Klinkende namen hebben een rustplaats gekregen op Père-Lachaise. De begraafplaats in Parijs is dan ook twee eeuwen een grote attractie.

Voor de tweehonderdste keer vallen er kastanjes op de graven. De fameuze begraafplaats Père-Lachaise bestaat twee eeuwen. Bomen en struiken hebben van meet af aan hun ruime plaats gehad tussen de grafzerken, want de architect die de begraafplaats aanlegde had de ideale Engelse tuin voor ogen.

Dat sprak de Parijzenaars niet direct aan. In 1804 werden slechts dertien doden in hun rust gestoord door het ploffende geluid van de kastanjes. Dat het er inmiddels zo'n tachtigduizend zijn, is het gevolg van een sterk staaltje marketing avant la lettre van de gemeente Parijs. Daar begreep men al snel dat je om iets nieuws te promoten beroemdheden nodig hebt. En waarom zou dat voor de doden anders zijn dan voor de levenden? Enkele klinkende namen werden naar Père-Lachaise gehaald om de begraafplaats allure te geven. Onder het legendarische liefdespaar Héloise en Abélard, toch al vele eeuwen dood, Molière en La Fontaine, die beiden ook reeds meer dan honderd jaar elders onder de zoden hadden gelegen.

Al in de negentiende eeuw dijde Père-Lachaise uit van 17 hectares tot zijn huidige omvang van 44 hectares, dat wil zeggen net zo groot als het Vaticaan. De grens tussen het oude en het 'nieuwe' gedeelte is duidelijk te zien, bijvoorbeeld ter hoogte van de Avenue Transversale No. 1.

Ten zuiden daarvan is het een gekrioel van kleine perceeltjes, erboven liggen de divisies in keurige rechthoeken. Net als de levenden hebben de doden hun stad ingedeeld in een oud centrum en moderne buitenwijken.

Baron Haussmann, de man met de wijde blik die Parijs in opdracht van Napoleon de Derde klaarmaakte voor de moderne tijd, vooral door de stad te voorzien van de beroemde brede boulevards, wilde de doden eigenlijk uit de stad verbannen. Hij stelde voor in het voorstadje MerysurOise een begraafplaats voor heel Parijs te maken met een eigen spoorlijn. Haussmann beriep zich op argumenten van hygiëne, maar zag ook mogelijkheden om levende in plaats van dode Parijzenaars op deze magnifieke plek te huisvesten. Maar de positivistische tijdgeest de negentiende eeuw eiste solidariteit tussen levenden en doden. ,,Het moet een fundamenteel politiek principe zijn dat de begraafplaats, minstens op gelijk niveau met de school en de kerk, een intrinsiek deel uitmaakt van de samenleving ... Dat er dientengevolge nimmer steden zonder begraafplaats zullen zijn”, zei het stadsbestuur. De doden bleven waar ze lagen, onder de kastanjes.

Voor de Parijzenaars is PèreLachaise tevens het grootste stuk groen binnen de stadsmuren. De kastanjebomen zijn maar een voorbeeld van de weelderige begroeiing die schaduw en verkoeling brengen aan de doden en hun bezoekers, en niet te vergeten aan de honderden katten die er leven, overigens onder gemeentelijke bescherming.

Voor wandelaars met enig doorzettingsvermogen biedt Père-Lachaise een prachtig uitzicht over Parijs. Het mooiste deel van de begraafplaats ligt op de top van de heuvel, waar minder bomen zijn en de lucht frisser is. Van deze plek roept Balzacs personage Rastignac de stad toe: ,,En nu tussen ons!” aan het slot van Vader Goriot. De schrijver zelf ligt ook op een schitterend punt, aan de westkant.

Boven aan de heuvel bevindt zich een drievoudig legendarisch graf. De overledene, het grafmonument en roerige geschiedenis van hun aanwezigheid op PèreLachaise maken de klim naar boven nogmaals de moeite waard. Het is even voorbij de voor Nederlanders altijd verwarrende aanblik van het familiegraf van de familie Graf. Het graf van Oscar Wilde, die in 1900 als een gebroken man het leven liet in een Parijs hotelbed, kreeg van een anonieme bewonderaar een monumentaal beeldhouwwerk.

Het zijaanzicht van een enorme sfinx met vleugels en een op Wilde lijkend gezicht is ontworpen door Jacob Epstein. In 1961 hebben vandalen, naar men zegt een groepje kuise nonnen, het beeld ontdaan van de edele delen die door Epstein aan de sfinx waren toebedacht. In de daaropvolgende jaren werd Wilde's tombe bovendien keer op keer beklad met rode lippenstift, zeer schadelijk voor het steen. Maar nu is het gerestaureerd, op de edele delen na. Er staan een paar dranghekken om het graf, maar dat weerhoudt bezoekers er niet van om briefjes neer te leggen ('Hi Oscar'), of zelfs een stukje chocola.

De enige aantasting van het monument zelf bestaat op dit moment uit een groot boos papier met de mededeling dat 'elk gebruik van lippenstift op dit monument onmiddellijk leidt tot aangifte bij de politie'.

Slechts weinigen weten dat Père-Lachaise een belangrijke plaats inneemt in de traditie van de vrijmetselarij, die in Frankrijk zeer invloedrijk is. De architect van Père-Lachaise, Brongniart, en de minister in wiens opdracht hij werkte, waren vrijmetselaars.

,,Het gehele plan van Brongniart is voor de inrichting van begraafplaatsen wat de betoverde fluit van de vrijmetselaar Mozart is voor de muziek” vermeldt een brochure van de begraafplaats. Pluralisme, een van de waarden van de vrijmetselaars, is een kenmerk van Père-Lachaise. Grote namen en kleine luiden liggen er zij aan zij. In die zin is het de tegenhanger van het Pantheon, de laatste rustplaats voor hen die de republiek wenst te blijven eren. Het Pantheon werd vijftien jaar vóór Père-Lachaise gebouwd.

De vrijmetselaars die op Père-Lachaise begraven liggen, zullen wel tot in de eeuwigheid een zweem van jezuïtisme moeten verdragen. François d'Aix de la Chaize, aan wie de begraafplaats zijn naam dankt, was raadsman en biechtvader van Lodewijk de Veertiende, de Zonnekoning. Van 1665 tot 1709 resideerde hij op wat toen nog de Mont-St Louis heten, een van de heuvelen waarop Parijs gebouwd is. De bewoners van de wijken aan de voet van de heuvel duidden van lieverlee de plek aan met de naam van de man die er woonde, en die ze dagelijks met zijn koets naar Versailles zagen vertrekken.

De beste gids om Père-Lachaise mee te bezoeken in Bertrand Beyern. Een hoogbegaafde jongen die als tienjarige al Michelingid-sen uit zijn hoofd leerde: op verjaardagen riep iemand een plaatsnaam en dan dreunde hij zo alle hotels en restaurants in die plaats op, inclusief de specialiteiten. Te geniaal om op een gewone manier zijn brood te verdienen, voorzag hij lange tijd in zijn levensonderhoud door het winnen van tv-quizzen. PèreLachaise is een obsessie voor hem waarvan hij niet denkt ooit nog te willen of kunnen genezen. Elk weekend geeft hij rondleidingen, die op verzoek een bepaald thema behandelen: misdaad, gebroken levens, familiegeheimen, of macabere humor.

Beyerns stelling is: van de 70 000 graven zijn er 10 000 de moeite waard om bij stil te staan. En dan nog is het de vraag of hij alles bijhoudt. Iedere wandelaar over Père-Lachaise zal zijn eigen ontdekkingen kunnen doen.

Zoek bijvoorbeeld eens het graf van de in 1999 helaas vrij jong gestorven Gilbert Morard, seinwachter eerste klasse bij de Franse spoorwegen. Een aanstormende TGV en een seinpaal sieren zijn grafsteen. Daarop staat ook een kruis maar het lijkt alsof de TGV daar een arm van af heeft gereden. Of het meest ten hemel schreiende, in elk geval een van de hoogste monumenten op PèreLachaise, de piramide van de negentiendeeeuwse familie Gemond die door het lot wel heel wreed getroffen werd, zoals op de zuil te lezen staat.

De dood komt in vele gedaanten, dat is op Père-Lachaise te zien. Wanneer de kastanjes vallen, leidt dat tot mijmeringen bij de wandelaar. De sereniteit van de dodenstad, slechts door een muur gescheiden van een van de drukste wijken van Parijs, is weldadig. Je krijgt gewoon zin om ook eens een paar honderd jaar dood te zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden