Kloof CDA en LPF nu al in regeerakkoord

De ideologische strijd tussen LPF en CDA blijkt nu al uit het akkoord. CDA'ers lezen over 'eigen verantwoordelijkheid' terwijl LPF'ers horen dat 'de staat' hun problemen oplost. Het gevaar is groot dat het CDA omwille van het regeren de eigen ideologie overboord gooit.

Het strategisch akkoord 'Werken aan vertrouwen' dat de basis zal gaan vormen voor de nieuwe regering is een merkwaardig document. Enerzijds moet het document tegemoet komen aan de beleidsagenda van de LPF, de morele overwinnaar van de laatste verkiezingen. Anderzijds is het document doordrenkt met CDA-ideologie.

Wat wil de typische LPF'er? In termen van concrete wensen is dat gemakkelijk te formuleren. Een LPF'er wil minder wachtlijsten, beter onderwijs, meer ruimte voor verkeer en een strenger asielbeleid. Maar als we spreken over een politiek-theoretisch programma zoals liberalisme of sociaal-democratie, dan wordt het lastiger. Het is wel duidelijk dat we de typische LPF'er ergens in het liberale kamp moeten plaatsen. Maar er zijn veel soorten liberalisme. Typisch voor een LPF-liberaal zijn ideeën dat Nederland te bureaucratisch is, dat men gehinderd wordt door te veel regels, dat er aan alle grote problemen wat gedaan wordt 'behalve aan hun problemen, aan hun directe omgeving en hun samenleving' (strategisch akkoord). We kunnen dit wat rancuneuze en verzuurde liberalisme het 'en-nu-ik-liberalisme' noemen.

De typische kenmerken van de CDA-ideologie spatten van de regels van het strategisch akkoord. Het politiek-theoretisch ideaal van het CDA is niet liberaal en niet sociaal-democratisch. Wat het CDA ten diepste op beide ideologieën tegen heeft, is dat in het universum van het klassieke liberalisme en de klassieke sociaal-democratie alleen maar plaats is voor de instituties markt en de staat. Volgens het CDA is dat een misvatting: de sjeu en de essentie van het leven zit nou juist in al die maatschappelijke verbanden naast markt en staat. Daarom mogen we de zin dat 'ons dagelijks leven en het maatschappelijk verkeer (...) niet primair (worden) bepaald door wetten of transacties, maar door samenwerking, gemeenschappelijke belangen, zorg voor elkaar en algemene opvattingen over hoe het hoort' opvatten als een ideologische kernzin van het akkoord.

Een tweede essentieel verschil tussen het CDA en liberalisme en sociaal-democratie is dat het CDA de concentratie op individuele vrijheid en individuele rechten afwijst. De mens is in CDA-ogen een sociaal wezen dat zorg moet hebben voor de samenleving waarin hij leeft. We mogen daarom alleen over rechten praten als we het eerst over plichten hebben gehad. Vandaar de stelling dat 'burgers (...) niet (kunnen) volstaan met zich als consument van het gebodene op te stellen; zij zijn zelf in de eerste plaats verantwoordelijk'.

Wat nu zo merkwaardig is aan het strategisch akkoord, wordt nu langzaam duidelijk. De CDA-ideologie leent zich helemaal niet om de gevoelens van het LPF-liberalisme onder woorden te brengen. Een LPF'er wil iets over vrijheid horen, maar het CDA kan niet over vrijheid praten, zonder daarvoor en daarna 'verantwoordelijkheid' te roepen. Het terugdringen van de staat of de bureaucratie betekent voor het CDA dus niet zomaar vrijheid. Het betekent handen uit de mouwen steken en als actieve en zelfredzame burger in vrijwillige samenwerkingsverbanden de gaten opvullen die door het terugtreden van de overheid zijn ontstaan. Een CDA'er zal bij wijze van spreken kunnen pleiten voor minder snelheidscontroles omdat hij weet en verwacht dat de mensen zich ook zonder die controles wel aan de maximumsnelheid zullen houden.

Wat kan de typische LPF'er met zo'n betoog over vrijheid dat alleen maar verantwoordelijkheid inhoudt? Weinig, denk ik. Hij wil dat er iets gedaan wordt aan zijn directe problemen maar hoort nu dat hij daar in vrijheid en verantwoordelijkheid zelf iets aan kan doen. Hij wil af en toe eens ongestraft de maximumsnelheid kunnen overschrijden, niet in vrijheid en verantwoordelijkheid 80 km per uur over 'sHeren wegen tuffen. Maar het liberalisme van de LPF wordt in het akkoord maar zeer ten dele bediend.

Een vergelijkbare zaak doet zich voor bij het discours over de taken, mogelijkheden en beperkingen van de staat. Uiteraard wordt er in het strategisch akkoord geklaagd over de bureaucratie en de doelmatigheid van de staat. Klagen over het functioneren van de staat hoort een beetje bij de couleur locale van het liberalisme, en misschien wel bij dat van het gehele westerse denken over politiek. Toch moet men bij de liberale antistaatsretoriek altijd heel goed opletten wat er precies wordt beweerd. Sinds jaar en dag zijn er twee totaal verschillende theorieën over staatsfalen. De ene theorie is die van de utilistisch liberalen, zoals Jeremy Bentham. Die theorie is een beetje inconsistent. Enerzijds wordt er geweldig geklaagd over het functioneren van de staat. Anderzijds wil die theorie het welzijn van alle mensen bevorderen en verwacht ze daarbij van alles van de staat. De staat is in deze visie dus een hopeloze klungelaar, maar tegelijkertijd trekt men voortdurend bij die klungelaar aan de bel omdat de samenleving moet worden geordend, problemen moeten worden opgelost etc. Het LPF-liberalisme past in deze traditie.

De tweede liberale theorie over staatsfalen is die van het laissez-faire, waar mensen als de nu vergeten Richard Cobden bij horen. Volgens deze theorie moeten we onder ogen zien dat geklungel eigen is aan de staat. We kunnen en mogen nooit veel van de staat verwachten. Meestal mislukt wat de staat doet. Daarom moeten we heel goed nadenken over de kerntaken van de staat. Wat moeten we strikt noodzakelijk overlaten aan de staat? Daarnaast moeten we accepteren dat de samenleving nooit perfect zal worden. Er is een natuurlijke grens aan de staatsbijdrage aan het geluk: er zullen altijd wachtlijsten, files, slecht onderwijs en gebrekkige veiligheid zijn. En als die er niet zijn, dan zijn er wel andere problemen. Het CDA heeft een sterke affiniteit met dit laissez-faire-liberalisme. Het CDA onderkent dat de staat beperkte mogelijkheden heeft en concludeert daarom dat we goed moeten nadenken over de kerntaken van de staat. Daarbij berust het CDA overigens niet in de natuurlijke grens aan het geluk. De beperkingen van de staat moeten door de samenleving zelf worden opgevangen.

De strijd tussen deze verschillende staatsopvattingen smeult als een veenbrand door de pagina's van het strategische akkoord. De bureaucratische staat krijgt een flinke verlanglijst gepresenteerd: het moet daadkrachtiger en doelmatiger op tal van terreinen. Tegelijkertijd is het een en al voorzichtigheid over de staat. Het is dan ook typisch dat de verlanglijst wordt gevolgd door de stelling dat 'De overheid (...) niet het bestuur (is) van de BV Nederland of de uitvoerende arm van het collectief.'

De belangrijkste praktische vraag voor de komende vier jaar is hoe in de praktijk met dit soort verschillen zal worden omgegaan. Het zal er wel weer op neerkomen dat het CDA het niet zo nauw neemt met zijn eigen ideologie. De voortekenen zijn er al, het meest duidelijk in de passage over het milieubeleid: 'Doelstellingen op dit terrein zullen in de komende jaren primair gerealiseerd moeten worden door aan te sluiten bij maatschappelijke belangen en ontwikkelingen, niet door daar tegenin te gaan'.

Vanuit strategisch oogpunt is die omfloerste regententaal goed te begrijpen: de regeringspartijen willen de kiezers binden door het milieu te verkwanselen. Het milieu heeft toch geen stemrecht en het historisch besef van toekomstige generaties is gering. Vanuit CDA-ideologie is de uitspraak echter volkomen onbegrijpelijk. Als we namelijk met het CDA vinden dat de staat teruggedrongen moet worden, dan moeten we ons de vraag stellen: welke taken vallen noodzakelijk toe aan de staat? Waar gaat het echt mis als de staat niet ingrijpt?

Hierover bestaat natuurlijk veel verschil van mening, maar over één principe bestaat wel duidelijkheid. De staat heeft een taak waar de samenleving er zelf niet uitkomt. Dat is bijvoorbeeld zo bij een collectief goed als het milieu. Voor veel milieuproblemen geldt dat de prikkel om zelf verantwoordelijkheid te nemen laag is. Het individuele offer is vaak groot terwijl het effect ervan bijna verwaarloosbaar is. In die gevallen heeft de staat dus een taak. En niet alleen dat: essentieel is dat de staat in die gevallen maatschappelijke belangen en wensen weerstaat. De noodzaak van staatshandelen was immers gelegen in het feit dat het maatschappelijke spel zelf tot verkeerde uitkomsten leidt. Om J.P. Balkenende's proefschrift uit 1992 te citeren: 'Wanneer de overheid de oren te veel laat hangen naar de wensen van organisaties kan dat indruisen tegen de eigen taken van de overheid en tegen de eigen verantwoordelijkheid van de wetgever'.

Ik hoop dat de voortekenen niet bedriegen en dat het CDA het lonken van de macht kan weerstaan. Maar ik hoop tegen beter weten in. Het CDA, de partij met de mooiste ideologie, heeft -als het erop aankomt- zijn verantwoordelijk altijd nog geofferd aan het spelletje om de macht dat regenten zo graag spelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden