KNAPSTE JONGETJE VAN DE KLAS, MAAR ZONDER VRIENDEN

Hans Gruijters, die op 1 juli vertrekt als burgemeester van Lelystad, gaat de geschiedenis in als een intelligent politicus die er niettemin telkens weer in slaagde zijn eigen ruiten in te gooien. Hij beseft dat zelf als geen ander: “Ik kan mijn mond niet houden, ook al komt er rotzooi van.”

Het politieke leven van Hans Gruijters valt dan ook makkelijk te beschrijven als één aaneenschakeling van incidenten, conflicten en gemiste kansen, maar daarmee zou deze raspoliticus tekort worden gedaan. Niet voor niets werd hij op het gymnasium bij de paters Augustijnen in Eindhoven (waar hij als knapste van de klas alpha en bèta tegelijk deed) al 'Pietje Politiek' genoemd, vanwege zijn talent voor het debat in woord en geschrift.

En hij mag de eer voor de oprichting van D66 aan Hans van Mierlo en de zijnen laten, feit is dat hij in de beginjaren toch de partij-ideoloog bij uitstek was, die met zijn analytische geest veel bijdroeg aan het gedachtengoed van deze partij, zoals onder meer blijkt uit het boekje 'Daarom D'66', waarin hij begin 1967 zijn visie op het partijprogram gaf.

Feit is ook dat, omdat hij in 1966 zijn lidmaatschap van de VVD opzegde (en daarmee zijn zetel in de Amsterdamse gemeenteraad en zijn kans op een wethouderschap opgaf), hij mede de stoot gaf tot de oprichting van D66. Hij was toen al, hoewel afkomstig uit Helmond, een bekend Amsterdammer, niet alleen door vier jaar raadslidmaatschap, ook als journalist bij het Algemeen Handelsblad en als kroegbaas.

Hij werd in 1962 raadslid voor de VVD, waar hij begin jaren vijftig lid van geworden was en deed onder meer van zich spreken door diverse aanvaringen met burgemeester Van Hall. Zo vertelde Ed. van Thijn Ischa Meijer in 1976: “Hij was keihard in het debat. Als hij sprak, ging Van Hall met zijn rug naar hem toe zitten en als Van Hall sprak, ging Hans de krant zitten lezen.”

De meeste ophef baarde Gruijters echter met zijn weigering aanwezig te zijn bij de huwelijksvoltrekking van prinses Beatrix en Claus von Amsberg op 10 maart 1966 in Amsterdam. Dat deed hem hard in botsing komen met de top van de VVD, met name met partijleider en fractievoorzitter Toxopeus, en leidde tot zijn vertrek uit de partij. Voornaamste verschil van mening was, volgens Gruijters, het grote respect in de VVD voor hèt gezag. “Dat heb ik niet”, zei hij eind maart in Vrij Nederland, “ik respecteer de wet en het gezag is niets zolang het niet de wet is.”

Beatrix had, poneerde Gruijters destijds in Het Parool, “een ongeschreven wet overtreden door de eenheid van de natie in gevaar te brengen, omdat zij met een echtgenoot aankwam die, hoezeer hij ook grote kwaliteiten mag hebben, als Duitser op die plaats voor een heleboel mensen niet te pruimen is.” In datzelfde interview liet hij doorschemeren dat hij benaderd was mee te werken aan de oprichting van een nieuwe politieke partij, al tekende hij daarbij aan dat hij er niet over piekerde 'beroepspoliticus' te worden.

Eind 1966 verklaarde hij op de oprichtingsvergadering van de Amsterdamse afdeling van D66 dan ook dat hij geen kandidaat was voor de Tweede Kamer. “Ik ben niet de initiatiefnemer van D66, ik ben geen bestuurslid en ik zal geen kandidaat zijn. Mijn liberale verleden is een last voor de nieuwe groep. Mijn bedanken voor de VVD is indertijd hoogstens aanleiding geweest voor anderen om het initiatief te nemen.” Desondanks zou men hem hardnekkig als een van de initiatiefnemers van D66 blijven aanmerken.

En dat was hij ook, vertelde politicoloog Peter Baehr veel later in HP/De Tijd. “Wij wilden iets laten gebeuren; de politiek was zo saai en onduidelijk. Toen Gruijters uit de VVD werd gezet, hadden we eindelijk de kans een echte politicus te strikken. Hij luisterde geïnteresseerd naar ons en zorgde voor een bijeenkomst met gelijkgestemde journalisten, politicologen en een enkele JOVD'er. Hans Gruijters had de leiding en was de gangmaker.”

Gruijters was toen nog chef buitenlandredactie van het Algemeen Handelsblad, waar hij sinds 1960 werkte. In 1967 nam hij ontslag. Met spijt, want later typeerde hij deze zeven jaar als 'de fijnste' van zijn leven. Reden voor zijn vertrek was de oprichting van een vennootschap tussen de Nederlandse Dagbladunie (waar het Handelsblad toe hoorde) en het Telegraafconcern. Hij bleef wel schrijven; een wekelijkse column in Het Parool en artikelen in de Haagse Post, waarvan hij redactielid was.

Kroegbaas was Gruijters al sinds 1956, toen hij dankzij een erfenis mede-eigenaar werd van de Bamboo Bar in de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam. Een goedlopend café, waarover Gruijters graag mocht vertellen hoeveel huweljken er tot stand gekomen waren. Na de oprichting van D66 besloot hij, samen met zijn compagnon Coen Affolter, erboven een (min of meer besloten) club te beginnen die in 1968 open ging onder de naam C'66.

Aan Amsterdam had hij zijn hart verpand vanaf het moment dat hij er in 1949 ging studeren: psychologie en politieke wetenschappen tegelijk. In 1951 haalde hij in dezelfde week zijn kandidaats in beide vakken. Drie jaar later studeerde hij af als psycholoog. Van afstuderen in de politicologie kwam het nooit, laat staan van promoveren, hoewel hij nog jaren riep dat hij dat wilde en een proefschrift over de zwevende kiezer 'bijna voltooid' had.

In 1958 vestigde hij zich definitief in Amsterdam. Geboren werd hij 1931 in Helmond, als oudste zoon in een matig religieus, katholiek gezin. Zijn vader was handelaar in radio's, zijn moeder onderwijzeres. Tijdens zijn studies in Amsterdam had hij ook zijn eerste echte baan: directiesecretaris van textielbedrijf Hatéma (van '53 tot '58). Op z'n 23ste kreeg hij van zijn directeur de opdracht een nieuwe woonwijk tegenover de fabriek te realiseren. Daarover vertelde hij ooit: “Toen de Helmondse bestuurders bijeen kwamen, goten we ze vol drank. Ik kreeg gedaan dat een krottenwijk werd gesaneerd en nieuwe huizen gebouwd, betaald door het bedrijf.” Een onvermoede prelude op het ministerschap van volkshuisvesting waaraan hij een kleine twintig jaar later zou beginnen.

Voor het zover was, was hij eerst nog een jaar ('70-'71) lid van Provinciale Staten van Noord-Holland en voerde hij in '72, als eerste Nederlandse politicus, een op Amerikaanse leest geschoeide verkiezingscampagne, compleet met tv-spotjes en gesprekken met kiezers in winkelcentra, op markten en aan de deur. In 1972 ontketende hij weer eens een rel door te stellen dat de progressieve drie - D66, PvdA en PPR - niet met ARP, CHU en KVP moesten onderhandelen over een regeerakkoord omdat de christelijke partijen '2000 jaar fundamentele onbetrouwbaarbaarheid' vertegenwoordigden. “Als ik een confessioneel een hand heb gegeven, tel ik eerst mijn vingers na.” En: “De confessionelen kunnen geen kleur bekennen, want ze hebben geen kleur”, zei hij later in Het Parool. Daar onthulde hij ook dat hij wel bereid zou zijn minister te worden, “maar dan alleen op een terrein waar ik me thuis voel, bijvoorbeeld staatsrechteljke hervormingen”.

Nauwelijks een jaar later was hij, na een kortstondig lidmaatschap van de Tweede Kamer, minister van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening in het kabinet Den Uyl, samen met ministers van twee (ARP en KVP) van de door hem zo verguisde christelijke partijen. Toen ARP-fractievoorzitter Aantjes daar tijdens de eerste algemene beschouwingen een politiek nummer van maakte, zweeg de kersverse minister en liet hij zijn verdediging over aan de minister-president.

Als minister viel Hans Gruijters vooral op in zijn debatten met de Kamer. Legendarisch waren zijn urenlange, vaak filosofisch getinte bespiegelingen, die hij geheel uit het hoofd hield, met een minuscuul papiertje met een paar trefwoorden als enig hulpmiddel. Desondanks beantwoordde hij keurig, met grote kennis van zaken en in de goede volgorde alle vragen van Kamerleden. Zijn redenaarstalent irriteerde dermate, dat Kamervoorzitter Vondeling hem te verstaan gaf dat hij een papier ter hand moest nemen als hij de Kamer toesprak. Dus sprak Gruijters voortaan met een blanco vel papier in zijn hand.

Volgens ingewijden liet hij verder het meeste werk over aan zijn twee staatssecretarissen, Marcel van Dam en Jan Schaefer, en hield hij zich onledig met de minst omstreden onderwerpen: ruimtelijke ordening en milieu. Alhoewel, in die laatste hoedanigheid verwierf hij zich de bijnaam 'Autohater nummer 1' door bespiegelingen over mogelijke maatregelen om het autogebruik terug te dringen: steden in beperkte mate fysiek ontoegankelijk maken voor de particuliere auto en heffingen op autogebruik of -bezit.

Toen kranten hiermee aan de haal gingen, zonder te vermelden dat Gruijters ook voorstelde het openbaar vervoer te verbeteren, had de pers het gedaan. Die wrok tegen zijn voormalige vakbroeders zou nooit meer verdwijnen. Zo zei hij in 1975 in Vrij Nederland tegen Bibeb: “In de pers wordt alles vertekend. Als ik zeg: we moeten in de steden het gebruik van de auto beperken, heet ik een autohater. Ben ik niet. Ik ben iemand die de pers niet moet.”

Over zijn ministerschap was hij achteraf ambivalent. Het werk beviel hem prima, maar wat hem stak, was het gebrek aan echte invloed als lid van de ministerraad. “Ik geniet echt van mijn departement, maar uiteindelijk ben ik toch de directeur van een bijkantoor.” De macht berustte immers bij de premier en de sociaal-economisch-financiële driehoek. “Dat is begrijpelijk”, vond hij later. “Als mensen als de superintellectueel Den Uyl, professor Duisenberg, de intellectueel Lubbers en Jaap Boersma, die ook niet op zijn achterhoofd is gevallen, het na eindeloze discussies en twijfel eens zijn geworden, dan kan er wel eens een eigenwijze minister van volkshuisvesting een nieuw inzicht aandragen, maar dan zeggen ze niet ten onrechte: laten we de discussie in vredesnaam niet overdoen. Mijn ijdele hoop is geweest dat die anderen hadden gezegd: Verdomd, wat die man poneert, is zo gek nog niet.”

Nog voor het einde van het kabinet Den Uyl kondigde hij aan niet opnieuw minister te willen worden (“Het mooiste van het ministerschap is dat je het geweest bent”), omdat hij erop uitgekeken was en wel weer eens een boek wilde lezen. Dat deed hij overigens meermalen in de ministerraad en toen Den Uyl hem daar eens op aansprak, zei hij: 'Mijnheer de voorzitter, ik lees niet met mijn oren'.

Na 1977 werd het dan ook stil rond Gruijters. Hij was pas 46, maar wist zelf ook dat hij in de politiek geen rol van betekenis meer zou spelen. “In Den Haag pruimen ze mij niet meer. Ik wek nu eenmaal weerstanden. Laat ik het maar gewoon zeggen: ze vinden mij weinig aangenaam.” Oud-staatssecretaris van onderwijs Ger Klein beaamde dit. “Hij hing in het kabinet vaak 'mister wise guy' uit, wat helemaal niet nodig was, omdat we zijn intelligentie wel kenden. Zijn gedrag riep weerstand op, al was het maar omdat hij zo vaak gelijk had.”

Bij zijn afscheid als minister had hij laten vallen dat hij 'over een jaar of zeven' wel burgemeester van Almere zou willen worden. “Dat wordt een grondgebied bijna zo groot als Utrecht. Daar zou ik mijn ervaring met ruimtelijke ordening helemaal van de grond af in praktijk kunnen brengen.” Het werd - drie jaar later - Lelystad, waar zijn vriend Han Lammers, in zijn hoedanigheid van landdrost van de IJsselmeerpolders, hem de ambtsketen omhing. Een schrale troost voor het missen van het Commissariaat van de Koningin in Utrecht dat naar de VVD was gegaan.

Erger was dat hem in 1985 het commissariaat van Flevoland door de neus werd geboord. En nog wel door diezelfde Han Lammers, sinds 1984 burgemeester van Almere, terwijl deze Gruijters had 'beloofd' niet te zullen solliciteren. Maar Lammers deed dat, op aandrang van zijn partij die zich onderbedeeld achtte in het aantal commissarissen van de koningin, op de valreep toch en werd de commissaris van de nieuwe provincie. Tussen de vroegere vrienden is het nooit meer goed gekomen.

Intussen wist Gruijters zich als burgemeester als vanouds voornamelijk onbemind te maken. Raadsvergaderingen handelde hij in een recordtempo af, onder meer door 'lastige' raadsleden met één cynische opmerking zo in de hoek te zetten dat ze hun mond niet meer open deden. En het werd er niet beter op toen hij in 1984 de (raadsfractie van de) CPN schoffeerde - “Ik classeer de CPN vooralsnog niet onder de democratische partijen.” In 1991 schokte hij Nederland met deze uitspraak: “Veel immigranten zijn afkomstig uit landen waar weinig of geen cultuur bestaat. Als ze al wat meenemen, zijn het slechte gewoontes.”

Helemaal bont maakte hij het in oktober 1993 in het tv-programma Nova. “Nederland is vol”, zei hij en hield een pleidooi voor een totale stop op de toelating van asielzoekers. “Nederland kan de problemen van de wereld niet oplossen. Als we deze mensen blijven opnemen, vergroten we alleen maar de problemen.” Half Nederland viel hard over hem heen, inclusief zijn eigen partijgenoten Wolffensperger en Van Mierlo: “Europa is niet 'vol' en Nederland is ook niet 'vol'.”

Populair was hij al nooit geweest, maar dit deed de deur dicht. Bijna twintig jaar daarvoor had hij Bibeb in Vrij Nederland al toevertrouwd: “Ik stoot vaak af. Veel mensen zijn bang voor me. Ik kan mijn mond niet houden, ook al komt er rotzooi van.” Joop van Esch, begin jaren vijftig zijn naaste collega in de top van het Helmondse textielbedrijf Hatéma, formuleerde het in 1976 tegenover Ischa Meijer zo: “Ik was wel bevreesd voor Hans. Hij kon zo hard uit de hoek komen. Iedereen voelt zich de mindere bij hem. Hij treedt weinig diplomatiek op, om niet te zeggen helemaal niet. Hij geeft geen cent om de mening van een ander. En toch is hij een uitstekend vriend.”

Hans Gruijters, de briljante politicus die door zijn uitspraken constant zijn eigen glazen ingooide, daardoor zijn politieke en bestuurlijke carrière verspeelde en gedoemd was zestien jaar burgemeester van Lelystad te blijven. Dat besefte hij zelf ook, getuige deze uitspraak in 1986 in de Haagse Post: “Ik ben geen man die aan carrièreplanning doet, ik begin aan wat ik leuk vind. Maar ik vraag mij wel eens af of ik niet met meer genoegen op mijn verleden zou terugkijken als het zich niet zo sterk in de politiek had afgespeeld. Als je, zoals ik, een karakter hebt dat zijn bevrediging vooral vindt in het oplossen van problemen, dat nogal aards is en niet zo vreselijk bevlogen, dat resultaten wil zien en allergisch is voor (partijpolitiek) geleuter, tja, dan zie je met enig leed dat je kansen mist.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden