Knokige anti-ster

Popmuzikant Bram Vanparys (Trouw) Beeld
Popmuzikant Bram Vanparys (Trouw)

In de muziek van Bram Vanparys uit Gent, oftewel The Bony King of Nowhere, waart niet alleen de geest rond van Radiohead, maar ook die van Don Quichot.

’Dorpelingen verzamelen schroot van een neergestort ruimteschip, omringd door duizenden witte vlinders’. Het is geen regel uit een sciencefictionroman, maar het officiële bijschrift van een foto die de Noor Jonas Bendiksen in 2000 in Kazachstan maakte, en die nu deels de voorkant siert van de debuut-cd ’Alas My Love’ van de Belgische band The Bony King of Nowhere.

De vreemde lichtval, de mannetjes boven op een enorm stuk ijzerwerk en de witte vlokken in het landschap, doen denken aan computernep. Maar het beeld is realistisch en de omschrijving correct. Vlinders dwarrelen als sneeuwvlokken rond het wrakstuk van een uit de hemel gevallen raket. Twee plattelanders demonteren de machine om geld te verdienen met schroot. Het groen-gele heuvelland is de vuilnisstort van de Russische ruimtevaart.

Op een andere foto uit dezelfde serie liggen dode koeien in een weiland. Gestorven door ernstige milieuverontreiniging.

„Mij fascineert de contradictie tussen mooi en gruwel”, zegt zanger/componist Bram Vanparys (23), het grootste talent van Gent, en inmiddels ook van België. „De natuur gaat er kapot en de plaatselijke bevolking wordt ziek van de giftige stoffen die vrijkomen bij het dumpen van satellieten en raketten. Maar de vlinders maken het beeld sprookjesachtig mooi.”

Vanparys houdt van tegenstellingen. Die zitten volop in zijn teksten en ook al in de van Radiohead geleende bandnaam (afkomstig van het nummer ’There There’), die je zou kunnen vertalen als de Knokige Koning van Nergens. „Bony King is voor mij een Don Quichot-achtige figuur. Iemand die het leven door zijn romantische blik groots en fantastisch vindt, en die in de kern zeer eenvoudig is. Ik heb respect voor Don Quichot. Hij heeft geen harnas, alleen een papieren hoedje, geen zwaard maar een stok en geen paard maar een ezel. Toch ziet hij zichzelf als een groot ridder. Hij is een optimist. Ik ben eigenlijk net zo.”

Zelf is Vanparys liever onderdaan in de wereld, dan koning van een land niet groter dan een habbekrats, zei hij eerder, daarmee doelend op Vlaanderen, waar sommige landgenoten zijn debuut-cd alvast tot album van het jaar hebben uitgeroepen. Hij maakt liever een nederig stemmende wereldtournee, zo met een koffer en een gitaar van club naar club, dan een ster te zijn in eigen land.

Vanparys richtte zijn blik de afgelopen tijd op New York, de stad waar in zijn beleving nog de geest van de beat-generatie zou rondwaren, van Jack Kerouac en Allen Ginsberg, en van Bob Dylan en zijn folkscene. De hele maand oktober was hij daar, en het was een ontnuchterende ervaring. „Ik heb ontdekt dat het leven zeer hard is in New York. Veel mensen van mijn leeftijd werken er zeven dagen per week om een kamer te kunnen betalen. Wat muziek betreft is er een absurd overaanbod. Het publiek kan dagelijks kiezen uit 500 bands, waardoor het onmogelijk is om er bovenuit te steken. Wij trokken zo’n twintig man publiek en naar New Yorkse maatstaven was dat heel oké.”

Al blijft de stad een bandjesmagneet, van een bloeiende scene kun je niet spreken, meent Vanparys. „In The Village is die geest van toen volledig verdwenen. Je kunt je haast niet voorstellen dat er in de jaren zestig iets magisch is geweest.” Dan is Montréal veel hotter, vermoedt hij.

Belgische muziek raakt hem niet zo. Op Jacques Brel is hij enorm trots. „Die kan zich meten met Leonard Cohen, net zoals Jan De Wilde in zijn begintijd het niveau van Dylan haalde. Maar bij talentenjachten is het allemaal rock wat de klok slaat, en dat is niet aan mij besteed. Er is geen Belgische band waar ik naar opkijk.”

Nu luistert hij alleen naar muziek uit de jaren zestig. Maar in eerste instantie leerde hij zingen van Thom Yorke van Radiohead, de band die hem duidelijk maakte dat akkoordprogressies, akkoordenreeksen als begeleidingstechniek, niet per se voor de hand hoeven te liggen.

Naast zijn stem doet ook het nummer ’My Invasions’ denken aan die bron, het lijkt door de melodie wat op het Radiohead-nummer ’Lucky’. „Dat hoor ik vaker. Natuurlijk wist ik dat wel toen ik het geschreven had, al leek het volgens mij meer op ’Videotape’. Iemand noemde het een smet op mijn plaat, omdat de rest zo eigen is. Maar ik vind het geen plagiaat. Het is persoonlijk genoeg. Zodra het af was, wist ik dat dit het slotnummer zou zijn. Het hoorde erbij.”

Vanaf openingsnummer ’The Sunset’ verkeert de luisteraar in een muzikale schemerwereld. Vanparys fluistert soms en haalt dan weer klaaglijk uit. De ingehouden percussie, de gitaren die vooral voor tegenmelodieën zorgen, en de extra stemmen, onder meer van An Pierlé, maken het een gelaagd sferisch album.

Naar eigen zeggen maakt Vanparys folkmuziek. „En dat leg ik uit als muziek voor het volk, met teksten die iedereen begrijpt. Net zoals vroeger sprookjes algemene waarheden verkondigden aan de hand van personages die iedereen kende. Ik wil verhalen vertellen die universeel zijn.”

’Maria’ is zo’n nummer, en het is voor Vanparys bijzonder door de manier waarop tekst en werkelijkheid elkaar opzochten. „Mijn doel is eerlijk en geloofwaardig te zijn en daarom wil ik in de studio zo spontaan mogelijk opnemen. Maar bij ’Maria’ moest de zang steeds opnieuw. Het was zo moeilijk omdat ik te goed wist waarover het ging.”

Namelijk over hoe het voelt om doodziek in het sterfbed te liggen. „En dat je dan zweeft in de twilight zone en de heilige maagd Maria verschijnt. Het is allemaal oké, u bent veilig, zegt ze, ik en mijn engelen zijn hier en we nemen u mee naar de hemel. Je mag je in een vlucht laten gaan.” De laatste adem als gelukzalige zucht van verlichting.

„Waar het idee vandaan kwam? Ik vond het bovenal een mooi beeld. Mijn grootouders waren niet katholiek, althans, ze waren te progressief voor de gemeenschap waarin zij leefden. En mijn ouders hebben mij niet gelovig opgevoed.”

Voor de opnames zocht Vanparys een Spaanse gitaar. „Ik vond er een tweedehands. En de verkoper zei: ’Ik heb een ongeneselijke ziekte, waarschijnlijk heb ik nog enkele maanden te leven. Ik verkoop mijn instrument om er iemand gelukkig mee te kunnen maken’. Dat heeft mij zo geëmotioneerd, ook door de manier waarop hij het zei, half glimlachend, alsof hij er vrede mee had. Ik wist: dat nummer gaat over hem! Voor mij was dat iets magisch. Dat kán toch geen toeval zijn. Het instrument stond al zeer lang op internet te koop, spotgoedkoop gezien de kwaliteit. Niemand moest die blijkbaar hebben en ik geloof dat dat was omdat het lot die gitaar voor mij bestemd had.”

Vanparys heeft de man uiteindelijk de opname gestuurd, maar kreeg geen antwoord.

Het lot, dat hem liet kennismaken met de hoofdpersoon van zijn lied, is niet zo doorzichtig als hij zou wensen. „De vader van een vriend van mij is laatst gestorven. Hij was gewoon een normaal goed mens. Zo’n vroege dood kan toch niet zijn lot zijn? Ik weet het niet zo goed.”

’Maria’ is een van de twee nummers waarvan de tekst pontificaal in het cd-boekje staat afgedrukt. Het nummer past bij hem gezien zijn voorliefde voor de tegenstelling. „Ook hier komen immers het vreselijke en het schone samen. Het lied verheft de dood tot iets moois.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden