw, afwerend tegenover iedere benadering en zeer wantrouwend tegen alle overheidsbemoeiing. (...) Zo schreef zij geen levensgeschiedenis, maar wel een beschouwing, waarom zij dit niet deed. De toon van het verhaal was cynisch en opstandig. Wij plaatsten dit toch nog zo jonge kind met haar grote behoefte aan hartelijkheid, in de groep waar de sfeer het meest kinderlijk is en aan deze beho efte het meest tegemoetgekomen kon worden."

Bultmans onderzoek laat zien hoe stuurbaar zelfbeeld en identiteit zijn. "De psychologische praktijk bepaalde het raamwerk waarbinnen de meisjes over zichzelf praatten. Wij denken dat gedrag een uiting is van het ik. Maar als je ziet hoe mensen meeveranderen met de gebruikte techniek, moet je je afvragen of de ware ik wel bestaat. Hoe mensen psychologisch worden behandeld, bepaalt hoe zij zichzelf zien."

Vandaar de titel van Bultmans proefschrift: Constructing a Female Delinquent Self, vrij vertaald: 'Hoe misdadige meisjes te maken'.

undefined

Wie is Saskia Bultman?

Saskia Bultman (1985) begon haar wetenschappelijke carrière in de literatuurwetenschap, in Utrecht. Ze deed aan de universiteit van Madison, Wisconsin, onderzoek naar de poëzie van de 19de-eeuwse Amerikaanse schrijfster Emily Dickinson. Dat wekte haar belangstelling voor rol en positie van vrouwelijke auteurs en voor gendergeschiedenis in het algemeen, en ze besloot daarin verder te studeren in Nijmegen. Haar begeleidster daar wees Bultman op de autobiografische verhalen in het archief van het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes, een rijke bron van verhalen, knullig geschreven vaak maar soms ook van literair niveau. Die rijke historische bron werd onderwerp van haar masterscriptie en van het proefschrift waarop ze eerder deze maand in Nijmegen promoveerde. Bultman werkt nu als postdoc aan het geschiedenisinstituut van de Universiteit Leiden.

Meisjes aan het werk in de tuin (links) van Eikenstein, het Rijksopvoedingsinstituut in Zeist. Het instituut zelf (midden) en een groepsfoto van de meisjes (rechts). foto's uit het utrechts archief

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden