Knieval

'Ik ben een kind van twee werelden. De eerste wereld een orthodox protestants nest binnen. Het was gezellig bij ons thuis en goed, maar ondanks de humor en de thee van mijn moeder was het leven geen lolletje. De tweede wereld was die van de popmuziek. Liever de boots van Nancy Sinatra dan de zondagse schoenen van mijn vader; liever de panty's van Marianne Faithful dan de steunkousen van die ene goedwillende maar bevroren tante Martha uit Friesland.'

Ik ben een kind van twee werelden. De eerste wereld een orthodox protestants nest binnen een sterk verzuild landschap, waarin wezenlijk contact met katholieken, liberalen en socialisten vrijwel uitgesloten was.

Het gereformeerde milieu waarin ik opgroeide was niet echt een milieu van feestjes en partijen. Het was gezellig bij ons thuis en goed, maar ondanks de humor en de thee van mijn moeder was het leven geen lolletje en waren de keuzes die je maakte meteen ook bepalend voor de toekomst. Met andere woorden, een beetje experimenteren was er niet bij.

Alles stond in het teken van het redelijke en het zedelijke. Ons pad was recht en smal, de tred gewetensvol en nauwgezet. Zo had Christus het ons voorgeleefd en zo moesten wij Hem volgen, dankbaar voor het offer dat Hij voor onze zonden had gebracht. Anders dan de 'roomsen' konden wij de hemel niet verdienen met goede werken. De volgorde was andersom: omdat je in Christus verlost was van de zonde, antwoordde je op die genade door je leven dankbaar en schuldbewust in dienst te stellen van God en de naaste. Een prachtig evangelie, maar in praktijk soms net te veel van al dat goede.

De tweede wereld was die van de popmuziek. Het was een wereldse wereld, die ondanks de schuttingen in de buurt niet buiten de deur kon worden gehouden en via de radio onze huiskamer binnendrong. Het was de wereld van Veronica's Top 40, de flower power en de opkomende protestgeneratie van de jaren zestig.

Het is niet moeilijk uit te leggen dat die laatste vrije wereld aantrekkelijker was dan die wat krampachtige eerste. Want zo is het toch? Liever de boots van Nancy Sinatra dan de zondagse schoenen van mijn vader; liever de panty's van Marianne Faithful dan de steunkousen van die ene goedwillende maar bevroren tante Martha uit Friesland. Liever het elektrisch geladen orgeltje van The Doors dan het harmonium waarop ik eens per week op les de psalmen volgens Worp in mijn benauwdheid bij mekaar moest trappen. Het gebrek aan vrijheid in veel kerken, het knellende besef niet te mogen denken wat je werkelijk dacht, is niet alleen een gemiste kans geweest, maar ook een kwelgeest die veel verwarring en verlegenheid veroorzaakt heeft. Het heeft veel mensen buiten de kerk gezet en gefrustreerd met lege handen achtergelaten. Dan liever de lucht in, above us only sky.

Lastig was het ook. Lastig als je merkt dat het schema Kerk, God, Goed, Hemel tegenover Wereld, Duivel, Kwaad, Hel niet zo eenduidig is als vaak werd voorgehouden. De verwarring lees je in grote lijnen al terug in William Blake's beroemde lange gedicht Het huwelijk van hemel en hel (1790), waarin 'de rechtvaardige zijn koers langs het dal des doods' lange tijd behield, totdat het gevaarlijke pad gepland werd en 'de boosdoener de paden van gemak verliet, om te drijven de rechtvaardige naar barre verblijven':

Nu loopt het vals serpent

In milde deemoed.

En de rechtvaardige woedt in de wildernis

Waar leeuwen dwalen.

Blake had gelijk. Dat mooie zwart-witschema waar de kerk mee werkte, werkte niet. Naarmate ik ouder werd, zag ik hoe het smalle pad steeds breder werd en andersom. Het bleken paden te zijn die meer met de kerkelijke, dus menselijke moraal te maken hadden dan met de roepstem van de Ene zelf, zoals Pieter Oussoren de heilige Naam in de Naardense bijbel zo goed heeft vertaald.

Waar nu de meeste van mijn leeftijdgenoten met de kerk in conflict raakten en haar vervolgens vaarwel zeiden met achterlating van het hele erfgoed, zocht ik het gevecht niet met de dominees maar, net als Nescio's dichtertje min of meer, met de Ene en zijn woord zelf, universeel en persoonlijk: ,,En hij werd opstandig tegen God. 'Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?'''

Of om het naar de psalmist te zeggen: Waarom laat u mij stikken in mijn benauwdheid? Waarom laat u de dood toe in ons midden? Waar is uw nabijheid in de ziekenhuizen en op de slagvelden? De vernietigingskampen? Zestig jaar na Auschwitz en nog altijd: waarom? Staan we niet nog steeds met z'n allen te vernikkelen in de sneeuw?

Het waren vragen waar de kerk geen antwoord op had. Volgens de orthodoxe dominees moest de gelovige berusten en volgens de moderne dominees moest God - als Hij in al zijn ondoorgrondelijke macht en wijsheid toch niet antwoordde - bij wijze van straf zijn grote G maar inleveren zoals een slechte sheriff zijn ster bij Lucky Luke.

Aan beide antwoorden had ik geen snars en dus begon ik te dwalen. Ik voer op zee met Ismaël uit Moby Dick, ik zat met enkel cola en appeltaart op zak achterin de gestolen Cadillac van Dean Moriarty uit On the road en vocht met Emily Dickinson mee aan de zijde van een atleet tegen een engel aan de Jabbok:

Nabij Jordaanrivier,

Vertelt de Blijde Schrift,

Werd lang geworsteld

Door Engel en Atleet -

Tot zonlicht op de bergen staat -

En Jacob sterker blijkt,

Dan smeekt de Engel om

Permissie - voor Ontbijt -

O nee, zegt sluwe Jacob!

'Ik laat U dan pas gaan

Als U mij zegent' - Vreemde!

En dit gestand gedaan -

Licht laten zilveren vleugels

De Pniël Heuvels achter,

Atleet ontdekt verbaasd -

Hij won van God die nacht!

(vertaling G.Th. Rothuizen)

Niet de kerk, de kunst verschafte mij de ring ('Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?') waarin ik mijn gevecht met de Engel kon leveren. Tegen wil en dank ontdekte ik de verwantschap met bijbelse antihelden als Simson, Jakob en Jona. Figuren die allesbehalve volgzaam of gezagsgetrouw waren. Geen vromen of heiligen, maar mensen van vallen en opstaan, die om welke reden dan ook wel willen maar niet kunnen, of andersom. Zondaars en vreemdelingen kortom, die de wijsheid niet in pacht hebben maar die vooral vechten of vluchten. Ver van het licht vandaan.

In de popmuziek vertaalde dit zich, verrassend genoeg heel gereformeerd, in een belangstelling voor sombere of kritische geluiden van zangers als Bob Dylan ('and there are no sins inside the gates of Eden') of John Lennon, die zong dat God slechts een concept, 'een maat is, waaraan wij onze pijn aflezen'.

The Doors, toevallig of niet genoemd naar een passage uit het zojuist geciteerde gedicht van Blake ('If the doors of perception were cleansed, everything would appear to man as it is, infinite' of wel 'Als de poorten van ons bewustzijn werden gelouterd, zou alles aan de mens geopenbaard worden zoals het is, oneindig.'), die Doors dus, gingen een stap verder en tornden aan iedere illusie van de ziel. Met een nummer als Tell all the people benadrukten zij nog eens hoe diffuus de paden der rechtvaardigen waren: hun pelgrimsreis, hun exodus, en met name die van hun zanger Jim Morrison, loopt vast in de modder en de buitenste duisternis. Het beloofde land verandert in een slagveld.

En iedereen die hun muziek hoorde, begreep direct de betekenis ervan. Voor The Doors gold niet de droom van Martin Luther King maar de nachtmerrie van Vietnam.

Waarom heeft God ook een mens tot dichtertje gemaakt? De aantrekkingskracht van Blake, Dickinson, Nescio, Dylan, The Doors en later ook Patti Smith en de punk lag in de rebellie. Maar niet in de rebellie alleen. Ze lag ook in de oprechtheid van hun taal. Het feit dat zij zich niet verscholen achter een voorgeschreven, politiek correcte of van boven opgelegde taal van regels en beleidsstukken, maar met open vizier woorden zochten om de zin der dingen, de schoonheid en boven alles het heil van de Ene af te dwingen: 'Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!'

Waarom zo moeilijk als je dat heil toch van kinds af aan al met de doop in de schoot geworpen hebt gekregen? Want ik vertel dit nou wel vrolijk, maar die worsteling is niet zonder gevaar. Het gevaar dat je boos wegloopt of struikelt en met lege handen achterblijft. Het gevaar ook dat je verbitterd raakt of gek wordt zoals Jim Morrison of, lang voor hem, de Duitse dichter Hölderlin. Jim moet de hel waar hij over hallucinerend zong ook daadwerkelijk gezien en ervaren hebben.

De Australische zanger Nick Cave, zoon van een anglicaanse leraar, dumpte zijn christelijke frustraties aanvankelijk in zijn grote Big Jesus Trash Can - een ongelooflijk herrienummer waarmee hij samen met zijn band The Birthday Party begin jaren tachtig iedereen de stuipen op het lijf joeg. En tien jaar jaar later verweet P.J. Harvey Christus dat hij haar droog liet staan ('You leave me dry!'). Als zij haar verlangen beantwoord wil zien met een daad, laat Hij het blijkbaar afweten. Nee, werkelijk, je kunt er gek van worden. Van al dat gehunker naar de Grote liefde. Het kan je in de woestijn doen belanden en berooid achter laten.

Als het in de popmuziek behalve over geld en liefde ergens over gaat, dan hier toch over: over hunkering, verdriet en ondergang. Het is de blues van Herman Brood tot André Hazes die eindigt in de capitulatie voor de grote leegte, die voor iedereen op de loer ligt. Juist daarom is dat gevecht aan die Jabbok zo bijzonder: ”Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent!” Of om het met de dichter Van der Graft te zeggen: 'Hé, Gij met die hoofdletter g van God... je luistert toch niet'; God de Zwijger.

De grote vraag die blijft is natuurlijk: hoe interpreteer je dat zwijgen? Is dat goddelijke zwijgen uiteindelijk weinig anders dan die grote leegte? Is dat hele christelijk geloof, zoals Willem Frederik Hermans in navolging van Voltaire altijd beweerde, inderdaad niets anders dan een ingenieuze uitvinding om het klootjesvolk rustig te houden?

Ik weiger dat te aanvaarden en geloof heilig in de woorden van de profeet Zefanja: Il se tait en son amour. Hij zal zwijgen in zijn liefde.

Augustinus gaat er in zijn Belijdenissen op door als hij schrijft: ,,Gij ziet de dingen Heer en gij zwijgt, gij die lankmoedig en barmhartig en zeer waarachtig zijt. Maar gij zult toch niet altijd blijven zwijgen? Neen, ook thans ontrukt gij aan die afschuwelijke afgrond reeds de ziel die u zoekt en die dorst naar uw heerlijkheden, en wier hart tot u zegt: Ik heb uw gelaat gezocht, Heer! Uw gelaat Heer, zal ik zoeken! Want ver van uw gelaat is degene die door duistere gevoelens beheerst wordt.''

Ik ben een kind van twee werelden en ik ben niet de enige. Echo's ervan heb ik gevonden bij Nick Cave met zijn grote Christusafvalbak en PJ Harvey in haar zoektocht naar vervulling. Beide zangers hebben Augustinus in zoverre begrepen dat zij steeds opnieuw hun duistere gevoelens proberen te overwinnen met alle middelen die zij hebben. Ze zijn zelfs bereid zichzelf te verliezen voor die ander, die Ene, die ze willen aanschouwen.

In Brompton Oratory, genoemd naar Brompton Cathedral in Londen, stapt Nick Cave de kerk binnen op paasmorgen. De voorganger leest Lucas 24 waarin Christus na zijn lijden weer verenigd wordt met zijn discipelen. De zanger ziet ondertussen de beelden van de apostelen in de kerk en wou dat hij zelf zo'n beeld was, zodat hij de schoonheid niet onder woorden zou hoeven brengen noch zou hoeven te geloven wat hij in het avondmaal weerspiegeld ziet:

A beauty, impossible to endure

The blood imparted in little sips

The smell of you still on my hands

As I bring the cup up to my lips

No God up in the sky

No Devil beneath the sea

Could do the job that you did, baby,

Of bringing me to my knees

Ergens in die knieval, in die bereidheid je open te stellen voor die Ene, openbaart zich de glans van de grote liefde en verlossing. In die knieval, in die overgave aan het credo 'wie mij volgt, wandelt niet in duisternis, zegt de Heer' (Thomas à Kempis), ligt ook de wortel van het christendom als beschaving, waarbij het heil als het ware wordt doorgegeven van boven naar beneden en weer opzij.

En zo ben ik via een brede omweg weer terug bij dat smalle pad van mijn jeugd en die 'genade om niet' zoals mijn vader en schoonvader dat wonder ooit noemden. (Ik begrijp dat deze termen veel mensen blijvend een rotte bijsmaak hebben gegeven, maar toch. Ondanks de weerbarstigheid van die wat strenge en benauwende cultuur waarin zij waren ingebed, ja dat tekort aan feestjes, grijp ik er steeds naar terug.)

In de bundel uit 2003 Het moest maar eens gaan sneeuwen van Tjitske Jansen staat een intrigerend slotgedicht. Het gaat over een meisje aan de rand van een zwembad. Ze speelt met het water en de tegels eromheen. Ze is gelukkig.

In het bad

Uit het bad

Ik zong

Een lied dat ik op school geleerd had.

'Looft den heer want hij is goed'

en iets met goedertierenheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden