KLOOSTER VAN HET HEILIG KRUIS, TER APEL 'De kerken lopen leeg, maar voor een museum van religieuze kunst staan de mensen in de rij'

De seminaries raken leeg en de kloosters raken in onbruik. De wijk- en werkplaats van non en monnik krijgt een nieuwe bestemming. Een serie over eigentijdse activiteiten in kloosters van vroeger.'Oude kloosters, nieuw gebruikt' afl. 10. Museum Klooster, Boslaan 3 in Ter Apel (tel. 05995-1370) is geopend: di t/m za van 10-17 uur, zon- en feestdagen: 13-17 uur.

Niet in levende lijve overigens; een deel van de bezittingen van de Kruisheren ligt uitgestald in het museum voor religieuze geschiedenis en kerkelijke kunst. Af en toe komt een lid van de Orde van het Heilig Kruis op pelgrimage naar Ter Apel.

Hij zal zijn ogen niet kunnen geloven. Want het Museum Klooster aan de rand van het fraaie Ter Apelse bos is een juweeltje. Het behoort tot de Top Honderd van Nederlandse monumenten. En het had nog veel mooier kunnen zijn als er in vroeger jaren niet zo veel afgebroken was.

Maar er is meer dat het enige middeleeuwse plattelandsklooster in Nederland, van de enige op Nederlandse grond gestichte orde, opzienbarend maakt. Er wordt tegenwoordig getrouwd in het klooster. En er wordt gefeest en niet zomaar een beetje. Met wagenspelen, middeleeuwse muziek, kwakzalvers en alchemisten - alsof er nooit regels van devotie in het historische bouwwerk hebben gegolden.

Een huis van inkeer en gebed is het overigens maar kort geweest, van 1465 tot 1594. De laatste monnik, Johannes Emmen, voegde zich in het spoor van de Reformatie. Hij huwde, het klooster werd (hervormde) pastorie. Later huisvestte het onder meer de plaatselijke notaris en de onderwijzer, een school en een timmermanswerkplaats.

Uiteindelijk werd het museum, sinds 1990 in het bijzonder gericht op religieuze geschiedenis en kerkelijke kunst. Het klooster was 300 jaar lang bezit van Groningen, van de Stad zogezegd - net als geheel Westerwolde. In de jaren dertig van deze eeuw was het ook de stad die het klooster grondig liet restaureren (door de stadsarchitect) en de laatste bewoner was er tot begin dit jaar als beheerder in dienst.

Daar hebben de Kruisheren allemaal geen weet van gehad. Zij kregen het gebied Apell in 1464 als geschenk van de pastoor van Garrelsweer, die op zijn levensavond niet alleen vermogend maar ook vrijgevig was geworden. Hij had het op zijn beurt weer overgenomen van een stel Praemonstratenzer zusters uit Schildwolde - de bodem leverde toch niets op, zo verklaarden zij.

De Orde van het Heilig Kruis aanvaardde het halfafgebouwde klooster maar wat graag en binnen de kortste keren hadden de eerste bewoners er hun intrek in genomen: vier priesters en een paar lekebroeders uit het klooster Bentlage bij het Duitse Rheine. En in 1465 werd de kloosterkerk ingewijd.

Het zat ze niet mee. De omgeving van ter Apel was woest en ledig, de heidevelden en moerassen leverden bar weinig op. En tot overmaat van ramp brandde een groot deel van het klooster in 1472 af. Dat was het werk van een voortvluchtige lekebroeder. In het vuur kwam een broeder om het leven, een ander overleed korte tijd later aan zijn verwondingen. Kerk, slaap- en eetzaal en keuken werden verwoest. Amper een jaar later hadden de Kruisheren hun kerk al weer opgebouwd en kon de ruimte met vijf altaren opnieuw worden ingewijd.

Een klooster is niet alleen een religieuze gemeenschap waar aan zielzorg werd gedaan, maar ook een bedrijf. Het moest zichzelf bedruipen en daarom werd het omliggende land bewerkt, hielden lekebroeders vee en maalden ze graan. Bier werd er ook gebrouwen en veel ook, want met dat zoute eten uit die tijd kenden ook de kloosterlingen een bijna onlesbare dorst.

En verder waren er een kleermaker, schoenmaker, smid en timmerman en werd onderdak verleend aan zogenoemde proveniers, kostgangers, die voor kost en inwoning betaalden. Zo was er bijvoorbeeld in 1561 ene Herman Scholte van Oldenharen, die voor 200 'goudguldens' werd toegelaten en nog eens 60 'goudguldens' betaalde 'op lijfrente' waarvoor het klooster hem elk jaar kleedgeld en twee paar schoenen gaf en gereedschap dat bij zijn dood weer aan het klooster verviel.

De Reformatie maakte in de meeste gevallen korte metten met kloosters. Vaak werden ze gesloten en kwamen de bezittingen aan de staat. De Kruisheren van Ter Apel kregen echter toestemming van de Staten-Generaal om te blijven zitten waar ze zaten, totdat de laatste broeder het licht uit zou doen. Dat gebeurde niet, want Jacob Emmen ging over naar de gereformeerde godsdienst.

Er is heel veel veranderd aan het gebouw in de loop der eeuwen. Van de vele houten en stenen bijgebouwen is vrijwel niets meer over behalve wat fundamenten. De watermolen verdween, net als het 'seyckenhuesz', het vleeshuis, het bak- en brouwhuis, de visvijver en de ruimte waar perkament werd gemaakt. Tot in de wijde omtrek (van Loppersum tot in Oost-Friesland, van Sellingen tot Emmen) bezat het klooster duizenden hectare grond: in 1550 liep een Kruisheer van Ter Apel naar Groningen over eigen terrein. En toen de Reformatie een eind aan het kloosterleven maakte, bestond de veestapel uit 20 paarden, 61 koeien en 2 stieren, 30 kalveren, 68 varkens en l9 schapen.

Zo rijk is het klooster tegenwoordig niet, er is veel verloren geraakt - ook aan archiefstukken. De museale collectie heeft wel een grote waarde. Bij de restauratie van het gebouw, een halve eeuw geleden, is niet geprobeerd de oude situatie te herstellen. “Aan een gebouw van 500 jaar mag je gerust zien dat het een verleden heeft en dat het verschillende verbouwingen heeft ondergaan”, zegt Addie Wiersma, die voor het Museum Klooster de publiciteit verzorgt. Zo zijn de bedsteedeuren van later tijd gebleven, maar is in de kamer van de prior een deur weggehaald waarachter een middeleeuwse schouw van zandsteen zichtbaar werd. Anton Pieck is nog te hulp geroepen om die naar een oude prent te beschilderen.

Het museum boert goed. “De kerken lopen leeg, maar voor een museum van religieuze kunst staan de mensen in de rij”, zegt Addie Wiersma. “Men heeft er kennelijk toch behoefte aan. Het idee dat je in een klooster bent, spreekt daarbij ook een rol. Je voelt het hier duidelijk. Wij runnen dit museum voornamelijk met vrijwilligers en dat is best zwaar. Maar de grote belangstelling stimuleert je om er mee door te gaan. We rekenen dit jaar op zo'n 26 000 bezoekers.”

Een van de vleugels van het klooster - de oude eetzaal en de kamers van de procurator en de prior - wordt gebruikt voor de expositie van religieuze kunst. In een andere vleugel dient de kapittelzaal (met het stadswapen van Groningen) nu als ruimte voor trouwerijen, waar de ambtenaar van de burgerlijke stand haar taal en kledij aanpast aan de entourage. De kerk is het pronkjuweel van het klooster, door een fijngebeeldhouwd oxaal verdeeld in een koor en een lekenkerk. De laatste fungeert nog steeds als kerkruimte, nu voor de hervormden - de 'gewone'; de vrijzinnigen kerken elders in het dorp.

De belangstelling om in het klooster bruiloften en partijen te houden groeit. Voor concerten is er in de wijde omgeving geen mooiere locatie te bedenken. En in de kruidhof, waar nog bitterzoet (S. Dulcamara, heel goed tegen ontstekingen) groeit en andere kruiden die vroeger kwaaltjes uit de wereld hielpen, lijkt de tijd van de Kruisheren even te hebben stil gestaan: alleen de broeders zelf ontbreken er nog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden