Knappe presentatie van een pijnlijke cultuurkloof

Toneel

Africa NTGent / Oscar Van Rompay

Het is een gereconstrueerd Afrika dat op het toneel is opgebouwd. De zanderige vlakte is nep en de planten staan in potjes. In die fantasie-savanne spuit de spierwitte acteur Oscar Van Rompay zich met een paintbrush zwart. Het resultaat lijkt op een koloniale representatie van een neger in een 19de-eeuws natuurhistorisch museum. Maar de zwarte man die Van Rompay in de eerste helft van zijn voorstelling 'Africa' speelt, is meer dan dat. Het is een oprechte, maar tegelijkertijd ongemakkelijke poging van de blanke acteur om een zwarte Keniaan te worden. Een poging die uiteraard tot mislukken gedoemd is. Na dertig schurende minuten geeft Van Rompay het kokhalzend op.

'Africa' slaagt er knap in de verwarrende culturele vragen invoelbaar te maken, die Van Rompay continu bespringen sinds hij in zijn geliefde Kenia een boerderij kocht waar hij drie maanden per jaar doorbrengt. Hoe goed hij zich ook probeert te verplaatsen in het land en in de mensen, hij blijft altijd die blanke.

De voorstelling maakt dan ook poëtisch korte metten met het idee van echt wederzijds cultureel begrip en met de mogelijkheid om in de huid van de ander te kunnen kruipen. Bovendien toont de voorstelling pijnlijk dat het voor blanken onderling onmogelijk is om over Afrika te praten zonder in de clichés over dat continent te schieten, omdat clichés begrijpelijker zijn dan de werkelijkheid. Als Van Rompay na het eerste schurende deel de zwarte verf van zich afspoelt om verder als blanke het publiek toe te spreken, zucht de zaal van opluchting, als een groep blanke toeristen die in het hectische centrum van Nairobi zijn blanke gids heeft teruggevonden.

Het knappe is dat Van Rompay zijn fascinatie voor Kenia zo oprecht weet neer te zetten, dat je ondanks de pijnlijke cultuurkloof niet anders wil dan je samen met hem onderdompelen in dat land dat je nooit zal begrijpen.

Robbert van Heuven

Nog te zien in Rotterdam, Den Haag en Haarlem. www.ntgent.be

Toneel

'Alles is fijn' - Woezel en PipVan Hoorne Junior Theater / Dromenjager

Het leven is simpel. Het leven is fijn. Tenminste: als je Woezel bent of Pip, of een peuter in de zaal van de musical 'Alles is Fijn'. Voor de tweede keer beleven de hondjes Woezel en Pip mini-avonturen in een voorstelling. Vier jaar na de eerste theaterproductie kunnen peuters hun ogen uitkijken.

In de tovertuin, waar het verhaal zich afspeelt, staan paarse, gele en blauwe bomen en in de lucht hangen witte wolkjes met blauwe smileys. Daartussendoor springen twee knuffelige stoffen hondjes, bewogen door acteurs, in het rond. De hondjes zijn voor de kleintjes bekende iconen. Want naast de Woezel en Pipfilmpjes en -boeken bestaat er ook een heel commerciële lijn met onder meer kleding, knuffels, servies en beddengoed. De opbrengst van die producten en van de voorstelling gaat deels naar de Guusje Nederhorst Foundation, vernoemd naar de in 2004 overleden actrice die Woezel en Pip bedacht. Deze foundation wil 'vergeten' kinderen in sobere opvangcentra vrolijkheid brengen. Een sympathiek uitgangspunt. Ook de voorstelling is sympathiek. Zoete korte verhaaltjes over tellen, spelen en vriendjes maken, vrolijke korte liedjes en regelmatig poppenkast-achtige peuterparticipatie wanneer de kinderen de hondjes moeten roepen.

Maar ondanks de goedbedoelde opzet is de voorstelling niet bijzonder. Het script is van Paul Passchier en Dinand Woesthoff (tot haar overlijden de man van Nederhorst). Natuurlijk, de peuters, die voor het eerst een theatervoorstelling bijwonen, zullen onder de indruk zijn van hun hondenvriendjes in 3D. Maar de blije musical ontbeert de poëzie die bijvoorbeeld de Nijntjemusicals wel hebben. Bovendien is de muziek nogal elektronisch en saai en de liedjes vaak moeilijk meezingbaar. Wel leuk hoe Woezel 'Super Woezel' speelt en zijn reddingen telkens mislukken, en ook zijn poging om een ster te plukken ziet er lief uit. Maar om daarvoor helemaal naar het theater te gaan?

Bianca Bartels

Pop

Angus Stone

Het twintigers-publiek dat dinsdag Paradiso tot de nok toe vulde had vermoedelijk geen weet van de tijdreis die ze maakten. Ze kwamen voor hun hedendaagse held Angus Stone, maar belandden in 1970. Staande op Perzische tapijtjes speelde een stel introverte mannen met hoedjes, baarden en woeste haardracht, waarin vogels konden nestelen. Hooguit de celliste vormde de uitzondering in dit bizarre tableau dat aan The Byrds en CCC Incorporated herinnerde.

Met een van de mooiste albums van 2012 in de rugzak, plus een volwaardige band, toert de Australische troubadour Angus Stone deze maand door Europa. De hoes van 'Broken brights' toont een pastoraal gelegen hut, rookpluim uit de schoorsteen, was aan de lijn. De plaat voert je mee naar eind jaren zestig, het Woodstock-tijdperk, toen popartiesten het terug-naar-de- natuurcredo in folkrock vertaalden. Invloeden van Crosby, Stills & Nash, Joni Mitchell en Pearls Before Swine verwerkte Stone in introverte liedjes met akoestische gitaren, mandolines en meerstemmige zang. Soms hoor je een ruig randje wanneer rafelige gitaren het spel van de vroege Neil Young oproepen.

Miniem communicerend met de zaal leefde Stone zijn hippie-fantasieën uit. De klasse van zijn doorbraak-album wist hij nauwelijks te benaderen. Het concert kwam moeizaam op gang, alsof hij moeite had zijn singer/songwriter-verleden (een duo met zus Julia) van zich af te schudden. Regelmatig zakte de spanningsboog in en leek hij te veel gefixeerd op zijn getormenteerde voordracht. Zelfs in de toegift wist Stone met 'End of the world', een verwijzing naar 'The end' van The Doors, geen potten te breken. Na vijf kwartier was het gedaan. Vooralsnog legt Angus Stone het af tegen andere retro-folkrock acts als Mumford &Sons en Bellowhead. Desondanks blijft 'Broken brights' een plaats om te koesteren, al dan niet bij het kampvuur.

Stan Rijven

Klassiek

Nederlands Kamerorkest

Zwoel, hartstochtelijk en mysterieus: zo klinkt de harp in Debussy's 'Danse sacrée et Danse profane'. Tenminste, als je met een soliste te maken hebt als Sandrine Chatron.

Meestal is ze als soloharpiste te vinden in het Nederlands Philharmonisch Orkest, dat dezer dagen in de bak van het Muziektheater zit met Rossini's 'Guillaume Tell'. Voor de gelegenheid had Chatron een uitstapje gemaakt naar de kleinere broer: het Nederlands Kamerorkest. Haar transparante klankvorming verschafte Debussy een gouden randje. Balansproblemen waren er niet: de strijkerspartijen werden door de collega's om haar heen met alle egards behandeld.

Het bleef niet bij de harp, de musici hadden meer solisten uitgenodigd om naar de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw te komen. Cellist Gary Hoffman en pianist Lars Vogt vormden samen met concertmeester Gordan Nikolic het trio in Beethovens 'Tripelconcert': een lastig werk van de grote Wener, net iets te lang, net een onsje te weinig geïnspireerd, en ook nog eens moeilijk om glashelder over het voetlicht te brengen. Met het laatste punt kampte ook dit drietal. Meer brille, een strakkere intonatie en grotere diversiteit in klankkleur waren nodig om het concert goed van de grond te krijgen.

Maar het bindende element in de composities die het orkest had geprogrammeerd ontstond ter plekke: de bezielde kamermuzikale benadering van de musici. Zo ook in Beethoven. De intimiteit, de durf om fijngevoelig te spelen, de samenspraak met elkaar waren van kwaliteit.

Het goedgemutste slotstuk profiteerde hier eveneens van: Gounods eerste van slechts twee symfonieën, zo'n vijftig jaar eerder ontstaan dan de 'Danses' van landgenoot Debussy. De prima getroffen sfeer en de elegante benadering van de muziek vielen op, geen extreem spannend spel. En zo vormde Debussy de grootste verleiding van de avond.

Frederike Berntsen

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden